We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TDIVTC:2025:47 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/66 2024/67

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:47
Datum uitspraak: 18-09-2025
Datum publicatie: 04-06-2026
Zaaknummer(s):
  • 2024/66
  • 2024/67
Onderwerp: Konijnen
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Konijn. Klachten tegen twee dierenartsen. Een van de dierenartsen wordt verweten onvoldoende onderzoek te hebben verricht met betrekking tot een konijn dat vier dagen eerder was geopereerd. [Klacht gegrond met waarschuwing].De andere dierenarts wordt verweten tijdens een consult dat plaatsvond op de dag waarop het konijn is overleden, onvoldoende te hebben onderkend hoe kritiek de gezondheidssituatie was. [Klacht ongegrond].

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klaagster],                                           klaagster,

tegen
 

dierenarts [naam beklaagde sub 1],   beklaagde sub 1 (zaaknummer 2024/66),

dierenarts [naam beklaagde sub 2],   beklaagde sub 2, (zaaknummer 2024/67),

                                                                              hierna tezamen aangeduid als beklaagden

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Partijen waren daarbij aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Dierenarts beklaagde sub 1 wordt verweten dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht met betrekking tot het konijn van klaagster nadat het vier dagen eerder een operatie had ondergaan.

Dierenarts beklaagde sub 2 wordt verweten dat zij, tijdens een consult dat plaatsvond op de dag waarop het konijn is overleden, onvoldoende heeft onderkend hoe kritiek de gezondheidstoestand van het dier was.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om het konijn van klaagster, genaamd [naam konijn] (hierna het konijn), dat ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna drie jaar oud was.

3.2. Op 21 mei 2024 is klaagster met het konijn bij dierenarts beklaagde sub 1 op consult geweest. Het konijn dronk weinig en leek moeizaam te lopen. Na een anamnese, een algemeen klinisch onderzoek en het maken van een röntgenfoto van het abdomen, heeft dierenarts beklaagde sub 1 geconcludeerd dat de klachten werden veroorzaakt door een blaassteen die de urethra blokkeerde. Het konijn is nog diezelfde dag geopereerd. Omstreeks 19.45 uur is het konijn door klaagster opgehaald. Daarbij is een nazorgformulier meegegeven. Verder is medicatie in de vorm van Novacam (pijnstillend en ontstekingsremmend), een Metomotyl injectie en Emeprid oraal (ter stimulering van de darmen) voorgeschreven.

3.3. Op 22 mei 2024 heeft klaagster contact opgenomen met de praktijk, omdat het konijn niet wilde eten. Er is een consult ingepland voor later op die dag en geadviseerd om het konijn te dwangvoeren. Uiteindelijk is het consult door klaagster afgezegd omdat het in de loop van de dag beter leek te gaan en het konijn ook zelf begon te eten.

3.4. Op 23 mei 2024 is klaagster met het konijn bij een collega-dierenarts op controle geweest. Uit de anamnese kwam naar voren dat het konijn at, ontlasting had en iedere dag wat levendiger werd, maar dat niet duidelijk was of het konijn ook voldoende dronk en plaste. Blijkens de patiëntenkaart heeft deze collega-dierenarts bij het algemeen klinische onderzoek geconstateerd dat de operatiewond keurig genas en dat het konijn attent was, een goede turgor had, een BCS van 4/9, niet pijnlijk was in de buik, geen volle blaas of afwijkende massa’s/structuren in de buik had, dat de lichaamstemperatuur 39,8 °C bedroeg en dat er geen sprake was van afwijkende hartgeluiden. Op basis van deze bevindingen heeft deze collega-dierenarts geconcludeerd dat het konijn verhoging had, maar dat er geen aanwijzingen waren voor verstopping of dehydratie. Geadviseerd is het konijn die avond en de volgende ochtend te temperaturen en bij blijvende verhoging terug te komen voor een Bupredine-injectie. In de patiëntenkaart is opgenomen dat het konijn na de operatie nog erg suf was en dat klaagster daarom even wilde afwachten of het konijn, dat op de dag van de operatie, 21 mei 2024, al Bupredine toegediend had gekregen, ook zonder aanvullende Bupredine zou herstellen.

3.5. Op 25 mei 2024 heeft klaagster wederom contact opgenomen met de praktijk, omdat het konijn sinds de vorige avond weer slechter at. Nog diezelfde dag is klaagster met het konijn bij dierenarts beklaagde sub 1 op consult geweest. Ter zitting heeft dierenarts beklaagde sub 1 verklaard dat het konijn veel actiever was dan voorafgaand aan de operatie op 21 mei 2024, dat zij een anamnese heeft afgenomen en ondertussen de ademhaling, de houding en het reactievermogen van het konijn heeft gecontroleerd. Vervolgens stelt zij het konijn op de behandeltafel te hebben gezet voor controle van onder meer de ademhaling, slijmvliezen, lymfeklieren. Omdat het konijn wat suf leek - mogelijk ten gevolge van Novacam - en weinig at, is geadviseerd om het konijn weer meer te dwangvoeren en eventueel de toediening van Novacam af te bouwen.

3.6. Op 27 mei 2024 is klaagster met het konijn bij een collega-dierenarts op consult geweest, omdat het konijn een zware ademhaling en weinig eetlust had. Uit het klinisch onderzoek kwam naar voren dat het konijn koorts (40.9 °C) en een hijgende ademhaling had maar dat er geen sprake was van ‘neusvleugelen’. Deze collega vermoedde een ontsteking en heeft het konijn om die reden een injectie met Duplocilline (antibiotica) gegeven. Zij heeft klaagster geadviseerd de temperatuur van het konijn thuis te monitoren en op 29 mei 2024 met het konijn terug te komen naar de praktijk voor een tweede injectie.

3.7. Op 28 mei 2024 is er telefonisch contact geweest tussen klaagster en de praktijk, omdat de lichaamstemperatuur onverminderd hoog bleef (40.7 °C). Telefonisch zou zijn aangegeven dat er geen reden was voor paniek en dat het soms wat langer kan duren voordat antibiotica aanslaat. In de patiëntenkaart is omtrent dit gesprek genoteerd dat het konijn alert was, hooi at en af en toe rondliep, maar niet uit zichzelf dronk en veel lag. Er is een afspraak gemaakt voor een consult de volgende dag. Beklaagden zijn niet bij dit telefoongesprek betrokken geweest.

3.8. Op 29 mei 2024 is klaagster met het konijn bij dierenarts beklaagde sub 2 op consult geweest. Klaagster stelt dat het konijn op dat moment veel pijn had, alleen maar wilde liggen, zeer snel ademde, trillende pootjes had en na palpatie van de blaas zijn urine liet lopen. Desondanks zou dierenarts beklaagde sub 2 hebben gezegd dat het allemaal wel meeviel. Dierenarts beklaagde sub 2 heeft daar tegenover gesteld dat zij een anamnese heeft afgenomen waaruit naar voren kwam dat het konijn sloom was, niet dronk en nauwelijks at, maar dat het klaagster wel lukte om het konijn te dwangvoeren. Zij heeft een algemeen klinisch onderzoek verricht waaruit als afwijkende bevindingen naar voren kwamen een lichaamstemperatuur van 42.7 °C, een versnelde ademhaling en een blaas die bij palpatie stevig en gevoelig was maar niet erg pijnlijk. Dierenarts beklaagde sub 2 heeft ter zitting toegelicht dat het konijn niet zo actief was als een gezond konijn, maar dat het konijn nog trappelde met zijn poten en in een normale houding zat. Zij heeft het konijn een tweede injectie met Duplocilline gegeven en klaagster geadviseerd het konijn thuis koel te houden en het gebruik van Novacam en Emeprid in de oorspronkelijk voorgeschreven doseringen voort te zetten. Verder heeft zij een andere vorm van antibiotica (TMPS) besteld, omdat dit op de praktijk niet voorradig was en omdat de tot dan ingezette antibiotica onvoldoende effect leken te sorteren. Dit antibioticum zou naar verwachting de volgende dag op de praktijk beschikbaar zijn. Klaagster is vervolgens met het konijn naar huis gegaan. Het konijn is enkele uren later overleden.

3.9. Na het overlijden van het konijn heeft klaagster contact opgenomen met de praktijk, omdat zij niet tevreden was met de wijze waarop haar konijn in de laatste dagen voor het overlijden was behandeld. De klacht is opgepakt door de praktijkmanager, die het echter niet is gelukt om binnen een voor klaagster acceptabele termijn met haar in contact te komen. Daarop is klaagster medio juli 2024 de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op hun verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van het konijn van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van de dierenartsen beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoten zijn opgetreden.

5.3. Verder geldt in het veterinair tuchtrecht als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden en niet voor het veterinair handelen van collega-dierenartsen. Dit betekent voor deze procedure dat het college met betrekking tot dierenarts beklaagde sub 1 alleen haar handelen op 21 en 25 mei 2024 zal beoordelen en met betrekking tot dierenarts beklaagde sub 2 alleen haar veterinair handelen tijdens het consult op 29 mei 2024. Bij de overige consulten waren beklaagden immers niet betrokken. Overigens geldt verder dat niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. Om die reden zal ook de wijze waarop de klachtafhandeling binnen de praktijk is verlopen onbesproken blijven.

5.4. Voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klacht wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd. Ten aanzien van de verwijten waarvan de onderliggende feiten niet zijn vast te stellen, zal het college zich dan ook van een oordeel onthouden.

5.5. Tot slot wordt voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klachten opgemerkt dat het college niet oordeelt over (de hoogte van) facturen of verzoeken om financiële compensatie. Geschilpunten dienaangaande zullen in deze tuchtprocedure eveneens onbesproken blijven.

Inhoudelijk

Zaaknummer 2024/66 Dierenarts beklaagde sub 1

5.6. Op 21 mei 2024 is het konijn door dierenarts beklaagde sub 1 geopereerd. Klaagster heeft geen grieven aangevoerd tegen het handelen van dierenarts beklaagde sub 1 op de dag van de operatie. Het college heeft ook geen aanwijzingen die erop duiden dat het diergeneeskundig handelen op die dag onjuist of onzorgvuldig is geweest.

5.7. Op 25 mei 2024 is klaagster met het konijn bij dierenarts beklaagde sub 1 op consult geweest. Dierenarts beklaagde sub 1 heeft ter zitting verklaard dat zij niet standaard een algemeen klinisch onderzoek verricht, maar dat zij de gewoonte heeft om een dier tijdens de anamnese te observeren en daarbij goed te letten op de ademhaling, de houding en het reactievermogen. In het onderhavige geval was het konijn alert, actief en nieuwsgierig. Vervolgens stelt dierenarts beklaagde sub 1 het konijn op de behandeltafel te hebben gezet en te hebben geconstateerd dat het konijn niet warm aanvoelde, dat de ademhaling rustig was, dat de slijmvliezen roze en vochtig waren en de lymfeklieren normaal. Ook heeft zij verklaard de hartslag te hebben beluisterd, de buik te hebben gepalpeerd en de operatiewond te hebben beoordeeld. Omdat zij geen aanleiding had te veronderstellen dat het konijn koorts had, heeft zij de temperatuur van het konijn niet gemeten. Ook heeft zij de pols niet gevoeld.

5.8. Naar het oordeel van het college is het door dierenarts beklaagde sub 1 verrichte onderzoek te beperkt geweest en hadden in ieder geval de gebruikelijke parameters behoren te worden gecontroleerd. Door in het bijzonder niet de lichaamstemperatuur van het konijn te controleren, is onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Daarbij neemt het college in aanmerking dat het konijn enkele dagen eerder was geopereerd en dat er bijna dagelijks contact was geweest tussen klaagster en de praktijk, omdat het konijn na de operatie nog suf en niet in de normale doen was en slechts in beperkte mate zelfstandig at.

5.9. Verder heeft dierenarts beklaagde sub 1 ter zitting weliswaar verklaard dat zij de hartslag heeft beluisterd en de ademhaling, de lymfeklieren, de houding en de slijmvliezen heeft gecontroleerd, maar heeft zij hiervan geen notitie gemaakt in de patiëntenadministratie. Naar het oordeel van het college is zij hiermee tekortgeschoten in haar verslaglegging.

5.10. Aldus is de klacht tegen dierenarts beklaagde sub 1 op voornoemde onderdelen gegrond. De hierna in het dictum vermelde maatregel wordt door het college passend en geboden geacht. 

Zaaknummer 2024/67 Dierenarts beklaagde sub 2

5.11. Op 29 mei 2025 is klaagster met het konijn bij dierenarts beklaagde sub 2 op consult geweest. Zij heeft een anamnese afgenomen en een algemeen klinisch onderzoek verricht, waaruit als meest opvallende bevinding naar voren kwam dat het konijn een hoge lichaamstemperatuur van 42,7°C had. Gelet hierop kan het college begrijpen dat zij ervan is uitgegaan dat de overige klachten (sloomheid, verminderde eetlust, licht versnelde ademhaling en polsfrequentie) hiermee verband hielden en eerstens heeft ingezet op het onder controle krijgen van de lichaamstemperatuur middels het advies tot afkoeling en een behandeling met antibiotica en een pijnstiller/ontstekingsremmer. Dat tijdens het consult overduidelijk was dat het konijn heel veel pijn had en het waarschijnlijk niet zou redden, wordt door dierenarts beklaagde sub 2 betwist en strookt ook niet met de in de patiëntenkaart genoteerde bevindingen. Voor het college is het op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard niet mogelijk gebleken om vast te stellen of de gezondheidsstatus van het konijn ten tijde van het consult zo ernstig en kritiek was als door klaagster is gesteld. Dit brengt mee dat niet kan worden geconcludeerd dat dierenarts beklaagde sub 2 het verwijt treft dat zij de ernst van de situatie heeft onderschat. Hierbij neemt het college tevens in aanmerking dat de gezondheid van een konijn razendsnel kan verslechteren en dat er na het overlijden van het konijn geen sectie is verricht en de exacte doodsoorzaak ongewis is gebleven. Op grond van het vorenstaande is de klacht tegen dierenarts beklaagde sub 2 ongegrond.

6. DE BESLISSING

Het college:

in de zaak met nummer 2024/66;

verklaart de klacht tegen dierenarts beklaagde sub 1 gegrond, zoals beschreven onder 5.8 en 5.9;

geeft dierenarts beklaagde sub 1 daarvoor een waarschuwing als bedoeld in artikel 8:31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren;

in de zaak met nummer 2024/67;

verklaart de klacht tegen dierenarts beklaagde sub 2 ongegrond;

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. A.C.M. van Heuven-Kats, drs. A.H.A. Steentjes en drs. B.J.A. Langhorst-Mak en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2025.