We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TDIVTC:2025:49 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/65

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:49
Datum uitspraak: 18-12-2025
Datum publicatie: 30-06-2026
Zaaknummer(s): 2023/65
Onderwerp:
  • Konijnen
  • Overige diersoorten
Beslissingen:
  • Niet ontvankelijk
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Cavia en Konijn. Dierenarts wordt verweten dat hij met betrekking tot een tandheelkundige behandeling bij een cavia en een konijn is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht. [Klacht voor zover deze betrekking heeft op de cavia is niet-ontvankelijk en voor zover deze betrekking heeft op het konijn ongegrond].

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klaagster],                                                                 klaagster,

tegen
 

dierenarts [naam beklaagde],                                             beklaagde.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift en het verweerschrift. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Beklaagde was daarbij aanwezig. Klaagster is niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak en zakelijk weergegeven, dat hij met betrekking tot een tandheelkundige behandeling bij de cavia en bij het konijn van klaagster is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de cavia van klaagster, genaamd [naam cavia] (hierna: de cavia) en om haar konijn, een Franse Hangoor met de naam [naam konijn] (hierna: het konijn). Beide dieren waren ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ongeveer 3 jaar oud.

Cavia

3.2. Op 14 februari 2020 is de cavia door de eigen dierenarts doorverwezen naar de kliniek van beklaagde in verband met gebitsproblemen. Op 19 februari 2020 en 24 april 2020 heeft beklaagde onder narcose een (chirurgische) gebitsbehandeling bij de cavia uitgevoerd. Beide keren hebben zich tijdens de ingreep geen bijzonderheden voorgedaan. Tijdens de recovery op de kliniek na de tweede ingreep op 24 april 2020 is de cavia onverwacht overleden.

Konijn

3.3. Eind juli 2023 is het konijn van klaagster wegens aanhoudende gebitsproblemen (haakvorming) doorverwezen naar de kliniek van beklaagde. Klaagster stelt dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de probleemkiezen moesten worden verwijderd en dat zij daartoe telefonisch met de kliniek van beklaagde een afspraak heeft gemaakt.

3.4. Op 9 augustus 2023 is klaagster met het konijn bij beklaagde op consult geweest. Voorafgaand aan dit consult heeft beklaagde de patiëntenkaart van het konijn bij de verwijzend dierenarts opgevraagd. Daaruit bleek dat het konijn in februari en in mei van dat jaar al een gebitsbehandeling had ondergaan. Tijdens het consult heeft beklaagde met klaagster besproken dat voor hem niet duidelijk was welke kiezen nu precies problemen gaven. Als eerste stap zou daarom het gebit van het konijn worden beoordeeld en de kiezen in model worden geslepen. Daarna zou het vervolgtraject worden bepaald, waarbij eventueel kiezen zouden worden getrokken. Hoewel klaagster andere verwachtingen had voorafgaand aan het consult, heeft zij ingestemd met het door beklaagde voorgestelde behandelplan.  

3.5. Die dag heeft beklaagde het konijn onder narcose gebracht en de gebitsproblemen onderzocht. Beklaagde heeft toegelicht dat er sprake was van ‘acquired dental disease’. Dit uitte zich in ribbels op de tanden, standsafwijkingen en haakvorming op negen kiezen. Nadat hij de gebitsproblemen in kaart had gebracht, heeft beklaagde de kiezen ingekort en de tanden in occlusie met de kiezen gebracht.

3.6. Na de ingreep is het konijn naar de recoveryruimte gebracht, waar ze is gemonitord en een glucose-infuus heeft gekregen. Omstreeks 16.00 uur heeft klaagster het konijn opgehaald. Daarbij is klaagster door de assistente geïnstrueerd vooral te letten op eten en keutelen, omdat konijnen na een narcose een ‘stille darm’ kunnen krijgen. Dit kan voor konijnen erg gevaarlijk zijn. Bij vertrek uit de kliniek heeft klaagster een nazorgbrief met informatie meegekregen waarin – met een telefoonnummer – stond vermeld om bij vragen contact op te nemen. Ook is pijnmedicatie (Metacam) meegegeven, alsook medicatie voor het geval het konijn niet wilde eten of keutelen (Laxatract en Cisaral) en zogenoemde ‘spuitvoeding’ of ‘dwangvoeding’ (Juvenile Formula). Afgesproken werd dat het gebit na 2-3 maanden opnieuw zou worden beoordeeld.

3.7. Die avond en nacht heeft klaagster het konijn verschillende etenswaren aangeboden, die het konijn aannam maar niet leek te kunnen verorberen. De volgende ochtend, 10 augustus 2023, heeft klaagster het konijn de voorgeschreven dosis pijnmedicatie (2x daags 0,1 ml/kg) gegeven en het konijn met beperkt succes gedwangvoerd. Omdat klaagster vond dat het konijn er slecht uitzag (slechte vacht, vieze ogen) en zij zich zorgen maakte, heeft zij omstreeks 08.15 uur de eigen dierenarts gebeld. Deze adviseerde om de dosis pijnmedicatie te verhogen tot 2x daags 0,3 ml/kg. Klaagster heeft dit advies opgevolgd.

3.8. Op diezelfde dag omstreeks 14.30 uur, was er nog altijd geen verbetering opgetreden. Daarop heeft klaagster nogmaals contact opgenomen met de eigen dierenarts, die haar heeft uitgenodigd met het konijn naar de praktijk te komen. Blijkens de patiëntenkaart is tijdens het algemeen klinisch onderzoek naar voren gekomen dat het konijn alert was, een BCS (Body Condition Score) had van 6/9 en een lichaamstemperatuur van 40,1°C. De ademhaling en polsslag waren versneld, mogelijk door stress op de behandeltafel, de ogen van het konijn waren helder en het bindvlies roze. Bij palpatie van de buik kwamen geen bijzonderheden naar voren, de achterhand was schoon en bij inspectie van de bek was een laesie c.q. aft zichtbaar. De eigen dierenarts concludeerde dat het konijn nog last had van pijn na de gebitsbehandeling. Daarop is het konijn opgenomen, is (extra) pijnmedicatie en Cisaral gegeven en is het konijn gedwangvoerd. De volgende dag kon het konijn weer naar huis, waar ze uiteindelijk volledig is hersteld.

3.9. Op 10 augustus 2023, aan het einde van de dag, heeft klaagster contact opgenomen met de kliniek van beklaagde om haar klachten over de behandeling door beklaagde en de postoperatieve symptomen te bespreken. Daarbij heeft klaagster aangegeven dat het konijn inmiddels werd behandeld door de eigen dierenarts in verband met de reisafstand tot de kliniek en het verloren vertrouwen in de deskundigheid van beklaagde. Omdat beklaagde al naar huis was, heeft de medewerker van de kliniek een terugbelafspraak gemaakt voor de volgende dag.

3.10. Op 11 augustus 2023 heeft klaagster omstreeks 16.10 uur nogmaals contact opgenomen met de kliniek en de patiëntenkaart opgevraagd. Ongeveer een half uur later is zij door beklaagde teruggebeld. Dit telefoongesprek en de contacten daarna hebben de bij klaagster bestaande onvrede over de behandeling van haar konijn niet kunnen wegnemen. Begin september 2023 is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart. 

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de cavia en het konijn van klaagster, met betrekking tot welke dieren zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat handelingen en gedragingen van een dierenarts die zich langer dan drie jaar voor de indiening van de klacht hebben voorgedaan als verjaard worden beschouwd. Voor wat betreft de cavia heeft de klacht betrekking op het handelen van beklaagde in de periode februari 2020 tot en met april 2020. Klaagster heeft de klacht op 7 september 2023 ingediend. Dit brengt mee dat, voor zover de klacht betrekking heeft op de cavia, deze niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de driejaarstermijn niet aan klaagster kan worden toegerekend is niet gebleken.

5.3. Verder geldt in het veterinair tuchtrecht als uitgangspunt dat niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. De klachten over de communicatie met beklaagde in de dagen en weken na de door hem uitgevoerde behandeling op 9 augustus 2023 zullen om die reden buiten de beoordeling blijven.

5.4. Voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klacht wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Inhoudelijk met betrekking tot het konijn

5.5. Klaagster heeft gesteld dat het konijn eind juli 2023 is doorverwezen naar beklaagde voor het verwijderen van enkele probleemkiezen. In de patiëntenkaart van de verwijzend dierenarts is hierover opgenomen dat aan klaagster is doorgegeven dat beklaagde vaker kiezen trekt en de prognose daarvan goed is, dat klaagster hier blij mee was en dat zij een afspraak zou maken. Uit de patiëntenkaart leidt het college echter ook af dat de verwijzend dierenarts het aan beklaagde heeft overgelaten om te bepalen of de probleemkiezen daadwerkelijk moesten worden geëxtraheerd of dat een andere behandeling mogelijk was. Afgezien daarvan had beklaagde, als opvolgende dierenarts en gespecialiseerd veterinair tandheelkundige, een eigen verantwoordelijkheid. In dat licht lag het in de rede dat beklaagde eerst zelf de gebitsproblemen zou analyseren alvorens hij tot extractie zou overgaan. Het college kan daarom ook volgen dat beklaagde na het lezen van de patiëntenkaart geen contact heeft opgenomen met de verwijzend dierenarts teneinde meer informatie over de probleemkiezen te krijgen, maar ervoor heeft gekozen om af te gaan op zijn eigen beoordeling.

5.6. Tijdens het consult op 9 augustus 2023 heeft beklaagde de werkwijze van de kliniek toegelicht en uitgelegd dat hij de gebitsproblemen eerst in kaart zou brengen en het gebit in model zou brengen. Klaagster heeft daarvoor toestemming gegeven. Beklaagde heeft uitgelegd welke gebitsproblemen hij is tegengekomen en op welke wijze hij het gebit vervolgens in model heeft gebracht. Naar het oordeel van het college strookt de behandeling met hetgeen in de veterinaire tandheelkunde gebruikelijk is. Er zijn geen aanwijzingen die er op duiden dat de behandeling niet naar behoren is uitgevoerd. Dat de kiezen te kort zijn geslepen, zoals klaagster stelt, volgt het college niet, nu bij het slijpen de glazuurrichels van de kiezen in stand zijn gelaten. De laesie c.q. aft die de eigen dierenarts in de bek van het konijn heeft aangetroffen, dateert van vóór de ingreep, zodat deze niet aan het handelen van beklaagde kan worden geweten. Dat tijdens de ingreep een kleine beschadiging in het slijmvlies is opgetreden, is een veel voorkomend gevolg van een ingreep als de onderhavige en niet altijd te voorkomen. Het college ziet onvoldoende aanleiding om hier tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

5.7. Klaagster verwijt beklaagde dat het konijn mee naar huis is gegeven zonder dat (duidelijk was of) het konijn tijdens de recovery al had gegeten. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat het konijn na de operatieve ingreep een glucose-infuus heeft gekregen, zodat de energiehuishouding bij vertrek uit de kliniek op peil was en minder relevant was of het konijn al had gegeten. Daarbij heeft beklaagde uitgelegd dat konijnen tijdens hun verblijf op de kliniek vaak gestrest zijn, waardoor zij niet willen eten. Eenmaal terug in de vertrouwde thuissituatie gaan deze konijnen meestal gewoon weer eten. Om die reden hoeven konijnen niet op de kliniek te blijven totdat zij hebben gegeten. In plaats daarvan worden diereigenaren geïnstrueerd in de gaten te houden of het konijn gaat eten en zo nodig spuitvoeding c.q. dwangvoeding te geven. Het college kan zich met deze toelichting verenigen. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. 

5.8. Bij vertrek uit de kliniek heeft klaagster instructies van de assistente gekregen en een nazorgbrief met informatie ontvangen. Verder zijn naast Metacam ook Laxatract, Cisaral en Juvenile Formula (‘spuitvoeding’ of ‘dwangvoeding’) meegegeven, voor het geval zich eet- of keutelproblemen zouden voordoen. Het college volgt beklaagde in diens opvatting dat het in voorkomende gevallen belangrijk is een konijn te dwangvoeren, maar dat het soort/merk spuitvoeding daarbij weinig verschil maakt. In de nazorgbrief is verder expliciet vermeld dat bij vragen contact kon worden opgenomen met de kliniek. Beklaagde heeft toegelicht dat de kliniek 24/7 bereikbaar is. Indien klaagster zich zorgen maakte over haar konijn, hulpvragen had over de ontvangen instructies of twijfelde over de toepassing van de meegekregen medicatie, had het in de rede gelegen daarover direct en rechtstreeks contact op te nemen met de kliniek van beklaagde. In plaats daarvan heeft klaagster eerst in de late middag van 10 augustus 2023, omstreeks 17.45 uur, toen het konijn al onder behandeling was van de eigen dierenarts, gebeld met de kliniek van beklaagde om haar ongenoegen te uiten over de handelwijze van beklaagde.

5.9. Tot slot verwijt klaagster beklaagde dat de voorschreven dosering Metacam (2x daags 0,1 ml/kg) veel te laag was. Beklaagde heeft erop gewezen dat deskundigen van mening verschillen over de juiste dosering van Metacam bij konijnen. Het betreft overigens medicatie die niet voor konijnen is geregistreerd, zodat terughoudendheid in de rede ligt. Omdat een hoge dosering lang niet altijd goed valt bij konijnen, beklaagde opvallend veel konijnen ziet met een maagzweer en uit zijn ervaring als veterinair tandheelkundig specialist weet dat veel konijnen aan 2x daags 0,1 ml/kg voldoende hebben, heeft hij ervoor gekozen met een lage dosering te beginnen. Beklaagde heeft zijn werkwijze naar het oordeel van het college afdoende onderbouwd. Ook de aft vormde geen aanleiding om met een hogere dosering te starten, nu de aft voorafgaand aan de ingreep al in de bek aanwezig was en het konijn daarvoor geen pijnmedicatie kreeg. Indien klaagster het idee had dat de verstrekte pijnmedicatie voor het konijn onvoldoende was, had het op haar weg gelegen hierover rechtstreeks contact op te nemen met beklaagde. Dit is niet gebeurd. In plaats daarvan is zij naar haar eigen dierenarts gegaan. Zij heeft eerst weer telefonisch contact met de kliniek opgenomen in de late middag van 10 augustus 2023, maar dat was om haar ongenoegen te uiten en aan te geven dat zij niet meer naar beklaagde zou komen. Daarmee is beklaagde ook de mogelijkheid ontnomen om de dosering aan te passen. Ook dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht:

voor zover deze betrekking heeft op de cavia niet-ontvankelijk

en

voor zover deze betrekking heeft op het konijn ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. M.J. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.