ECLI:NL:TDIVTC:2025:38 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/82 2024/27

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:38
Datum uitspraak: 25-09-2025
Datum publicatie: 05-03-2026
Zaaknummer(s):
  • 2023/82
  • 2024/27
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Hond. Twee dierenartsen wordt verweten te zijn tekortgeschoten in de aan een hond verleende zorg tijdens een weekendopname. [Klachten niet ontvankelijk c.q. ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van

[naam klaagster],                                                     klaagster,

tegen

de dierenarts [naam beklaagde] sub 1,                beklaagde sub 1 (zaaknummer 2023/82) en

de dierenarts [naam beklaagde] sub 2,                 beklaagde sub 2 (zaaknummer 2024/27).

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek, alle in beide zaken gezamenlijk. De mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Daarbij waren klaagster, vergezeld van haar echtgenoot dhr. [naam echtgenoot], en beide beklaagden, bijgestaan door hun gemachtigde mr. S. Slabbers, aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagden wordt verweten dat zij zijn tekortgeschoten in de aan de hond van klaagster verleende zorg tijdens een weekendopname van de hond in de kliniek waar zij werkzaam zijn. Op de meer specifieke verwijten die klaagster heeft geformuleerd, zal hierna worden ingegaan.

DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Australian Cattle Dog (reu) met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid circa zes en een half jaar oud was.

3.2. Op 19 oktober 2023 is klaagster met de hond op consult geweest bij haar eigen dierenarts, omdat de hond zijn eetlust had verloren, braakte, veel dronk en was afgevallen. Aangezien symptomatische behandeling onvoldoende verbetering opleverde, heeft deze dierenarts op 20 oktober 2023 de hond (nogmaals) klinisch onderzocht en een bloedonderzoek uitgevoerd. Vanwege de sterk verhoogde leverwaarden die daaruit naar voren zijn gekomen, is de hond voor verder onderzoek doorverwezen naar de kliniek waar (onder anderen) beklaagden werkzaam zijn (hierna: de kliniek).

3.3. Op 20 oktober 2023 is in de kliniek een echografie van de honds abdomen uitgevoerd. Deze leverde geen specifieke verklaring voor de klachten van de hond op, maar liet wel afwijkingen aan de lever zien die zouden kunnen passen bij hepatitis, terwijl leptospirose niet kon worden uitgesloten. Verder onderzoek werd nodig geacht, waaronder het bepalen van de stollingstijden, met de bedoeling om direct een biopsie van de lever uit te voeren. Nadat de stollingstijden waren bepaald, bleken deze zodanig sterk verlengd te zijn dat het nemen van een biopt niet verantwoord werd geacht vanwege het risico op het ontstaan van hevige bloedingen. Naar aanleiding van intern collegiaal overleg tussen de dienstdoende spoedarts, opnamearts en internist werden een plasmatransfusie en ondersteunende medicamenteuze behandeling van de hond geïndiceerd geacht, met als doel de stollingstijden te verbeteren, zodat een leverbiopsie op een later moment mogelijk zou zijn. Ook werd testen op en alvast behandelen tegen leptospirose aangewezen geacht.

3.4. Tijdens een telefoongesprek met klaagster zijn de onderzoeksbevindingen en het behandeladvies met haar besproken. Er is toen besproken dat de hond een ernstig leverprobleem had en dat daarbij een gereserveerde prognose hoorde. Voor het uitvoeren van de plasmatransfusie en de nodige behandeling en onderzoeken gedurende het weekend werd opname van de hond noodzakelijk geacht. Hoewel klaagster eigenlijk niet voelde voor opname van de hond in de kliniek, heeft zij er toch mee ingestemd. Vervolgens zijn er voorbereidingen getroffen voor de plasmatransfusie met ondersteunende medicatie. Er zijn bloed en urine afgenomen om te testen op leptospirose. In afwachting van de testuitslag is met het oog op de verdenking van leptospirose behandeling met medicatie opgestart.

3.5. Beklaagde sub 2 had dienst vanaf vrijdag 20 oktober 2023 om 22.00 uur tot zaterdag 21 oktober 2023 om 6.30 uur; aan het begin van die dienst heeft ze de hond voor het eerst gezien. In die nacht heeft de plasmatransfusie plaatsgevonden. Ter zitting heeft beklaagde sub 2 verklaard dat er geen sprake van was dat de hond toen gestrest was; de hond gedroeg zich niet agressief en was niet aan het hijgen.

3.6. Beklaagde sub 1 had dienst op zaterdag 21 oktober 2023 vanaf 6.00 uur tot 14.30 uur. Aan het begin van haar dienst, toen ze de hond voor het eerst zag, heeft ze de hond klinisch onderzocht. Ter zitting heeft beklaagde sub 1 verklaard dat de hond gespannen was in een mate die gebruikelijk was voor een opgenomen dier en dat de hond timide was, rustig in zijn opnamehok lag en alles toeliet. Tijdens haar onderzoek heeft zij, met uitzondering van icterische slijmliezen, geen afwijkingen waargenomen. De hond wilde nog steeds niet eten. Beklaagde sub 1 heeft haar bevindingen telefonisch gedeeld met klaagster en gemeld dat de hond klinisch verbetering liet zien. Daaraan heeft beklaagde sub 1 toegevoegd dat als het de volgende dag nog steeds goed zou gaan, de hond waarschijnlijk weer naar huis zou kunnen, mits de uitslag van het bloedonderzoek goed zou zijn. Klaagster heeft ingestemd met het uitvoeren van bloedonderzoek om de stollingstijden te controleren.

3.7. In de avond, na afloop van de dienst van beklaagde sub 1, is gebleken dat de stollingstijden niet verbeterd waren ten opzichte van de vorige dag. De dierenarts die toen dienst had, heeft hierover telefonisch gesproken met klaagster, wat ertoe heeft geleid dat de hond nog een nacht in opname zou moeten blijven.

3.8. Beklaagde sub 2 had dienst vanaf zaterdag 21 oktober 2023 om 22.00 uur tot zondag 22 oktober 2023 om 6.30 uur. De hond maakte toen een gespannen indruk en heeft voor het eerst tijdens de opname een beetje voer gegeten. Ter zitting heeft beklaagde sub 2 verklaard dat de hond aan het einde van de nacht onrustig was en spullen in zijn opnamehok kapot ging maken.

3.9. Beklaagde sub 1 had dienst op zondag 22 oktober 2023 vanaf 6.00 uur tot 14.30 uur. Aan het begin van haar dienst heeft ze de hond klinisch onderzocht. De hond kwam levendig en vrolijk op haar over, maar was duidelijk oncomfortabel in zijn opnamehok en had de inhoud van het hok kapot gemaakt. Weliswaar liet de hond klinisch goede verbetering zien, maar op basis van uitgevoerd bloedonderzoek was van verbetering geen sprake. Op verzoek van beklaagde sub 1 heeft een veterinair ondersteuner van de kliniek in de ochtend telefonisch contact opgenomen met klaagster en haar bevindingen aan klaagster overgebracht. Aan klaagster is gemeld – zo blijkt uit het patiëntendossier – dat de hond wat heeft gegeten en gedronken en iets levendiger was. Klaagster heeft daarop kenbaar gemaakt verbaasd te zijn om te horen dat de hond had gegeten en heeft de veterinair ondersteuner verzocht de verstrekte informatie te verifiëren bij beklaagde sub 1 en te vragen of de hond weer naar huis zou kunnen gaan. De veterinair ondersteuner heeft gezegd dat beklaagde sub 1 later op de ochtend telefonisch contact met klaagster zou opnemen voor een medische update. Er is een foto van de hond aan klaagster gezonden. Klaagster is vervolgens eigener beweging naar de kliniek gegaan om de hond op te halen. Een paraveterinair van de kliniek heeft toen met klaagster besproken dat de oorzaken van de honds klachten nog onbekend waren, dat bij de klachten een erg gereserveerde prognose hoort en dat de uitslag van de test op leptospirose nog niet bekend was. Verder zijn instructies gegeven over de toe te dienen medicatie, over hoe om te gaan met de hond en over nader uit te voeren controles. Bovendien is aan klaagster kenbaar gemaakt dat er nog geen biopten van de lever zijn uitgevoerd.

3.10. Thuisgekomen viel het klaagster op dat de hond bijna niet kon lopen en zwabberend liep. De hond is later op de dag thuis overleden.

3.11. Nadat klaagster zich bij de kliniek had beklaagd over de wijze waarop de hond is behandeld, heeft op 26 oktober 2023 een gesprek hierover met in ieder geval een collega van beklaagden plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek en nadat zij de kwestie met het management van de kliniek heeft besproken, heeft deze collega op 27 oktober 2023 een e-mail aan klaagster gestuurd. Daarin staat dat de hond vanwege zijn ingewikkelde leverprobleem uitgebreide opwerking door een specialist interne geneeskunde nodig had, maar dat de kliniek deze niet kon bieden op vrijdagavond 20 oktober 2023 en in het daaropvolgende weekend, omdat toen geen internist aanwezig was. Volgens deze collega hadden op 20 oktober 2023 de volgende opties met klaagster moeten worden besproken: 1) de hond doorverwijzen naar een kliniek waar wel tijdens het weekend de nodige behandeling zou kunnen worden geboden en 2) de hond met ondersteunende medicatie naar huis laten gaan, onder het aanbieden van een spoedconsult bij de internist van de kliniek op maandag 23 oktober 2023. In plaats daarvan is er een soort van ‘pappen-en-nathoudenbeleid’ gevoerd om het weekend te overbruggen, wat niet had gemogen, zo staat in de e-mail van de collega van beklaagden. Op deze e-mail, die volgens klaagster ‘nogal dubbele gevoelens’ bij haar heeft opgeroepen, is verdere e-mailcorrespondentie tussen klaagster en die collega gevolgd.

3.12. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure tegen beklaagden gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins zijn tekortgeschoten in de uitoefening van hun beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagden beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zijn opgetreden.

5.2. Klaagster heeft ter toelichting op haar klacht het volgende naar voren gebracht. Toen zij op 20 oktober met de hond naar de kliniek ging, was hij een vrolijke en alerte hond. Klaagster heeft daar kenbaar gemaakt dat zij vanwege het eenkennige karakter dat het hondenras van de hond kenmerkt, slechts bereid was de hond achter te laten voor opname, indien de hond daadwerkelijk zou worden behandeld en de behandeling een meerwaarde zou hebben; het liefst had ze de hond thuis met ondersteunende medicatie. Ook heeft zij naar voren gebracht dat als de hond tijdens de opname teveel stress zou ervaren, dit aan haar zou moeten worden gemeld en ze de hond zou komen ophalen. Klaagster had te horen gekregen dat de hond ‘klinisch goed’ was, maar nadat ze de hond had opgehaald, bleek hij slechts zwabberend te kunnen lopen; kort daarop is de hond overleden. Klaagster stelt dat als op de kliniek niet de expertise aanwezig was om de hond effectief te kunnen behandelen, dit meteen kenbaar had moeten worden gemaakt en de hond had moeten worden doorverwezen naar een specialist. In plaats daarvan is de hond behandeld op een wijze die nota bene door de kliniek zelf is aangeduid als ‘pappen en nathouden’. Ook moet de hond gedurende de opname veel stress hebben ervaren, nu de hond alles in zijn hok had gesloopt, terwijl over de stress niets aan klaagster is gemeld. Verder zijn er ten onrechte biopsieën in rekening gebracht door de kliniek, aldus klaagster.

5.3. Het college overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat dierenartsen tuchtrechtelijk alleen voor hun eigen veterinair handelen verantwoordelijk zijn en niet voor het veterinair handelen van collega’s. Vaststaat dat beklaagden in de volgende tijdvakken betrokken zijn geweest bij de behandeling van de hond:

  • beklaagde sub 2 vanaf 20 oktober om 22.00 uur tot 21 oktober om 6.30 uur en vanaf 21 oktober om 22.00 uur tot 22 oktober om 6.30 uur; en
  • beklaagde sub 1 op 21 oktober vanaf 6.00 uur tot 14.30 uur en op 22 oktober vanaf 6.00 uur tot 14.30 uur.

Voor diergeneeskundig handelen door collega’s van beklaagden buiten deze tijdvakken, kunnen beklaagden dan ook niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden. Dit betekent dat het optreden van collega’s van beklaagden vanaf de aankomst van de hond in de kliniek tot aan het begin van de nachtdienst van beklaagde sub 2, in deze klachtprocedure buiten de beoordeling van het college valt. Dit gaat in het bijzonder op voor de klacht van klaagster dat toen is verzuimd om de eerste van de in 3.11 genoemde behandelopties met haar te bespreken en dat de tweede aldaar genoemde optie die klaagsters voorkeur had, toen van de hand is gewezen. Geen van beide beklaagden is op 20 oktober bij het opstellen van de geïndiceerde behandeling en bij het bespreken ervan met klaagster, wat tot de opname van de hond in de kliniek heeft geleid, betrokken geweest. Evenmin zijn zij betrokken geweest – en kunnen dus niet verantwoordelijk worden gehouden – voor de e-mail van hun collega van 27 oktober, in het bijzonder de opmerking daarin dat sprake zou zijn geweest van een ‘soort van pappen-en-nathoudenbeleid’, waarmee beklaagden het oneens zijn. In zoverre kan klaagster dus niet worden ontvangen in haar klachten tegen beklaagden.

5.4. Beklaagde sub 2 heeft tweemaal dienst gehad in de late avond en nacht gedurende de opname van de hond in de kliniek. Tijdens haar avond-en-nachtdiensten had beklaagde sub 2 als taak reguliere controles uit te voeren op de in de kliniek opgenomen dieren. Gedurende de eerste van haar twee avond-en-nachtdiensten heeft op basis van het eerder bepaalde plan om de hond te behandelen de plasmatransfusie plaatsgevonden, op de uitvoering waarvan beklaagde sub 2 heeft toegezien. Het college overweegt dat beklaagde sub 2 wat betreft het verlenen van zorg aan de hond heeft mogen volstaan met het houden van toezicht in het kader van het uitvoeren het behandelplan. Gesteld noch gebleken is dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden of dat zij overige diergeneeskundige handelingen bij de hond heeft verricht.

5.5. Klaagster verwijt beklaagde sub 2 – zo is ter zitting duidelijk geworden, nadat klaagster was verzocht haar klacht jegens haar te verduidelijken – dat zij in strijd met haar zorgplicht heeft verzuimd melding te maken van de stress waarin de hond heeft verkeerd. Zij had voorafgaand aan de opname immers de instructie gegeven dat als de hond tijdens de opname teveel stress zou ervaren, dit aan haar zou moeten worden gemeld en ze de hond zou komen ophalen, aldus klaagster.

5.6. Beklaagde sub 2 heeft naar voren gebracht dat zij niet van deze instructie op de hoogte is gesteld voorafgaand aan haar avond-en-nachtdiensten en er toen dus niet bekend mee was. Het college heeft in de stukken geen aanwijzing gevonden waaruit blijkt dat zij wel op de hoogte was van deze instructie althans daarvan op de hoogte had moeten zijn. Hierom is niet aannemelijk geworden dat beklaagde sub 2 haar zorgplicht heeft geschonden door een gegeven instructie te veronachtzamen. Beklaagden hebben zorg gedragen voor een overdracht bij het eindigen van de dienst van beklaagde sub 2 en het begin van de dienst van beklaagde sub 1, die de zorg voor de hond van haar overnam.

5.7. De klacht dat verzuimd is melding te maken aan klaagster van de stress die de hond tijdens de opname heeft ervaren, is ook gericht tegen beklaagde sub 1. Beklaagde sub 1 heeft betwist dat aan haar zijde sprake is geweest van een dergelijk verzuim. Zij heeft naar voren gebracht dat tijdens zowel haar telefoongesprek met klaagster op 21 oktober (zie 3.6) als het telefoongesprek dat de veterinair ondersteuner van de kliniek op 22 oktober op verzoek van beklaagde sub 1 met klaagster heeft gehad (zie 3.9) aan de orde is gesteld dat de hond gespannen overkwam. Ondanks de gemelde spanning heeft klaagster tijdens het gesprek op 21 oktober toegelaten dat de hond nog langer in opname zou blijven zolang de uitslagen van het bloedonderzoek op stollingstijden geen verbetering zouden laten zien en heeft klaagster toestemming voor het uitvoeren van dit onderzoek gegeven, aldus beklaagde sub 1. Het college overweegt dat klaagster tegenover deze omstandigheden haar klacht onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het haar daarin niet volgt.

5.8. Het college benadrukt dat het bij het beoordelen van de klacht over het nalaten melding te maken van stress bij de hond het volgende in aanmerking heeft genomen. Gebleken is dat partijen uiteenlopende standpunten hanteren over de mate van stress waarin de hond tijdens de opname heeft verkeerd. Volgens beklaagden is de hond weliswaar gespannen geweest, maar niet in zodanige mate dat sprake was van een onhoudbare situatie die maakte dat zij hadden moeten aansturen op het beëindigen van de opname. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat gedurende de volledige opname van de hond wel sprake is geweest van een zodanige mate van stress. Het college maakt uit de stukken op dat klaagster haar standpunt heeft gebaseerd op de telefonische mededeling aan haar in de ochtend van 22 oktober dat de hond alles wat hij in zijn hok kon vinden had gesloopt alsook op het beeld dat zij van de hond had gekregen op basis van de foto van de hond die toen aan haar was gezonden (zie 3.9). Deze omstandigheden acht het college niet toereikend om het ervoor te kunnen houden dat de hond gedurende de volledige opname in de kliniek zoveel stress heeft gehad als door klaagster is beweerd. De stukken bevatten verder geen aanwijzingen die steun zouden kunnen bieden aan het standpunt van klaagster. Hierom ziet het college onvoldoende grond om te kunnen concluderen dat beklaagden ten onrechte een te gematigd beeld hebben gehad van het stressniveau waarin de hond heeft verkeerd en dat zij hierdoor niet de juiste informatie hierover aan klaagster hebben verschaft. Deze klacht is dan ook ongegrond.

5.9. In de ochtend van 22 oktober zijn de bevindingen van beklaagde sub 1 op haar verzoek door een veterinair ondersteuner telefonisch overgebracht aan klaagster. Het college overweegt dat het, gelet op de ernstige toestand waarin de hond verkeerde en de gereserveerde prognose die daarbij hoorde, voor de hand had gelegen dat beklaagde sub 1 dit telefoongesprek zelf had gevoerd. Dat dit niet is gebeurd, kan gelet op wat zich vervolgens heeft voorgedaan beklaagde sub 1 tuchtrechtelijk niet worden aangerekend. Nadat klaagster tijdens het gesprek kenbaar had gemaakt bedenkingen te hebben bij hetgeen de veterinair ondersteuner had gemeld, heeft deze aan klaagster te kennen gegeven dat beklaagde sub 1 later op de ochtend telefonisch contact met haar zou opnemen voor een medische update. Klaagster heeft dit niet willen afwachten en heeft besloten om naar de kliniek te gaan om de hond op te halen. Een paraveterinair van de kliniek heeft het ontslaggesprek gevoerd met klaagster aan de hand van een ontslagbrief waaronder de naam van beklaagde sub 1 staat. Op het voorstel van de paraveterinair om te wachten tot beklaagde sub 1 – die toen bezig was met een spoedpatiënt die direct zorg nodig had – beschikbaar was voor overleg, heeft klaagster afwijzend gereageerd en ze heeft de hond meegenomen. Uit deze gang van zaken maakt het college op dat voldoende gelegenheid is geboden aan klaagster om met beklaagde sub 1 te spreken over de toestand en behandeling van de hond. Daaraan doet niet af dat – zo stelt klaagster – de paraveterinair tegen haar zou hebben gezegd dat beklaagde sub 1 niets anders zou vertellen dan zij aan klaagster had verteld, waardoor het niet veel zin zou hebben om op beklaagde sub 1 te wachten. Ook overweegt het college dat adequate maatregelen zijn getroffen om klaagster, mede gelet op haar wens om de hond weer bij haar thuis te hebben, van de nodige informatie te voorzien.  

5.10. Aan de constatering door klaagster dat de hond na thuiskomst op 22 oktober bijna niet kon lopen en zwabberend liep, terwijl tijdens de opname aan haar was gemeld dat de hond klinisch goed was, heeft klaagster de conclusie verbonden dat zij incorrect is geïnformeerd. Het college deelt deze door klaagster getrokken conclusie niet en licht dit als volgt toe. Beklaagde sub 1 heeft naar voren gebracht dat de hond tijdens het lichamelijk onderzoek dat korte tijd voorafgaand aan het ontslag uit de kliniek had plaatsgevonden, actief overkwam en niet de door klaagster genoemde afwijkingen vertoonde. Bij het ophalen van de hond is de paraveterinair die het ontslag van de hond heeft begeleid, niet gewezen op de aanwezigheid van dergelijke afwijkingen. Hierdoor is klaagster er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de aan haar gedane mededeling dat de hond klinisch goed was, in strijd met de waarheid was. Overigens is voor het college onduidelijk gebleven waarom klaagster nadat ze had geconstateerd dat de hond zwabberend op zijn poten stond, niet meteen contact heeft opgenomen met de kliniek; gesteld noch gebleken is dat zij wel met een andere dierenarts hierover in contact is getreden. Verder heeft het college in aanmerking genomen dat door beklaagde sub 1 weliswaar is overgebracht dat de hond klinisch verbetering liet zien, maar ook dat bij het leverprobleem van de hond een erg gereserveerde prognose hoort. Met klaagster is besproken dat aan de hand van de uitslag van bloedonderzoek op stollingstijden de voortzetting van de opname van de hond in de kliniek zou worden bepaald. Nu dit niet is betwist door klaagster, houdt het college het ervoor dat voor klaagster kenbaar moest zijn geweest dat beklaagde sub 1 met de opmerkingen dat de hond klinisch verbetering liet zien, niet heeft bedoeld te zeggen dat de gezondheidstoestand van de hond erop vooruit was gegaan. In deze opmerking van beklaagde sub 1 ziet het college dan ook geen gebrek in de informatieverschaffing die haar tuchtrechtelijk zou kunnen worden aangerekend.

5.11. Over de klacht dat de hond tijdens de opname, afgezien van echo- en bloedonderzoek, niet is behandeld – waardoor de opname in de ogen van klaagster in feite zinloos is geweest –, overweegt het college als volgt. Zoals eerder overwogen, zijn beklaagden niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het behandelplan en de naar aanleiding daarvan genomen beslissing de hond op te nemen. Hoewel het behandelplan hierdoor niet als zodanig aan het college ter beoordeling voorligt in deze procedure, komt dit plan gelet op hetgeen hierover in deze procedure naar voren is gebracht, het college voor als een duidelijke aanpak waarmee is beoogd de hond te stabiliseren en de stollingstijden te verbeteren. Dit was nodig om een leverbiopt te kunnen nemen om een diagnose te kunnen stellen met het oog op de geconstateerde afwijkende leverwaarden en de verdere behandeling van de hond te bepalen. Het college acht niet onlogisch dat dit is uitgemond in het advies om de hond op te nemen in de kliniek. Hierdoor ziet het college onvoldoende aanleiding het uitvoeren van het behandelplan op zichzelf als ‘pappen-en-nathoudenbeleid’ aan te merken. Door dit plan bij het behandelen van de hond tijdens hun diensten gedurende de opname van de hond tot uitgangspunt te nemen en daarop voort te borduren, hebben beklaagden dan ook niet verkeerd gehandeld. Voor zover de hond tijdens de opname door beklaagden is behandeld, is klaagster er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij daarbij zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond.

5.12. Weliswaar heeft de kliniek biopsieën bij klaagster in rekening gebracht, maar beklaagden hebben toegelicht dat dit heeft berust op een fout van de kliniek die is gecorrigeerd en waarvoor excuses zijn aangeboden aan klaagster, terwijl beklaagden hierbij niet betrokken zijn geweest. Nu dit niet is betwist door klaagster, acht het college de klacht over het in rekening brengen van de biopsieën niet gegrond. Overigens kan volgens vaste rechtspraak niet bij het college worden geklaagd over (de hoogte van) de rekening voor een diergeneeskundige behandeling.

5.13. Het voorgaande leidt het college ertoe als volgt te beslissen.

6. DE BESLISSING

Het college:

in beide zaken:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klachten voor zover daaraan veterinair optreden ten grondslag heeft gelegen waarbij beklaagden niet betrokken zijn geweest,

verklaart de klachten tegen beide beklaagden voor het overige ongegrond.


Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-Kats en drs. A.H.A. Steentjes, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.