ECLI:NL:TDIVTC:2025:46 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/21
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:46 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-09-2025 |
| Datum publicatie: | 04-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/21 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. De klacht behelst de wijze waarop de dierenarts heeft gehandeld tijdens het euthanasieproces van een hond. [Klacht ongegrond]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
Familie [naam klagers], klagers,
tegen
dierenarts [naam beklaagde], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift en het verweerschrift. Klagers zijn in de gelegenheid gesteld om een akte van repliek in te dienen maar hebben daarvan afgezien. De schriftelijk fase van de procedure is vervolgens gesloten en partijen zijn uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 1 mei 2025. Beklaagde heeft zich voor de zitting afgemeld. Klagers zijn niet verschenen. Het college heeft hierna over de zaak beraadslaagd en uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
De klacht behelst de wijze waarop beklaagde heeft gehandeld tijdens het euthanasieproces van de hond van klagers. De gedragingen waarover specifiek wordt geklaagd worden hierna besproken.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klagers, genaamd [naam hond] (hierna de hond), een Mechelse herder, geboren op 1 november 2012 en ruim 11 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid.
3.2. Op 9 februari 2024 zijn klagers met de hond naar de praktijk van beklaagde gegaan om de hond te laten inslapen. Zij hebben diverse kritiekpunten geuit over de wijze waarop het euthanasieproces is verlopen.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klagers, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klagers minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
Inhoudelijk
5.4. De inhoudelijke beoordeling van de zaak wordt voor het college bemoeilijkt omdat de schriftelijke ingediende stukken veel onduidelijkheid laten over wat er die bewuste ochtend precies is gebeurd. Nu partijen ter zitting niet zijn verschenen heeft het college hen daar ook niet nader over kunnen bevragen om daar meer helderheid over te verkrijgen.
5.5. Uit de stukken volgt dat de euthanasie gedurende het inloopspreekuur van de praktijk heeft plaatsgevonden. Klagers stellen dat zij met de hond in de wachtkamer zaten, dat beklaagde op enig moment naar hen toe kwam en een narcose-injectie aan de hond heeft toegediend waarna klagers vervolgens weer een kwartier hebben moeten wachten omdat beklaagde andere patiënten hielp en eerst daarna terugkwam om de euthanasie van hun hond uit te voeren. Het college begrijpt dat klagers vinden dat een en ander te lang heeft geduurd en onprofessioneel is verlopen.
5.6. Beklaagde heeft gesteld dat er voor de euthanasie van een dier normaliter middels een apart consult voldoende tijd wordt ingepland buiten het inloopspreekuur. Dit is in dit geval niet het geval geweest. Beklaagde heeft in zijn verweerschrift geschreven dat dit mogelijk kwam omdat er op nevenvestigingen geen plaats of tijd was om de euthanasie uit te voeren of omdat klagers zelf de voorkeur gaven om tijdens het inloopspreekuur te komen. Klagers hebben hier niet meer op gereageerd. Hoe het ook zij, klaarblijkelijk is er met instemming van klagers een afspraak gemaakt om tijdens het inloopspreekuur met de hond naar de praktijk te komen voor de euthanasie. Bij klagers, die vaker op deze praktijklocatie waren geweest, mocht bekend worden verondersteld dat het euthanaseren van hun hond tijdens het inloopspreekuur anders kan verlopen omdat dan ook andere dieren moeten worden gezien en behandeld en beklaagde heeft onbestreden gesteld dat hij die ochtend in zijn eentje dienst draaide. Hiervan uitgaande kan niet worden geconcludeerd dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt treft voor zover de euthanasie tijdens het inloopspreekuur is uitgevoerd, waarbij hij in de wachtkamer aan de hond de injectie ter narcose heeft toegediend, die eerst nog moest inwerken, en vervolgens tussendoor andere dieren heeft geholpen voordat hij terugkwam voor het ophalen van de hond voor de euthanasie.
5.7. Beklaagde wordt ook het verwijt gemaakt dat hij enige tijd na de toegediende narcose-injectie naar de wachtkamer terug is gekomen en de hond aan de riem omhoog heeft getrokken en over de grond naar de spreekkamer heeft gesleept en dat de echtgenoot van klaagster is opgestaan en nog net de achterhand van de hond heeft weten op te tillen. De dierenarts heeft in zijn verweerschrift gesteld dat hij niet meer weet hoe de gang van zaken precies is geweest maar dat dit in ieder geval minder ernstig was dan klagers hebben beleefd. De hond was volgens beklaagde onder narcose, slap en buiten bewustzijn en heeft van de verplaatsing naar de aangrenzende spreekkamer niets meegekregen. In een situatie als de onderhavige is de dierenarts verantwoordelijk voor het welzijn van het dier tot en met de euthanasie en ligt het op diens weg om pijn en onnodig ongemak voor het dier te vermijden. Als juist zou zijn dat de hond over de grond zou zijn gesleept, zoals klagers hebben beweerd, dan is voorstelbaar dat dit voor hen onaangenaam en emotioneel is geweest. De precieze gang van zaken en de ernst ervan is door het college op basis van de stukken echter niet vast te stellen en evenmin of de hond toen nog bij bewustzijn was. Beklaagde heeft uitdrukkelijk gesteld dat dit niet het geval was, hoewel onduidelijk is gebleven hoe dit is gecontroleerd. Hoe het ook zij, voor het college is niet komen vast te staan hoe de verplaatsing naar de spreekkamer precies is verlopen en of het welzijn van de hond in het geding is geweest. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.8. Voor zover beklaagde wordt verweten dat hij na het toedienen van de dodelijke injectie in de spreekkamer niet zou hebben gecontroleerd of de hond daadwerkelijk was overleden, heeft beklaagde dit bestreden. Ofschoon gangbaar is om het overlijden van een dier in een situatie als hier aan de orde vast te stellen met een stethoscoop en het beluisteren van het hart, stelt beklaagde dat hij de oog- c.q. corneareflex heeft getest en heeft gecontroleerd en gewacht totdat het ademhalen was gestopt en dat hij vervolgens klagers van het overlijden in kennis heeft gesteld. Hoewel onduidelijk is gebleven of beklaagde ook hartauscultatie heeft toegepast, heeft het college geen aanwijzingen die er op duiden dat beklaagde na de toediening van de betreffende injectie niet heeft vastgesteld dat de hond daadwerkelijk was overleden. Om die reden ziet het college ook op dit punt onvoldoende aanleiding voor een tuchtrechtelijke sanctie.
5.9. Uit de stukken volgt dat beklaagde na het overlijden van de hond aan klagers heeft gevraagd of zij het stoffelijk overschot wilden meenemen of op de praktijk wilden achterlaten, waarna zij voor het laatste hebben gekozen en beklaagde de factuur heeft opgemaakt. Dat hij de hond vervolgens in het zicht van klagers naar de berging heeft gebracht om haar op te laten halen voor destructie is dit een handeling die niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. In het veterinair tuchtrecht kan niet worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met het stoffelijk overschot van een dier omgaat.
5.10. Alles overziend komt uit het dossier het beeld naar voren van een euthanasieproces dat door de diereigenaren zelf als onaangenaam is ervaren en niet is verlopen zoals zij hadden verwacht, met name ook waar het betreft de communicatie door de dierenarts en de in de ogen van klagers onvoldoende getoonde empathie. Het college heeft echter te oordelen of beklaagde in diergeneeskundig opzicht verwijtbaar heeft gehandeld. Met name door de niet opgehelderde onduidelijkheden in het dossier is voor het college niet komen vast te staan dat de dierenarts in veterinaire zin onjuist of nalatig heeft gehandeld, althans niet zodanig dat dit tuchtrechtelijke consequenties zou moeten hebben. De klacht wordt ongegrond verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak en drs. A.C.M. van Heuven van Kats en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2025.