ECLI:NL:TDIVTC:2025:52 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/5
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:52 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-12-2025 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/5 |
| Onderwerp: | Klachtambtenaarzaken |
| Beslissingen: | Gegrond met boete |
| Inhoudsindicatie: | Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten dat hij ten onrechte heeft geconcludeerd dat een rund voor noodslachting in aanmerking kwam en dat hij met betrekking tot de ‘ante mortem’ keuring en de invulling van de verklaring voor noodslachting is tekortgeschoten. [Klacht gegrond, volgt een onvoorwaardelijke geldboete van € 750]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15,
tweede lid, onderdeel b, van de Wet dieren, de klachtambtenaar
tegen
dierenarts [naam beklaagde], beklaagde
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Bij de mondelinge behandeling is beklaagde, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Wel aanwezig was de gemachtigde van de klachtambtenaar, mr. Y.C.E.M. Goos. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat hij ten onrechte heeft geconcludeerd dat een rund voor noodslachting in aanmerking kwam en dat hij met betrekking tot de zogenoemde ‘ante mortem’ keuring en de invulling van de verklaring voor noodslachting (‘certificaat in geval van noodslachting’) onjuist en onzorgvuldig heeft gehandeld. De klachtambtenaar heeft verzocht beklaagde een voorwaardelijke schorsing op te leggen van twee maanden.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de koe met het identificatienummer [nummer]. Beklaagde is de zogenoemde 1-op-1-dierenarts van de veehouderij waar de koe verbleef.
3.2. Op maandag 5 december 2022 is beklaagde bij de koe geroepen. De koe kwam niet meer overeind, omdat ze volgens de veehouder was uitgegleden na bespringing. Beklaagde heeft de koe behandeld voor spierbeschadiging door het inspuiten van, onder andere, 35 ml Niglumine. Voor dit diergeneesmiddel geldt een wachttermijn voor de slacht van 4 dagen. Dit heeft beklaagde in het door hem opgemaakte visiteformulier vermeld.
3.3. Enkele dagen later, op vrijdag 9 december 2022, is beklaagde door de veehouder gevraagd om naar het bedrijf te komen in het kader van een verzoek om noodslachting van de koe. Na aankomst op de veehouderij heeft beklaagde geconstateerd dat de koe een ernstige spierbeschadiging had, waardoor ze niet meer overeind kon komen. Beklaagde heeft in verweer toegelicht dat hij van de veehouder had vernomen dat de koe op 8 december 2022 opnieuw is besprongen. Na de anamnese en een lichamelijk onderzoek heeft beklaagde geconcludeerd dat de koe voor noodslachting in aanmerking kwam en is hij daartoe overgegaan. In de noodslachtverklaring is door beklaagde als (vermoedelijke) diagnose met betrekking tot het ongeval genoteerd: ‘spier/zenuwbeschadiging in de rug of achterhand. Dier kan niet staan. Rechtsachter geen gevoel’.
3.4. Bij de post mortem keuring op het slachthuis heeft een toezichthoudend dierenarts opgemerkt dat de koe een spuitplek had aan de buikzijde ter hoogte van de melkader, terwijl op het bijgeleverde VKI-formulier geen vermeldingen stonden van toegediende diergeneesmiddelen gedurende de laatste 35 dagen voor de slacht. De toezichthoudend dierenarts heeft via een medewerker van het slachthuis een nieuw VKI-formulier bij de veehouder opgevraagd. In dit tweede VKI-formulier was ‘ja’ aangevinkt bij de vraag of het dier ziek is geweest en/of behandeld met diergeneesmiddelen en werd verwezen naar het bijgevoegde door beklaagde opgemaakte visiteformulier van 5 december 2022. De toezichthoudend dierenarts heeft vervolgens een melding bij de NVWA gemaakt met een rapport van bevindingen d.d.12 december 2022. Daarbij is verzocht nader onderzoek uit te voeren bij de veehouder en de dierenarts op basis van het vermoeden dat er valsheid in geschrifte was gepleegd, dan wel dat er een dier is aangeboden voor noodslachting zonder dat aan de voorwaarden was voldaan.
3.5. Op 16 mei 2023 is beklaagde door de NVWA gehoord. Ook de veehouder is gehoord. Tijdens het verhoor heeft beklaagde bevestigd dat hij de noodslachting bij de koe heeft uitgevoerd maar dat hem achteraf is gebleken dat daarbij een fout is gemaakt, omdat er nog een wachttijd gold voor de slacht vanwege de toegediende Niglumine.
3.6. Op basis van het onderzoek heeft de NVWA geconcludeerd dat niet was voldaan aan de vereisten voor een noodslachting en is op 24 oktober 2023 een berechtingsrapport opgemaakt voor de klachtambtenaar. Beklaagde wordt daarin verweten dat hij een noodslachting heeft verricht, terwijl het een verslechtering van een reeds op 5 december bestaande toestand als gevolg van een ongeval op die dag betrof. Daarmee bedroeg de tijdspanne tussen het ongeval op 5 december 2022 en het tijdstip van de noodslachting meer dan de maximaal toegestane duur van 72 uur, naast dat de koe zich nog in de wachttermijn van een diergeneesmiddel bevond.
3.7. De klachtambtenaar heeft besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.
3.8. De NVWA heeft met betrekking tot hetzelfde onderliggende feitencomplex aangegeven ook een proces-verbaal op te maken voor het Openbaar Ministerie. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het tuchtcollege was nog niet duidelijk of er ook strafrechtelijke vervolging is ingesteld of dat de zaak op andere wijze is of nog wordt afgedaan.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. Het college merkt vooraf op dat het berechtingsrapport enkele storende fouten bevat. Op de eerste bladzijde daarvan wordt 12 december 2022 vermeld als zijnde zowel de datum van de noodslachting als de datum van aanlevering van de koe op het slachthuis. Dit terwijl vast staat dat beide gebeurtenissen op 9 december 2022 hebben plaatsgevonden. Ook valt op dat er tijdens het verhoor kennelijk geen vragen zijn gesteld over of de noodslachting al dan niet nog verband hield met het ongeval op 5 december 2022. Dit terwijl beklaagde wordt aangerekend dat op het noodslachtingsformulier ten onrechte staat vermeld dat er op 8 december 2022 een ongeval had plaatsgevonden.
Inhoudelijk
5.2. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de koe, dan wel of hij op andere wijze tekort is geschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is bepaald dat deze artikelen ook betrekking hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.
5.3. Uit de Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 volgt, samengevat, dat vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, zoals van runderen, die een noodslachting buiten het slachthuis hebben ondergaan, alleen tot de voedselketen wordt toegelaten indien het een voor het overige gezond dier betreft dat een ongeval heeft gehad, waardoor het om welzijnsredenen niet naar het slachthuis kan worden vervoerd. Voorafgaande aan een noodslachting dient het dier ter plaatse en nog in leven te zijn (goed)gekeurd door de dierenarts, de zogenoemde ‘ante mortem’ keuring. De dierenarts dient voorts tezamen met de dierhouder een verklaring voor noodslachting op te stellen, waarmee het dier naar het slachthuis kan worden vervoerd en aldaar alsnog kan worden geaccepteerd voor de slacht en menselijke consumptie.
5.4. Een verklaring voor noodslachting (hierna ook: de verklaring) bestaat uit twee gedeelten, te weten het bovenste deel dat door de veehouder dient te worden ondertekend en het onderste deel, in te vullen en te ondertekenen door de dierenarts. De veehouder is verantwoordelijk voor het bovenste gedeelte van de verklaring, waarin dient te worden vermeld wat de reden voor het verzoek tot noodslachting is. In het onderste gedeelte van de verklaring vult de dierenarts de vermoedelijke diagnose van het ongeval in. Met de ondertekening van het formulier verklaart de dierenarts dat een anamnese is afgenomen, dat het dier is onderzocht en dat is geconstateerd dat het een voor het overige gezond dier betrof, dat noodgedwongen ten gevolge van een ongeval ter plaatse is gedood om het dier aldus nog te kunnen vervoeren en aan te kunnen bieden voor de slacht en dat hem geen beletselen uit het oogpunt van de volksgezondheid bekend waren om de koe geschikt te verklaren voor menselijke consumptie.
5.5. In de onderhavige zaak gaat het om een noodslachting waarbij door de veehouder blijkens diens verklaring ‘besprongen en uitgegleden’ als reden is opgegeven met als datum en tijdstip van het ongeval ‘8 december 2022 om 12:00 uur’. Beklaagde heeft in de verklaring als (vermoedelijke) diagnose voor het ongeval ingevuld: ‘spier/zenuwbeschadiging in de rug og achterhand. Dier kan niet staan. Rechtsachter geen gevoel’.
5.6. Voor wat betreft het ante mortem verrichte lichamelijke onderzoek heeft beklaagde in de verklaring zijn bevindingen genoteerd met betrekking tot de ademhaling (31), slijmvliezen (‘gb’), pols (70), lichaamstemperatuur (38,3), lymfeknopen (‘gb’) en de algemene indruk (‘gb’). De klinische parameters duiden dus op een op zichzelf gezonde koe, zij het gewond met een slechte prognose.
5.7. Met betrekking tot het verwijt dat beklaagde ten onrechte in de verklaring geen toelichting heeft gegeven over hoe de koe eraan toe is geweest in de dagen na het ongeval op 5 december 2022, waardoor niet duidelijk is of het op 8 december 2022 geconstateerde letsel daadwerkelijk het gevolg was van een nieuwe bespringing op die dag dan wel nog verband hield en gevolg was van het ongeval drie dagen eerder, op 5 december 2022. Beklaagde stelt dat de veehouder hem bij de anamnese heeft verteld dat de koe tussentijds was hersteld en weer tussen het koppel is geplaatst, maar op 8 december 2022 opnieuw is besprongen en uitgegleden. Ter zitting heeft de klachtambtenaar gesteld dat in de verklaring weliswaar staat vermeld dat de koe op 8 december 2022 een ongeval heeft gehad, maar dat beklaagde bij de veehouder navraag had moeten doen naar het verloop van het herstel van de koe na het eerdere ongeval op 5 december 2022 en dat dit nergens uit blijkt. Dat is, zo heeft de klachtambtenaar toegelicht, door de NVWA als verdacht gezien, omdat het er op lijkt dat het ging om een verergering van reeds eerder bestaande klachten die waren veroorzaakt door het ongeval dat op 5 december 2022 had plaatsgevonden. Daarmee zou het tijdsverloop tussen het ongeval en de noodslachting meer dan 72 uur bedragen en dit is niet geoorloofd.
5.8. Het college overweegt dat uit de verklaring volgt dat door de veehouder is aangegeven dat de aanleiding een ongeval op 8 december 2022 was en beklaagde heeft in zijn verweerschrift weersproken dat hij daarover geen navraag heeft gedaan bij de veehouder. Gelet op die betwisting staat niet vast dat beklaagde geen nadere toelichting heeft gevraagd over of het letsel nog verband hield met het ongeval van 5 december 2022 en hoe het verloop daarna is geweest. Als gezegd blijkt ook niet dat dit door de NVWA aan de orde is gesteld toen beklaagde werd verhoord. Dit verwijt wordt door het college als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
5.9. Ten overvloede merkt het college op dat uit de vormgeving c.q. lay-out van het noodslachtformulier zoals dat standaard wordt gebruikt, niet volgt dat de dierenarts het gedeelte van de verklaring dat door de veehouder is ondertekend nader dient te controleren of toelichten en dit dan vervolgens nogmaals dient op te nemen in het gedeelte van het formulier dat op zijn eigen verklaring ziet. Daarmee valt uit het noodslachtformulier niet op te maken of en hoe een dierenarts navraag en/of nader onderzoek heeft verricht naar de verklaring van de veehouder en de enkele omstandigheid dat het niet op het noodslachtformulier is aangegeven door de dierenarts zelf, wil nog niet zeggen dat dit niet is gebeurd.
5.10. Beklaagde wordt hiernaast verweten de verklaring ten onrechte te hebben afgegeven, omdat de koe vanwege de nog geldende wachttermijn voor Niglumine niet voor noodslachting in aanmerking kwam. Dit klachtonderdeel slaagt. Uit de stukken is gebleken dat beklaagde deze fout achteraf erkent. Het college ziet, anders dan de klachtambtenaar, de toelichting in dupliek niet als een terugkomen op die erkenning, maar als een uitleg waarom hij destijds dacht waarom hij buiten de wachttermijn zat.
5.11. Naar het oordeel van het college wist beklaagde althans had hij moeten weten dat er nog een wachttermijn voor de slacht gold. Hij had de medicatie immers zelf op 5 december 2022 aan de koe toegediend en op het visiteformulier ook vermeld dat de wachttermijn vier dagen bedroeg. Dit vormde een beletsel voor de noodslachting. Beklaagde had de veehouder hier op moeten wijzen alsook dat de Niglumine op het VKI-formulier vermeld moest worden. Overigens is het zo dat, ongeacht of er (nog) een wachttermijn geldt, op dit formulier aangegeven dient te worden of het dier geneesmiddelen heeft gehad in de 35 dagen voorafgaande aan de slacht.
5.12. Samenvattend kan beklaagde worden verweten ten onrechte te hebben geconcludeerd dat er geen beletselen waren voor de noodslachting en toelating tot de voedselketen vanwege de nog geldende wachttermijn voor de slacht van een toegepast diergeneesmiddel. Daarmee is het risico geschapen dat er een dier voor humane consumptie zou worden geslacht dat daar als gevolg van nog in het lichaam aanwezige geneesmiddelenresiduen niet geschikt voor was, Dit had tot schadelijke gevolgen voor de voedselveiligheid kunnen leiden. Dat dit risico zich door de interventie van de toezichthoudend dierenarts op het slachthuis niet daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, doet hier niet aan af. Het college acht na te melden maatregel passend en geboden.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond, zoals samengevat in 5.12;
legt aan beklaagde een onvoorwaardelijke geldboete op van € 750 overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel c, van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. Van Heuven-van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.