ECLI:NL:TDIVTC:2025:45 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/102
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:45 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2025 |
| Datum publicatie: | 04-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/102 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Niet ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten twee gezonde honden te hebben geëuthanaseerd zonder voorafgaand overleg of contact met klager. [Klacht niet ontvankelijk]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
dhr. [naam] klager, klager,
tegen
dierenarts [naam] beklaagde, beklaagde.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, een aanvulling/verduidelijking van de klacht tot het indienen waarvan klager door het college in de gelegenheid was gesteld, het verweer van beklaagde, de repliek en een aanvulling daarop van klager, alsook nadere informatie tot het indienen waarvan klager door het college in de gelegenheid was gesteld. Het college heeft partijen kenbaar gemaakt zich te beraden over de ontvankelijkheid van klager in zijn klacht tegen beklaagde. Het college heeft besloten de zaak zonder zitting af te doen.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat hij eind 2022 twee gezonde honden heeft geëuthanaseerd zonder voorafgaand overleg of contact met klager en dat hij daarmee in strijd heeft gehandeld met een afspraak tussen klager, een gerechtsdeurwaarder en degene die de toenmalige woning van klager had gekocht.
3. DE ONTVANKELIJKHEID
3.1. Het college is van oordeel dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht en licht dit hieronder toe.
3.2. Ingevolge de Wet dieren kan, voor zover hier van belang, op grond van het bepaalde in artikel 8.15, lid 2, onder a bij het college een klacht worden ingediend tegen een dierenarts wegens handelen in strijd met de in artikel 4.2 van die wet geregelde zorgplicht, door degene die als gevolg van dat handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen. De eigenaar en de houder van een dier zijn gerechtigd om een klacht in te dienen, maar volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 30 november 2020 van het Veterinair Beroepscollege (ECLI:NL:TDIVBC:2020:9) kunnen ook andere rechtstreeks in hun belang getroffen (rechts)personen klachtgerechtigd zijn.
3.3. Uit de stukken van het dossier is het volgende naar voren gekomen over de betrokkenheid van klager bij de honden waarop zijn klacht ziet. Klager heeft het in het kader van de (aanvullende) toelichting op zijn klacht en zijn repliek diverse malen over “mijn” honden. Volgens hem was beklaagde geruime tijd zijn vaste dierenarts en heeft beklaagde de twee honden vaak onderzocht en behandeld. Klager heeft er bij het college over geklaagd dat beklaagde alvorens over te gaan tot euthanasie van de honden, met hem in overleg had moeten treden of contact had moeten opnemen. Ook stelt klager dat hij de aan de klacht ten grondslag gelegde afspraak met een gerechtsdeurwaarder en degene die de toenmalige woning van klager had gekocht (hierna: de derde-koper) over de honden heeft gemaakt. Het college maakt uit de stukken op dat deze afspraak is gemaakt in verband met de ontruiming in augustus 2021 van de toenmalige woning van klager, waarbij de honden zijn achtergebleven. Volgens een brief van de gerechtsdeurwaarder aan klager van 26 augustus 2021, die door beklaagde in het geding is gebracht, is van de ontruiming proces-verbaal opgemaakt en heeft klager een afstandsverklaring ondertekend, waarmee hij afstand heeft gedaan van alle goederen, waaronder een tweetal honden en zou de derde-koper tijdelijk zorgen voor de honden. Verder staat in de brief dat klager daags na de ontruiming aan de gerechtsdeurwaarder kenbaar heeft gemaakt dat hij toch geen afstand wenste te doen van de honden. De gerechtsdeurwaarder heeft daarop gemeld dat hij daarin niet kan meegaan, nu de ontruiming feitelijk was voltooid en klager de honden had achtergelaten. Wel heeft de gerechtsdeurwaarder volgens de brief een passende oplossing willen bieden door met de derde-koper af te spreken dat laatstgenoemde klager een week de mogelijkheid biedt om de honden zelf op te halen of zelf te zorgen voor een opvangadres van de honden. Daarna zou de derde-koper de honden naar een pension of asiel overbrengen en klager melden waar de honden zich dan bevinden, zodat hij met het pension/asiel afspraken zal kunnen maken over het toe-eigenen/kopen van de dieren. De gerechtsdeurwaarder heeft volgens zijn brief – waarvan hij ook een kopie aan de derde-koper heeft doen toekomen – het proces-verbaal van ontruiming met de getekende afstandsverklaring daarbij gevoegd. Klager heeft gesteld dat hij van de derde-koper niet bij hem langs mocht komen, maar wel zijn zoon, die voor de honden is gaan zorgen. Toen klager begin 2023 de derde-koper sprak en vroeg waar de honden verbleven, heeft de derde-koper gezegd dat de honden eind 2022 zouden zijn geëuthanaseerd, zo stelt klager.
3.4. De griffie van het college heeft klager onder meer verzocht het proces-verbaal van ontruiming en de getekende afstandsverklaring toe te zenden. Klager heeft daaraan niet voldaan, maar heeft het gelaten bij de mededeling dat hij een niet-ondertekende afstandsverklaring op zijn mobiele telefoon heeft.
3.5. Op basis van de stukken van het dossier, houdt het college het ervoor dat de twee honden toebehoorden aan klager en dat hij in augustus 2021 afstand van de honden heeft gedaan. Klager heeft zich er bij het college op beroepen dat de afstandsverklaring vals en ongeldig is, omdat deze niet mede is ondertekend door zijn zoon [naam] (hierna zoon klager) – die toen onder bewind stond –, terwijl dit wel had gemoeten, nu zoon klager één van de wettelijke erfgenamen was. Daarbij heeft klager een notariële verklaring van erfrecht van november 2022 die betrekking heeft op zijn in april 2019 overleden vader in het geding gebracht. Het college stelt voorop dat gesteld noch gebleken is dat klager vanaf augustus 2021 op enigerlei wijze actie heeft ondernomen om de geldigheid van de afstandsverklaring (in rechte) aan te tasten. Verder is voor het college onduidelijk gebleven waarom zoon klager in zijn hoedanigheid van erfgenaam in verband met het overlijden van de vader van klager, de verklaring van afstand van de honden mede had moeten tekenen om deze rechtsgeldig te doen zijn. Op een vraag van de griffie van het college aan klager of de honden wellicht van wijlen zijn vader waren, heeft klager geen (duidelijk) antwoord gegeven. In de nadere informatie die het college als laatste van klager heeft ontvangen, stelt hij dat één van de honden, een Rottweiler, van zijn zoon was en heeft hij zich in deze procedure als gemachtigde van zoon klager gepresenteerd. Het college acht dit ongeloofwaardig, gelet op wat klager eerder in de procedure over ‘zijn’ honden heeft gesteld. Klager heeft ook geen enkel bewijs hiervan overgelegd; volgens hem beschikt hij over communicatie tussen zoon klager en de derde-koper waarin zoon klager destijds zou hebben verklaard dat de Rottweiler van hem was, maar daarmee is dit nog niet aannemelijk gemaakt.
3.6. Dit alles leidt het college ertoe te concluderen dat klager onvoldoende heeft aangetoond en voor het college daarmee niet te beoordelen valt dat hij klachtgerechtigd was in de zin van artikel 8.15, lid 2, onder a van de Wet dieren ten tijde van het vermeende klachtwaardig handelen door beklaagde. Overigens ziet het college gelet op het voorgaande onvoldoende grond om de klachtprocedure wat betreft de Rottweiler te kunnen voortzetten in naam van zoon klager als klagende partij en met klager als diens gemachtigde.
3.7. Op voorgaande gronden zal klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klacht. Hierdoor kan aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht niet worden toegekomen.
4. DE BESLISSING
Het college:
verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de
leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats
en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.