ECLI:NL:TGDKG:2025:101 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/761525 DW RK 24/438 MK/SM
| ECLI: | ECLI:NL:TGDKG:2025:101 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-11-2025 |
| Datum publicatie: | 07-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | C/13/761525 DW RK 24/438 MK/SM |
| Onderwerp: | Ambtshandelingen (art. 2 Gdw) |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht ongegrond. Klaagster beklaagt zich er over dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste berekening van de beslagvrije voet hanteert wat ertoe leidt dat er teveel is ingehouden. Ook als die stelling al juist is, betekent dat niet automatisch dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Klaagster dient zij zich hiervoor te wenden tot de gewone (civiele) rechter en niet de tuchtrechter. |
KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM
Beslissing van 7 november 2025 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/761525 DW RK 24/438 MK/SM ingesteld door:
[ ],
wonende te [ ],
klaagster,
tegen:
[ ],
gerechtsdeurwaarder te [ ],
beklaagde.
Ontstaan en verloop van de procedure
Bij e-mail met bijlagen, ingekomen op 23 december 2024, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 20 maart 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 september 2025 alwaar klaagster (via een telefoonverbinding) en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 7 november 2025.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:
- de gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis ten laste van klaagster van 4 mei 2011.
- op 21 oktober 2019 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ten laste van klaagster.
2. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:
- de gerechtsdeurwaarders weigeren het door klaagster teveel betaalde bedrag terug te betalen; geen correcte berekening van de beslagvrije voet,
- zij ondanks vele verzoeken geen inzage krijgt in haar dossier.
3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder
De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klaagster heeft haar klacht niet ingediend tegen een specifieke gerechtsdeurwaarder, maar tegen het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. De in aanhef genoemde gerechts deur waarder wordt als beklaagde aangemerkt, omdat hij werkzaam is bij het kantoor waar het dossier van klaagster in behandeling is en verantwoordelijkheid draagt voor de bij hem werkzame medewerkers. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
4.2. Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt klaagster dat in zowel juli 2024 als in augustus 2024 € 0,09 teveel is afgedragen na aanpassing van de beslagvrije voet. Op 29 augustus 2024 is via het UWV eenmalig een betaling van € 0,09 gedaan. Klaagster stelt nog recht te hebben op € 0,09. Verder stelt klaagster dat zij vakantiegelden ad € 164,39 dient terug te krijgen omdat dit bedrag binnen de beslagvrije voet valt en er geen grond bestaat om het niet terug te betalen nu is gebleken dat de correcte gegevens constant bekend waren.
4.3 Feitelijk klaagt klaagster erover dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste berekening van de beslagvrije voet hanteert wat ertoe leidt dat er teveel is ingehouden. Ook als die stelling juist is, betekent dat niet automatisch dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Indien klaagster het niet eens is met de hoogte van de vastgestelde beslagvrije voet of de door de gerechtsdeurwaarder opgegeven hoogte van de vordering, of vindt dat er een terugbetalingsverplichting rust op de gerechtsdeurwaarder vanwege onjuistheid in de berekening, dient zij zich te wenden tot de gewone (civiele) rechter en niet de tuchtrechter. Klaagster is hier vaker op gewezen door de gerechtsdeurwaarder.
4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b stelt klaagster dat zij na vele verzoeken geen inzage krijgt in haar dossier. Bij brief van 12 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster medegedeeld geen informatie met betrekking tot afspraken en correspondentie tussen hem en de opdrachtgever te verstrekken en dat klaagster reeds over alle exploten beschikt. Ter zitting is dit onderdeel verder besproken en heeft de gerechtsdeurwaarder verklaard klaagster steeds te hebben voorzien van alle voor klaagster relevante stukken. Dat klaagster niet ontvangt wat zij wil aan stukken kan goed zijn, maar de vraag is of de gerechtsdeurwaarder gehouden is meer informatie aan klaagster te verstrekken dan hij tot nu toe heeft verstrekt. Dat is niet het geval. De gerechtsdeurwaarder is bovendien niet zonder meer bevoegd om correspondentie met zijn opdrachtgever te verstrekken.
4.5 In het verlengde van het hiervoor overwogene merkt de kamer nog het volgende op. Klaagster en de gerechtsdeurwaarder hebben al een aantal keren tegenover elkaar hebben gestaan bij de kamer. Met onderhavige klacht is dat vijf keer geweest[1]. De klachten berusten daarbij steeds op hetzelfde feitencomplex. Het gaat namelijk elke keer over de tenuitvoerlegging van het vonnis 4 mei 2011, waarbij de vordering dan wel de beslagvrije voet niet of onjuist zou zijn vastgesteld. Als klaagster opnieuw een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder indient met betrekking tot de punten die reeds aan de orde zijn gekomen zal klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, en mr. S.N. Schipper en mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2025, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
[1] Zaaknummers: C/13/530914 DW 12/944, C/13/547350 DW RK 13/646, C/13/568416 DW RK 14/497 en C/13/726768 DW RK 22/462.