ECLI:NL:TDIVTC:2025:39 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/69
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:39 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-09-2025 |
| Datum publicatie: | 18-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/69 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten te veel medicatie te hebben voorgeschreven voor een hond, waardoor de gezondheidstoestand van de hond ernstig is verslechterd. [Klacht ongegrond] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klaagster], klaagster,
tegen
dierenarts [naam beklaagde], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 1 mei 2025. Klaagster is verschenen, tezamen met de heer [naam bezoeker]. Beklaagde heeft zich voor de zitting afgemeld. Het college heeft over de zaak beraadslaagd en uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat de hond van klaagster in het kader van een wondspoeling met te veel druk op de achterpoten is gefixeerd, waardoor de hond pijn en schade aan de knieën heeft opgelopen, resulterend in kreupelheid ten gevolge van patella luxatie aan beide achterpoten.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster met de naam [naam hond] (hierna de hond), een Bichon Frisé (teef), geboren op 20 april 2011 en ruim 12 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid.
3.2. Op 23 november 2023 is bij de hond door de zoon van beklaagde, tevens dierenarts en werkzaam bij de praktijk van beklaagde, een borstontsteking (mastitis) vastgesteld, en vervolgens is aan de hond een antibioticuminjectie toegediend. Ergens in de daarop volgende dagen ging de wond open en kwam er bloed en pus uit. Op 27 november 2023 heeft de zoon van beklaagde de wond bij de staande hond gespoeld en schoongemaakt. Er is antibiotica voorgeschreven en er werd met klaagster afgesproken om de volgende dag met de hond terug naar de praktijk te komen om de wond nogmaals te spoelen.
3.3. Die volgende dag, op 28 november 2023, heeft beklaagde de wond van de hond gespoeld. De hond is daartoe in zijligging op de behandeltafel gelegd en een assistente heeft de achterpoten gefixeerd c.q. vastgehouden. Dit is volgens klaagster met aanzienlijke druk en kracht op de achterpoten gebeurd, waarbij de hond enorm tegenstribbelde en moest worden tegengehouden.
3.4. Klaagster heeft twee dagen nadien, op 30 november 2023, telefonisch contact opgenomen met de praktijk. Zij stelt met beklaagde te hebben gesproken en dat zij hem heeft gemeld dat de hond moeizaam liep en veel pijn had. Klaagster stelt dat zij daarbij desgevraagd aan beklaagde heeft verteld dat de hond kreupel liep en dat beklaagde adviseerde de situatie nog even aan te zien. Beklaagde betwist op die dag telefonisch met klaagster te hebben gesproken.
3.5. Op 9 februari 2024 heeft klaagster met de hond de zoon van beklaagde geconsulteerd. Deze zou volgens haar hebben geconstateerd dat de hond zowel links als rechts patella luxatie had. Dit zou enkele dagen eerder, op 5 februari 2024, door een door klaagster geraadpleegde orthopeed ook zijn vastgesteld, die zou hebben aangegeven dat opereren aan de knieën geen optie betrof in verband met de leeftijd van de hond. In het patiëntverslag met betrekking tot dit consult bij de zoon van beklaagde wordt overigens geen melding gemaakt van patella luxatie, maar van artrose en rugpijn en dat nadere diagnostiek is besproken in de vorm van echografie, röntgenologie of bloedonderzoek. Daarvan is afgezien.
3.6. Klaagster heeft in repliek beschreven dat de hond in verband met de mobiliteitsklachten nog lange tijd met meerdere soorten pijnmedicatie in combinatie met maagbeschermers is behandeld, wat uiteindelijk tot maag- darmbloedingen en het overlijden van de hond op 19 september 2024 heeft geleid.
3.7. Voordat de hond op 28 november 2023 door beklaagde werd behandeld was ze volgens klaagster speels en had ze geen enkel probleem met de achterpoten tijdens wandelen en rennen. Vanaf de dag van de behandeling is dit volgens klaagster niet meer het geval geweest en is de hond alleen maar slechter, moeizamer en met meer pijn gaan lopen. Klaagster wijt dit aan de wijze waarop de hond tijdens het consult op 28 november 2023 is gefixeerd voor het spoelen van de wond. Zij heeft getracht om hierover met behulp van haar rechtsbijstandsverzekeraar contact met beklaagde te krijgen, echter heeft deze niet op de van haar zijde verstuurde correspondentie gereageerd. Hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
Inhoudelijk
5.4. Het college stelt voorop dat het tot de beleidsvrijheid van een dierenarts behoort om te kiezen voor een behandelwijze waarmee hij of zij de beste ervaringen heeft, in dit geval met betrekking tot het spoelen van de borstwond bij de hond van klaagster. Dat beklaagde ervoor heeft gekozen om de wond te spoelen bij een liggende hond in plaats van bij een staande hond, zoals zijn zoon een dag eerder had gedaan, acht het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, noch dat daarbij de achterpoten van de hond zijn gefixeerd. Dat dit met enig ongemak gepaard kan gaan is voorstelbaar, maar het college kan op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet beoordelen of het fixeren is verlopen op de wijze zoals klaagster heeft gesteld, met te forse kracht, tegenstribbelen en pijn voor de hond. Dit staat voor het college onvoldoende vast, temeer nu beklaagde in zijn dupliek heeft beschreven dat de hond vanwege de mastitis erg ziek en rustig was en de behandeling rustig is verlopen.
5.5. Beklaagde betwist verder dat hij op 30 november 2023, twee dagen na de behandeling, met klaagster heeft gesproken, waarbij er door haar zou zijn gemeld dat de hond moeizaam liep en pijn had. Uit een door klaagster in het geding gebrachte lijst van haar uitgaande telefonische oproepen blijkt weliswaar dat zij op die dag twee keer met de praktijk heeft gebeld, maar niet dat zij toen ook met beklaagde zelf heeft gesproken en dus ook niet of er toen door haar aan de orde is gesteld dat de hond sinds de behandeling kreupel liep. Dit brengt tevens mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde met betrekking tot de verleende nazorg een verwijt treft.
5.6. Evident is dat de hond kreupel is gaan lopen en last heeft gekregen van haar achterpoten, maar niet wanneer en waardoor dit is ontstaan. Klaagster heeft twee videopnames in het geding gebracht om te laten zien dat de hond voor de behandeling nog goed liep en daarna niet meer. Echter is de eerste videopname van 1 oktober 2023, dus nagenoeg twee maanden voor de behandeling, terwijl de tweede video-opname dateert van begin augustus 2024, meer dan acht maanden na de behandeling. Gelet op het verstreken tijdsverloop na de behandeling door beklaagde kan deze laatste video-opname daarmee niet dienen als bewijs voor de stelling dat de hond al direct na die behandeling en als een complicatie daarvan kreupelheidsklachten heeft gekregen.
5.7. Als de in het geding gebrachte stukken worden gevolgd, dan is klaagster weer op 12 december 2023 met de hond bij de praktijk op consult geweest, omdat de hond een plekje c.q. bultje op haar kin had. Volgens beklaagde is er door klaagster ook toen niet over kreupelheid gesproken. Gebleken is dat klaagster bij dit consult, naast de hond, ook een andere hond bij zich had die op dat moment met patella luxatie kampte en zij heeft ter zitting desgevraagd bevestigd zich niet te kunnen herinneren dat er toen over kreupelheid van de hond is gesproken. Het college kan op basis van de stukken feitelijk slechts vaststellen dat het eerste daarop volgende consult op de praktijk van beklaagde op 9 februari 2024 duidelijk wél verband hield met de kreupelheid van de hond en dat is dus ongeveer 2,5 maand na de wondspoeling door beklaagde geweest. Wanneer die kreupelheid is ontstaan en hoe ernstig deze in de tussenliggende periode is geweest kan door het college niet worden beoordeeld. De in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van getuigen acht het college niet toereikend om aan te nemen dat de hond direct na de behandeling door beklaagde problemen aan de achterpoten heeft gekregen als gevolg van daarop te zware uitgeoefende druk bij het fixeren van de hond.
5.8. Uit de stukken leidt het college af dat klaagster vanaf 5 februari 2024 andere dierenartsen heeft geraadpleegd, dus eveneens geruime tijd ná de door beklaagde uitgevoerde behandeling. De benaderde andere dierenartsen die de hond hebben gezien hebben verder weliswaar kreupelheid vastgesteld, maar zijn in hun verklaringen niet eenduidig over of er sprake was van patella luxatie dan wel van artrose of een andere aandoening. Ook de zoon van beklaagde heeft patella luxatie niet beschreven in zijn verslag van het consult dat op 9 februari 2024 plaatsvond. Echter, ook als wordt uitgegaan van patella luxatie, dan kan in de in het geding gebrachte verklaringen en overig beschikbaar feitenmateriaal onvoldoende steun worden gevonden voor het door klaagster beweerdelijke oorzakelijk verband tussen de wijze waarop de hond tijdens de behandeling op 28 november 2023 is gefixeerd en de ontstane kreupelheid c.q. patella luxatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen het verstreken tijdsverloop sinds de behandeling, de onduidelijkheid over wanneer de kreupelheid c.q. patella luxatie zich heeft geopenbaard en dat niet is gebleken dat klaagster de kreupelheidsklachten als gevolg van de fixatie eerder dan op 9 februari 2024 bij de praktijk van beklaagde heeft benoemd.
5.9. Op grond van het voorgaande stuit de klacht af op een gebrek aan toereikend bewijs en wordt deze ongegrond verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en drs. M.J. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2025.