ECLI:NL:TDIVTC:2025:41 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/76
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:41 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-11-2025 |
| Datum publicatie: | 04-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/76 |
| Onderwerp: | Paarden |
| Beslissingen: | Gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Paard. Dierenarts treft het verwijt te zijn tekortgeschoten bij de keuring van een paard en de invulling van het keuringsrapport. [Klacht gegrond met waarschuwing]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
mw. [naam klaagster], klaagster,
tegen
dierenarts dhr. drs. [naam beklaagde], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 juli 2025. Zowel klaagster als beklaagde waren aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, samengevat, dat hij is tekortgeschoten bij de keuring van een paard en de invulling van het keuringsrapport.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om een paard (ruin), dat ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedure hebben geleid 8 jaar oud was.
3.2. In mei 2024 had klaagster het voornemen om het paard te kopen en heeft zij besloten om eerst een aankoopkeuring te laten verrichten. In dat kader heeft klaagster de tussenpersoon van de verkoopster op 31 mei 2024 de opdracht gegeven om voor een klinische keuring te zorgen, waarbij vooral aandacht werd gevraagd voor een opvallende bult op de hals. Klaagster gaf bij de tussenpersoon aan graag bij de keuring aanwezig te willen zijn.
3.3. Op maandag 3 juni 2024 heeft klaagster de betreffende tussenpersoon gevraagd te regelen dat er ook een röntgenologische keuring zou worden gedaan. De tussenpersoon heeft aangegeven dat hij dat ging proberen met de melding dat het paard die dag nog gekeurd zou worden. Klaagster heeft daarop via whatsapp gereageerd met “Ah, ok, dat is snel.” Vervolgens heeft zij desgevraagd aangegeven welk soort röntgenfoto zij gemaakt wilde hebben.
3.4. Op 4 juni 2024 heeft beklaagde een klinische en röntgenologische keuring van het paard uitgevoerd. Beklaagde heeft zijn bevindingen genoteerd in een keuringsrapport, zijnde het gebruikelijke onderzoeksrapport naar ontwerp van de Groep Geneeskunde van het Paard van de KNMvD. In dat rapport is als gebruiksdoel van het paard aangegeven: ‘sport’. Bij het onderdeel ‘Hoeven’ is bij ‘hoefkwaliteit’ het vakje ‘niet afwijkend’ aangevinkt. Als conclusie is door beklaagde in het rapport vermeld dat bij de klinische en röntgenologisch keuring geen afwijkingen zijn geconstateerd die het gebruik als sportpaard kunnen belemmeren. Klaagster was niet bij de keuring aanwezig.
3.5. Klaagster heeft het paard vervolgens op 7 juni 2024 betaald en op 8 juni opgehaald. Op maandag 10 juni 2024 heeft klaagster het paard in de paddock naast de wei geplaatst en het paard heeft daar ‘gek’ gedaan. Na een paar minuten heeft ze hem binnen gezet, omdat hij onrustig bleef en ook beide voorijzers kwijt was. Later die dag zag ze dat het paard kreupel liep linksachter. Op woensdag 12 juni 2024 heeft klaagster het paard laten onderzoeken door een andere dierenarts. De kreupelheid was op dat moment weg, maar er werd door deze dierenarts wel gewezen op een kwartierscheur in de hoef linksachter, die mogelijk verder open is gegaan na het rennen in de paddock en al (deels) aanwezig moet zijn geweest tijdens de keuring door beklaagde en vermeld had moeten worden in het keuringsrapport. Klaagster heeft het paard laten revalideren volgens het schema van deze dierenarts.
3.6. Klaagster heeft de tussenpersoon van de verkoopster op 12 juni 2024 laten weten dat er een scheur in de hoef van het paard zat en dat zij de koop wilde ontbinden. Namens de verkoopster is voorgesteld een garantiedocument voor zes maanden met betrekking tot eventuele kreupelheid af te geven, maar dit is door klaagster afgewezen.
3.7. Op 17 juni 2024 kwam het paard volgens klaagster stokkreupel uit zijn stal. Op 19 juni 2024 hebben klaagster en beklaagde elkaar telefonisch gesproken. Beklaagde heeft daarbij aangegeven dat hij de verticale scheur wel gezien had, maar dat hij dit niet heeft vermeld, omdat de scheur niet doorliep tot de kroonrand en daarmee volgens hem klinisch irrelevant was. Klaagster vond het daarentegen wél relevant, omdat het paard inmiddels kreupel liep. Diezelfde dag heeft de gemachtigde van klaagster beklaagde schriftelijk verzocht het keuringsrapport in te trekken. In reactie hierop heeft beklaagde op 27 juni 2024 schriftelijk bericht dat de kwartierscheur in de buitenwand van de hoef linksachter inderdaad deels al aanwezig was tijdens de keuring op 4 juni 2024. Het betrof, volgens beklaagde, slechts een draagrandscheur, die niet perforerend was en leek uit te groeien, wat werd ondersteund door het feit dat de hoefsmid alleen maar gevijld had aan die scheur. Dit soort oppervlakkige draagrandscheuren worden volgens beklaagde vaker gezien bij verder gezonde paarden en genezen doorgaans probleemloos. Beklaagde heeft aangeboden om kosteloos het paard te onderzoeken en naar de hoef te kijken voor een oplossing.
3.8. Op 20 juni 2024 heeft klaagster een lokale dierenarts geconsulteerd. Deze heeft na onderzoek bevestigd dat er sprake is van een laterale hoefscheur in het vierde kwadrant. Tevens is geconstateerd dat er een oud en volledig genezen litteken ter hoogte van de laterale kroonrand linksachter aanwezig is; vanuit het kroonranddefect liep de scheur over de volledige lengte en dikte van de wandhoorn tot in de draagrand. De dierenarts heeft een behandeling voorgesteld. Op 4 juli 2024 en op 25 juli 2024 heeft klaagster opnieuw de lokale dierenarts geconsulteerd. Er is een verwijzingsbrief gemaakt voor een gespecialiseerde hoefsmid om het risico op recidive van de kreupelheid te beperken.
3.9. Gebleken is dat de koop uiteindelijk is ontbonden en dat het paard terug is gegaan naar de verkoopster. In augustus 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde bij de keuring van het paard veterinair onjuist en tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Het college stelt voorop dat bij een keuring van een paard, de eigenaar of degene aan wie het dier in de nabije toekomst mogelijk als eigenaar wordt toevertrouwd, zoals klaagster als aspirant koper, op juiste en volledige wijze dient te worden geïnformeerd over de klinische en/of röntgenologische conditie van het paard en over de vraag of er gezondheidsrisico’s zijn en het paard geschikt is voor het beoogde gebruiksdoel. Meer algemeen geldt dat moet kunnen worden vertrouwd op de juistheid en volledigheid van een door een dierenarts opgestelde diergeneeskundige verklaring, zoals het hier in het geding zijnde keuringsrapport.
Inhoudelijk
5.3. Klaagster verwijt beklaagde ten eerste dat hij het keuringsrapport door iemand anders dan door klaagster zelf heeft laten ondertekenen, aangezien klaagster niet bij de keuring aanwezig was. Beklaagde heeft daarover opgemerkt dat klaagster als opdrachtgever staat vermeld bovenaan het keuringsformulier. Dat iemand anders het te keuren dier aanlevert, komt vaker voor. Diegene tekent dan ter bevestiging dat de keuring inderdaad op die dag heeft plaatsgevonden. Normaal tekent diegene dat i.o. (in opdracht), zo heeft beklaagde uitgelegd, maar dat is hier niet gedaan. Het college komt tot het oordeel dat – wat er ook zij van het niet vermelden van i.o. bij de handtekening - uit de door klaagster overgelegde whatsappcommunicatie blijkt dat zij voorafgaande aan de keuring ervan op de hoogte was dat het paard gekeurd zou worden en er impliciet mee heeft ingestemd dat iemand anders in haar plaats aanwezig zou zijn, die het formulier heeft getekend. Zij was opdrachtgever voor de keuring en staat ook als zodanig vermeld op het formulier. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.
5.4. Klaagster verwijt beklaagde dat hij de laterale hoefscheur linksachter bij de keuring heeft opgemerkt, maar daarvan geen melding heeft gemaakt in het keuringsrapport. Klaagster stelt dat als zij wel van de hoefscheur op de hoogte was geweest, zij niet tot de aankoop was overgegaan dan wel dat zij eerst haar eigen dierenarts en hoefsmid hierover had benaderd.
5.5. Dat er sprake was van een hoefscheur ten tijde van de keuring wordt door beklaagde niet betwist. Hij was van mening dat het een veelvoorkomende oppervlakkige draagrandscheur bij de hoefrand betrof die ook bij gezonde paarden voorkomt en niet tot problemen hoeft te leiden. Hij verwijst daarbij naar de leidraad c.q. het handboek ‘De veterinaire keuring van het paard’ (uitgave Libre BV Leeuwarden), waarin staat vermeld dat oppervlakkige hoornscheuren meestal weinig klinische betekenis hebben. Beklaagde stelt dat hij de scheur om die reden niet heeft vermeld in het rapport en in zijn jarenlange ervaring ook niet heeft gezien dat dit soort hoefscheuren vermeld worden. Beklaagde stelt dat hij er nog wel een persoonlijke aantekening van heeft gemaakt op de achterzijde van het keuringsrapport met de intentie dit mondeling aan klaagster door te geven. Dit is echter niet gebeurd.
5.6. Klaagster heeft het paard op 12 en 20 juni 2024 door andere dierenartsen laten onderzoeken in verband met de kreupelheid van het linker achterbeen. Daaruit bleek dat, anders dan beklaagde stelt, de scheur niet alleen doorlopend is tot de kroonrand, maar ook dat deze al langere tijd niet leek te genezen. De behandelend hoefsmid heeft ook aangegeven dat de scheur al 10 maanden bij hem bekend was. Beklaagde heeft in verweer toegelicht dat, als dit laatste hem bekend zou zijn geweest ten tijde van de keuring, hij zeker nader onderzoek had gedaan naar de reden waarom deze nog niet was uitgegroeid. Beklaagde stelt dat hij achteraf bezien graag in het rapport had aangeven dat er een niet perforerende draagrand scheur aanwezig was en dat dit normaliter geen verhoogd risico vormt voor het gebruik als sportpaard.
5.7. Het college is van oordeel dat de door beklaagde tijdens de keuring vastgestelde hoefscheur linksachter een afwijking betreft waarvan melding had moeten worden gemaakt in het keuringsrapport, vooral vanwege de locatie van de scheur (kwartierscheur). Een dergelijke scheur kan groter worden en een gezondheidsrisico vormen voor het paard. Dit wil niet zeggen dat klaagster het paard niet had kunnen kopen, maar zij had hiervan op de hoogte moeten worden gebracht, zodat zij hierin zelf een afweging had kunnen maken. Dat het paard tijdens de keuring niet kreupel liep en beklaagde in die hoefscheur geen belemmering zag voor het gebruik in de sport doet hier niet aan af. Vanwege de locatie had deze scheur vermeld moeten worden op het keuringsrapport. Hiernaast is het college van oordeel dat, gelet op het feit dat de hoef van het linker achterbeen ten tijde van de keuring duidelijk behandeld was door de hoefsmid, nader klinisch of beeldvormend onderzoek in de rede had gelegen. Beklaagde heeft verder onderzoek en/of navraag bij de hoefsmid echter nagelaten, en nagelaten de kwartierscheur op het keuringformulier te vermelden. In zoverre is de keuring niet conform de zorgvuldige beroepsuitoefening uitgevoerd.
5.8. Op grond van het voorgaande wordt de klacht gegrond verklaard. Een waarschuwing als maatregel acht het college passend.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond;
geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.