We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TDIVTC:2025:51 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/59

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:51
Datum uitspraak: 09-12-2025
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s): 2024/59
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Kat. Dierenarts wordt verweten met betrekking een kat in zijn onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten. [Klacht gegrond, volgt een waarschuwing].  

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klaagster] en [naam klager],                               klagers,

tegen

dierenarts [naam beklaagde],                                         beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling was geagendeerd op 28 augustus 2025. Geen van de partijen is verschenen, beklaagde met voorafgaande kennisgeving. In raadkamer is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten met betrekking tot de kat van klagers in zijn onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten.  

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klagers, een Europese korthaar met de naam [naam kat] (hierna: de kat), bijna zes jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Op zaterdag 25 mei 2024 hebben klagers hun zwaargewonde kat - waarschijnlijk aangereden – naar de praktijk van beklaagde gebracht, die dat weekend de spoeddienst verzorgde. Bij de intake is een kort klinisch onderzoek verricht. Een oog was uit de oogkas geraakt en was niet meer te redden. De kat had verwondingen aan de bek en was erg bebloed. In overleg is besloten de kat pijnstilling te geven, te observeren en later onder sedatie een röntgenfoto te maken en de kat verder te onderzoeken. Uit de röntgenfoto bleek een symphysis-  fractuur van de onderkaak. De kat had een grote zwelling op zijn kop. Zijn tong was deels gescheurd en een hoektand was afgebroken. Onder de tong was een zwelling aanwezig. Beklaagde heeft aangegeven dat de verwondingen goed konden herstellen en geen invloed hoefden te hebben op het toekomstig welzijn en functioneren van de kat. In overleg met klagers is besloten tot een operatieve behandeling de volgende dag, als de kat voldoende gestabiliseerd zou zijn.

3.3. Op zondag 25 mei 2024 heeft beklaagde het betreffende oog en de tand verwijderd, de tong met hechtingen gesloten en de symphysisfractuur hersteld met cerclagedraad. De kat is die dag met klagers mee naar huis gegaan met (pijn)medicatie.
Klagers stellen dat zij gedurende de rest van de dag en de nacht vergeefs hebben geprobeerd om de kat water en medicatie toe te dienen.

3.4. Op maandag 27 mei 2024 zijn klagers naar hun eigen dierenarts gegaan, omdat de kat sloom was en pijn leek te hebben. De kat is opgenomen voor verzorging, pijnstilling, antibiotica en een infuus. Tijdens de opname is geconstateerd dat de kat veel pijn had, veel kwijlde, niet zelfstandig kon eten en erg apathisch was. Later die dag heeft de eigen dierenarts de kat onder sedatie nader onderzocht. Geconstateerd werd dat er een forse bloeduitstorting onder de tong aanwezig was en dat de onderkaak scheef stond en niet kon sluiten. Er is een luxatie van de kaak geconstateerd, die ook zichtbaar zou zijn geweest op de röntgenfoto die de zaterdag ervoor op de praktijk van beklaagde was gemaakt. De eigen dierenarts heeft klagers laten weten dat op zijn praktijk de kaak niet recht kon worden gezet, maar dat de kat wel kon worden doorverwezen naar een tweedelijnskliniek. De dierenarts vond de prognose twijfelachtig, gelet op de verwondingen in de bek en het lastig kunnen toedienen van medicatie. In overleg is besloten de kat te euthanaseren. Dat is diezelfde dag gebeurd.

3.5. Klagers hebben beklaagde vervolgens schriftelijk laten weten teleurgesteld te zijn in zijn diagnose en zijn gegeven gunstige prognose als klagers voor een operatieve ingreep zouden kiezen.  Zij stellen dat op basis van de foto en goed onderzoek de juiste diagnose – luxatie van de kaak - gesteld had kunnen worden en dat zij dan een andere beslissing hadden genomen. Beklaagde heeft schriftelijk gereageerd en een verzoek tot teruggave van de betaalde kosten afgewezen.

3.6. Begin juli 2024 hebben klagers de onderhavige klacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Vooraf wordt opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klagers minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.3. Nu beide partijen niet op de hoorzitting zijn verschenen, heeft het college hen geen nadere vragen kunnen stellen en berust de beoordeling op de processtukken in het dossier.

5.4. Voor wat betreft de klacht over de onjuiste diagnose merkt het college op dat het erg lastig is om enkel uit de röntgenfoto op te maken dat er evident sprake was van een luxatie van de kaak. Klagers stellen echter dat deze diagnose ook gesteld had kunnen worden middels onderzoek waarbij geprobeerd had moeten worden de kaak te sluiten. Beklaagde heeft in dat verband aangevoerd dat hij de kaakbeweging voorafgaande aan de ingreep heeft gecontroleerd en dat deze aan beide zijden hetzelfde was, buiten dat er een uitgebreide zwelling op de kop aanwezig was. In het verweerschrift heeft beklaagde herhaald dat voorafgaande aan de ingreep bij het openen van de bek tussen de linker- en rechterzijde geen verschil zicht-, merk- of voelbaar was. Gelet op de tegenspraak hierover is voor het college niet duidelijk geworden of beklaagde al dan niet voorafgaande aan de operatie heeft geprobeerd de kaak te sluiten en op basis daarvan de luxatie had kunnen diagnosticeren. Partijen spreken elkaar tevens tegen waar het gaat om de vraag of beklaagde al dan niet heeft voorgesteld de kat door te sturen naar een tweedelijnskliniek voor nader onderzoek. Resumerend kan door het college niet met zekerheid worden vastgesteld dat beklaagde een verwijt treft met betrekking tot zijn onderzoek en diagnostiek voorafgaande aan de operatieve ingreep. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.  

5.5. Het college gaat ervan uit, zoals klagers hebben toegelicht, dat zij na de operatie thuis  geprobeerd hebben water en medicatie aan de kat toe te dienen, maar dat dit niet lukte. Het college vat dit op als klacht betreffende postoperatief (niet) handelen van beklaagde voorafgaand aan het ontslag van de kat uit de kliniek. In aanmerking wordt genomen dat bij een vermoedelijk aangereden kat niet uitgesloten kan worden dat er sprake is van luxatie van de kaak, dat uit de patiëntenkaart niet blijkt of er ná de afronding van de operatie is gecontroleerd of de kaak goed sloot (al dan niet door middel van een CT-scan), dat de kat een zwelling/bloeduitstorting onder de tong had en een zojuist gehechte tong. Gelet hierop had beklaagde zich er eerst van dienen te vergewissen en er zeker van te zijn dat de kat kon drinken en eten. Uit de patiëntenkaart blijkt niet dat beklaagde dit heeft gecontroleerd. Gezien het relaas van klagers en het verslag van de eigen dierenarts acht het college het ook onwaarschijnlijk dat de kat ten tijde van zijn ontslag tot zelfstandig eten en drinken in staat was. Onder die omstandigheden kan beklaagde worden verweten dat hij de kat desondanks mee naar huis heeft gegeven. In zoverre wordt de klacht gegrond verklaard. De maatregel van een waarschuwing acht het college passend en geboden.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond, zoals beschreven onder 5.5:

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.