ECLI:NL:TDIVTC:2025:53 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/53
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-12-2025 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/53 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij heeft nagelaten op adequate wijze te handelen naar aanleiding van hetgeen klaagster telefonisch over de toestand van haar hond had gemeld. [Klacht gegrond, volgt een waarschuwing]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klaagster], klaagster,
tegen
de dierenarts [naam beklaagde], beklaagde.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 31 juli 2025. Daarbij waren aanwezig klaagster, vergezeld van mw. [naam], en beklaagde, bijgestaan door mr. I.E. Boissevain en vergezeld van mw. [naam]. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat zij heeft nagelaten op adequate wijze te handelen naar aanleiding van hetgeen klaagster telefonisch over de toestand van haar hond had gemeld.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Stafford-kruising (teef)
met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die ten tijde van de gebeurtenissen die
tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna tien jaar oud was.
3.2. Op vrijdag 26 april 2024 rond 12.30 uur is klaagster met de hond op consult
geweest bij beklaagde, omdat de hond eerder op de dag enkele keren had gebraakt, veel
aan het hijgen was en niet wilde eten. Bij het afnemen van een anamnese heeft klaagster
gemeld dat de hond anderhalve week geleden loops was geweest. Beklaagde heeft lichamelijk
onderzoek uitgevoerd, waaruit een lichaamstemperatuur van 39,1 graden Celsius naar
voren kwam. De buik was pijnlijk en er is een behandeling met medicatie ingezet. Beklaagde
heeft geadviseerd te letten op symptomen van een baarmoederontsteking en indien het
slechter zou gaan met de hond, telefonisch contact op te nemen met de dienstdoende
dierenarts.
3.3. Later op die dag rond 17.00 uur heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de praktijk van beklaagde; ze heeft toen gesproken met een paraveterinair over de toestand van de hond. Op verzoek van de paraveterinair heeft klaagster de temperatuur van de hond gemeten en deze bleek te zijn gestegen. De paraveterinair is naar aanleiding van dit gesprek gaan overleggen met beklaagde.
3.4. Na het overleg met beklaagde heeft de paraveterinair klaagster teruggebeld. Aan klaagster is gemeld dat er antibiotica is voorgeschreven, die zij op de praktijk zou kunnen komen ophalen. Volgens het patiëntendossier heeft de paraveterinair opgemerkt, voor het geval de klachten zouden aanhouden, dat de mogelijkheid van een baarmoederontsteking in het achterhoofd diende te worden gehouden.
3.5. Rond 18.50 uur heeft een vriend van klaagster de voorgeschreven antibiotica opgehaald op de praktijk.
3.6. Later op de avond is klaagster met de hond op consult geweest bij de dienstdoende spoeddierenarts van een andere praktijk, omdat het slechter ging met de hond: de hond at niet, was erg zwak en er kwam bloed uit de vagina. De temperatuur van de hond was 40,3 graden Celsius en de spoeddierenarts heeft met behulp van een echoscopie een baarmoederontsteking geconstateerd. De spoeddierenarts heeft de hond met spoed geopereerd en een ovariohysterectomie uitgevoerd. Na de operatie heeft klaagster de hond mee naar huis genomen. De volgende ochtend is de hond overleden.
3.7. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.2. De klacht van klaagster spitst zich toe op het handelen van beklaagde dat volgde op het telefonisch contact dat klaagster op 26 april rond 17.00 uur met de praktijk had opgenomen. Haar klacht ziet niet op het consult bij beklaagde dat eerder op die dag had plaatsgevonden, zo heeft klaagster ter zitting verduidelijkt. Volgens klaagster heeft beklaagde nagelaten om haar uit te nodigen om onmiddellijk met de hond op consult te komen, hoewel ze telefonisch had gemeld dat het slechter ging met de hond. Door in plaats daarvan antibiotica voor te schrijven, heeft beklaagde hetgeen zij over de toestand van de hond telefonisch naar voren heeft gebracht, onvoldoende serieus genomen, aldus klaagster.
5.3. Vaststaat dat door klaagster rond 17.00 uur telefonisch aan de paraveterinair is gemeld én vervolgens door de paraveterinair aan beklaagde is doorgegeven, dat de hond haar ontlasting had laten lopen toen ze op bed lag, dat de temperatuur van de hond was gestegen naar 39,7 graden Celsius en dat de hond – tijdens het telefonisch contact, zo staat in het patiëntendossier – een beetje gal had gebraakt. Klaagster stelt dat zij nog meer heeft gemeld over de toestand van de hond, te weten dat het erg slecht ging met de hond, die verzwakt was en niet meer kon opstaan en dat de hond gedronken water niet binnen hield. Volgens beklaagde zijn deze omstandigheden niet door de paraveterinair aan haar overgebracht. Ook heeft klaagster naar voren gebracht dat ze tijdens het telefonisch contact in staat van paniek verkeerde, maar volgens beklaagde is haar niet ter ore gekomen dat klaagster toen ernstig bezorgd was.
5.4. Beklaagde stelt dat zij op basis van de informatie die zij van de paraveterinair heeft ontvangen, niet de conclusie had hoeven te trekken dat sprake was van een zodanig ernstige situatie die het nodig maakte klaagster direct uit te nodigen voor een opvolgend consult. Het stond volgens beklaagde niet vast dat sprake was van een baarmoederontsteking en er zou ook elders in het lichaam sprake kunnen zijn van een infectie of ontsteking. Beklaagde heeft hierom antibiotica voorgeschreven en heeft daarbij geadviseerd om de hond goed te monitoren en om in geval van verslechtering van de toestand van de hond contact op te nemen met de dienstdoende spoeddierenarts. Verder heeft beklaagde er in deze procedure nog op gewezen dat zij op dat moment druk bezig was met haar spreekuur en een wachtkamer vol met patiënten had, waardoor het overleg met de paraveterinair niet uitvoerig is geweest.
5.5. Het college overweegt als volgt. Als wordt uitgegaan van hetgeen volgens beklaagde door de paraveterinair aan haar is overgebracht over de toestand van de hond, dan heeft zij ontoereikend gehandeld door antibiotica voor te schrijven, daarbij te adviseren zoals hierboven in 5.4 is beschreven en het voor dat moment verder daarbij te laten. Ter zitting is naar voren gekomen dat beklaagde niet (nader) heeft uitgevraagd over het braken. Het college overweegt dat ze dit wel had moeten doen, nu ze de hond eerder op de dag op consult had gehad vanwege braakklachten en ze de hond toen heeft behandeld met een injectie Prevomax. Er was temeer aanleiding hierover uit te vragen, nu beklaagde ervan op de hoogte was gesteld dat de hond nog een beetje gal had gebraakt. Ook had ze zichzelf nader op de hoogte moeten (laten) stellen over de toestand van de hond, omdat zij tijdens het consult behandeling met NSAID’s had ingezet, door de hond een injectie Metacam toe te dienen en voor enkele dagen Carporal voor te schrijven. Daar komt nog bij dat klaagster telefonisch contact had opgenomen met de praktijk, nadat beklaagde eerder tijdens het consult de instructie had gegeven om te bellen zodra het slechter zou gaan met de hond. Onder de gegeven omstandigheden had beklaagde om een helderder beeld te krijgen van de toestand waarin de hond verkeerde, óf klaagster behoren uit te nodigen om met de hond op consult te komen, óf klaagster op een later moment zelf moeten bellen, óf de paraveterinair moeten verzoeken de nodige informatie op te vragen bij klaagster, waarbij relevant is dat het vrijdag laat in de middag was, voorafgaand aan het (Koningsdag)weekend. Op die manier had beklaagde zelf kunnen vaststellen of er voldoende grond was om te kunnen volstaan met het voorschrijven van antibiotica met het daarbij gegeven advies om de hond goed in de gaten te houden. Beklaagde is, door na te laten zich hiervan te (doen) vergewissen, naar het oordeel van het college tekortgeschoten in de aan de hond te verlenen zorg.
5.6. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat klaagster tijdens het telefonisch contact met de paraveterinair niet zelf heeft gevraagd om een opvolgend consult en dat er van de zijde van beklaagde nooit enige weigering is geuit om met de hond langs te komen.
5.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht gegrond zal worden verklaard. Het college acht na te melden maatregel passend en geboden. Overigens heeft het college geen aanleiding gezien om daarbij te laten meewegen dat klaagster over de behandeling van de hond reeds excuses heeft ontvangen van een collega-praktijkgenoot van beklaagde en dat ze een financiële compensatie – tegen finale kwijting – heeft gekregen van de organisatie waarvan de praktijk deel uitmaakt.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond;
geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de
leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats
en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.