We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TDIVTC:2025:50 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/60

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:50
Datum uitspraak: 09-12-2025
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s): 2024/60
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij is tekortgeschoten in de behandeling van en de euthanasie van een hond. [Klacht gegrond, volgt een berisping].

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klaagster],                                                       klaagster,

tegen

dierenarts [naam beklaagde],                                   beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Klaagster is verschenen, vergezeld door haar partner en haar gemachtigde, mr. J.T. Schlepers. Beklaagde was eveneens aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij tekort is geschoten met betrekking tot de behandeling en euthanasie van de hond van klaagster.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster met de naam [naam hond] (hierna: de hond), een kruising St. Bernard (reu), vijf jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Op 30 april 2023 is klaagster met de hond bij een collega van beklaagde op het spreekuur geweest. Deze heeft de hond na onderzoek doorgestuurd naar een tweedelijnskliniek in [plaatsnaam], waar de hond vervolgens op 1 mei 2023 is geopereerd aan een maagtorsie. Toen de hond daarvan onvoldoende bleek op te knappen is bij deze tweedelijnskliniek op 5 mei 2023 een benodigde hersteloperatie uitgevoerd. Tussen 13 en 18 mei 2023 is de hond opnieuw opgenomen bij deze tweedelijnskliniek vanwege een opgezette buik. Op 22 mei 2023 is de hond aldaar op controle geweest. Op 26 mei 2023 is een röntgenfoto gemaakt door de eigen dierenarts. Op 30 mei 2023 is de hond weer op controle geweest bij de tweedelijnskliniek. Op 31 mei 2023 heeft klaagster de hond naar een andere tweedelijnskliniek in [plaatsnaam] gebracht voor een second opinion. Op 2 juni 2023 is de hond daar voor de derde keer geopereerd, omdat de maag los lag. Op 5, 9 en 22 juni is de hond aldaar voor controle geweest.

3.3. Op zondag 2 juli 2023 heeft klaagster in eerste instantie telefonisch contact gezocht met de tweedelijnskliniek in [plaatsnaam] omdat de hond een dikke buik had en last had van kortademigheid en misselijkheid. Omdat deze tweedelijnskliniek op die dag gesloten was, heeft klaagster meerdere dierenartsenpraktijken geprobeerd te bereiken en heeft zij uiteindelijk telefonisch contact gehad met de praktijk van beklaagde die weekenddienst had. Kort na aankomst op de praktijk zijn door de assistent van beklaagde twee laterale röntgenfoto’s gemaakt.
Beklaagde is tot de diagnose maagdilatatie/volvulus gekomen. Beklaagde heeft dit besproken met klaagster en op dat moment is een verdere anamnese afgenomen, waarbij klaagster de medische historie van de hond heeft toegelicht.

3.4. Omdat klaagster twijfelde over de diagnose, heeft beklaagde de gemaakte röntgenfoto’s laten beoordelen door een haar bekende specialist Veterinaire Radiologie. Deze gaf aan dat er sprake was van een draaiing van de maag van meer dan 180 graden, waarbij de fundus ventraal lag en het antrum dorsaal. Het colon was betrokken in de draai en stond wijd open, wat kon wijzen op paralyse van het colon, zo liet deze specialist weten. Beklaagde heeft klaagster hierover op de hoogte gebracht en daarbij aangegeven niet te willen opereren, omdat de hond volgens haar na een operatie geen dierwaardig en goed leven kon leiden. Beklaagde heeft euthanasie voorgesteld, waarmee klaagster niet instemde. Zowel beklaagde als klaagster hebben vervolgens, los van elkaar, contact gehad met de tweedelijnskliniek in [plaatsnaam]. Klaagster heeft ook nog contact gehad met haar eigen dierenarts. 

3.5. In de daarop volgende drie uur is klaagster met de hond op de praktijk gebleven en is beklaagde tussen haar spreekuur en andere afspraken door enkele keren komen kijken, waarbij zij meermaals bij klaagster heeft aangedrongen op euthanasie. Er is geen pijnstilling of andere medicatie toegediend en er heeft geen behandeling plaatsgevonden. Op enig moment heeft klaagster gevraagd of ze de hond mee naar huis mocht nemen, maar dat stond beklaagde niet toe. Later heeft klaagster gevraagd of de hond thuis geëuthanaseerd kon worden, maar dat is eveneens afgewezen door beklaagde. Op voorstel van beklaagde heeft de euthanasie ten slotte plaats gevonden in de auto van klaagster.  

3.6. Eind juni 2024 is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Vooraf wordt opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.3. Het college heeft de klacht opgesplitst in vier klachtonderdelen, te weten:

1. onvoldoende onderzoek;

2. een overhaaste beslissing tot euthanasie;

3. de wijze waarop toestemming voor euthanasie is verkregen;

4. het niet toedienen van pijnstillende medicatie.

Onvoldoende onderzoek

5.4. Gebleken is dat beklaagde enkel twee laterale röntgenfoto’s heeft gemaakt op de linkerzijde van de hond. Dit terwijl voor een goede beoordeling en diagnosestelling röntgenfoto’s  liggend op de rechter zijde wenselijk en aangewezen zijn. Daaraan doet niet af de van de radioloog nadien verkregen mening. Beklaagde heeft verder geen volledig algemeen klinisch onderzoek verricht, de hond niet gewogen en geen lichaamstemperatuur opgemeten. Beklaagde stelt dat ze de buik van de hond heeft bevoeld, maar dit wordt door klaagster betwist, zodat het college niet met zekerheid kan vaststellen of dit inderdaad is gebeurd. Beklaagde was via haar collega in grote lijnen op de hoogte van de medische voorgeschiedenis van de hond, maar heeft geen inzage gehad in de patiëntenkaart van de tweedelijnskliniek in [plaatsnaam] waar de hond nog onder behandeling was. Beklaagde heeft wel telefonisch contact gehad met die tweedelijnskliniek, maar heeft niet gesproken met de behandelend dierenarts zelf. Naar het oordeel van het college is beklaagde te voorbarig en op basis van summier onderzoek te stellig tot haar diagnose gekomen die vooral lijkt te zijn gebaseerd op aannames en een zekere vooringenomenheid. Zo heeft beklaagde aangenomen dat de hond twee maagtorsie-operaties had gehad -terwijl het er in feite maar een is geweest- en is zij er tevens vanuit gegaan dat de behandelend dierenarts ook niet wilde opereren, zonder deze zelf te hebben gesproken. Het college weegt verder mee dat niet is gebleken dat beklaagde gedurende de drie uur dat de hond op de praktijk heeft verbleven heeft beoordeeld of zijn situatie was veranderd. Uitgaande van de door haar gestelde diagnose zou een verslechtering immers te verwachten zijn geweest, wat maakt dat het uitblijven daarvan reden had moeten vormen voor nader onderzoek. Er heeft echter geen nader onderzoek plaatsgevonden. Het college is van oordeel dat beklaagde onvoldoende onderzoek heeft verricht om op basis daarvan direct al tot de conclusie te komen dat er sprake was van een maagtorsie en waarbij euthanasie de enige behandeloptie betrof. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

Overhaaste beslissing tot euthanasie

5.5. Naar het oordeel van het college treft beklaagde tevens het verwijt dat zij onmiddellijk tot euthanasie wilde overgaan en klaagster geen andere opties heeft geboden. Duidelijk is dat het euthanasievoorstel voor klaagster een enorme schok is geweest, dat zij daarover heel emotioneel was en dat zij bij beklaagde heeft aangedrongen op verder onderzoek en overleg met andere dierenartsen. Beklaagde had kunnen aanbieden om te trachten de hond met een symptomatische behandeling comfortabel te krijgen (pijnstilling, sondering, infuus), zodat afscheid genomen kon worden en de hond bijvoorbeeld een dag later thuis door de eigen dierenarts geëuthanaseerd kon worden. Niet is vast komen te staan dat de gezondheidssituatie van de hond daarvoor op dat moment te slecht was en dat het leven van de hond niet enige tijd kon worden verlengd zonder dat zijn welzijn in het geding zou komen. Indien het was gelukt de hond comfortabel te krijgen, had dat klaagster meer tijd gegeven om met de ontstane situatie en de waarschijnlijk onvermijdelijke euthanasie in het reine te komen. Indien het niet mogelijk was gebleken het dier op een comfortabele manier te stabiliseren, dan had alsnog eerder tot euthanasie besloten kunnen worden. Dat de hond, los van de vraag wat hij exact mankeerde, zich in een ernstige situatie bevond en slechte vooruitzichten had, is voor het college voldoende komen vast te staan alsook dat euthanasie uiteindelijk een reële optie zou zijn. Echter is voor het college niet gebleken dat dit direct moest gebeuren en niet enig uitstel kon dulden.
Door klaagster alleen de mogelijkheid van onmiddellijke euthanasie te bieden, heeft beklaagde niet de zorgvuldigheid betracht die van haar als dierenarts had mogen worden verwacht. Dit klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

Wijze waarop toestemming voor euthanasie is verkregen

5.6. Uit de stukken en hetgeen ter zitting besproken is, is gebleken dat beklaagde weliswaar meerdere malen heeft aangedrongen op euthanasie, maar daartoe per saldo geen expliciete instemming heeft gekregen van klaagster. Op het moment dat werd gesproken over de locatie van de euthanasie, had beklaagde zich ervan moeten vergewissen of klaagster inderdaad instemde met de euthanasie als zodanig. Beklaagde stelt dat door te spreken over de plaats van uitvoering van de euthanasie, klaagster impliciet met euthanasie heeft ingestemd en ook dat klaagster behulpzaam was bij het uitvoeren van de euthanasie. Bij een dergelijk ingrijpende en onomkeerbare beslissing mocht echter worden verwacht dat beklaagde expliciet had gevraagd of klaagster op dat moment daadwerkelijk instemde met euthanasie. Door geen alternatief te bieden, geen mogelijkheid voor een second opinion en geen pijnstilling te geven, kan het college zich voorstellen dat klaagster zich overrompeld en gedwongen voelde (impliciet) in te stemmen met de euthanasie om de hond verder leed te besparen. Dit klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

Het niet toedienen van pijnstilling

5.7. Hoewel niet met zoveel woorden als klacht geformuleerd, is het niet toedienen van pijnstilling wel door klaagster genoemd als reden waarom zij uiteindelijk (impliciet) heeft ingestemd met de euthanasie. Het college heeft dit daarom als apart klachtonderdeel opgevat. In het verweerschrift en ter zitting heeft beklaagde aangegeven dat zij de hond bewust geen pijnstilling heeft gegeven, omdat zij bang was dat klaagster, als de hond rustiger en comfortabeler zou worden, niet akkoord zou zijn met euthanasie. Beklaagde heeft in haar verweerschrift erkend dat gedurende de tijd dat klaagster met de hond nog op de praktijk heeft verbleven – een tijdsbestek van drie uur – de hond pijn heeft geleden, zij het dat beklaagde dit wijt aan het feit dat klaagster zelf geen beslissing tot euthanasie nam en dit te lang duurde. Feitelijk is daarmee door beklaagde oneigenlijke druk op klaagster uitgeoefend terwijl het welzijn van de hond voorop had moeten staan en pijnstilling had behoren te worden gegeven.Door dit niet te doen heeft de hond onnodig geleden. Ook dit onderdeel van de klacht is gegrond.

5.8. Ten slotte en terzijde wordt nog opgemerkt dat over de wijze waarop de euthanasie is uitgevoerd, de door klaagster omschreven versie teveel uiteenloopt met de door beklaagde gegeven versie en kan het college zich hierover geen oordeel vormen.

5.9. Na te melden maatregel wordt door het college passend en geboden geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

geeft beklaagde daarvoor een berisping, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet dieren;

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.