ECLI:NL:TDIVTC:2025:37 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/16
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-09-2025 |
| Datum publicatie: | 05-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/16 |
| Onderwerp: | Klachtambtenaarzaken |
| Beslissingen: | Gegrond met berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klachtambtenaarzaak: Dierenarts treft het verwijt antibiotica in de vorm van ‘droogzetters’ aan een rundveehouder te hebben afgeleverd zonder dat was voldaan aan de voor het afleveren daarvan geldende voorwaarden. [Klacht gegrond.] Volgt berisping. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren ,
hierna: de klachtambtenaar,
tegen
de dierenarts [naam beklaagde] ,
hierna: beklaagde .
-------------------------------------------------------------------------------------------------
- DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Daarbij waren aanwezig mr. L. Schleeper als gemachtigde van de klachtambtenaar, alsook beklaagde. Na de zitting is uitspraak bepaald.
- DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten in 2022 antibiotica in de vorm van ‘droogzetters’ aan een rundveehouder te hebben afgeleverd, zonder dat werd voldaan aan de voor het afleveren daarvan geldende voorwaarden. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht, na ter zitting de verzochte maatregel te hebben verminderd, beklaagde voorwaardelijk te schorsen voor de duur van een maand.
- DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de levering van het diergeneesmiddel (droogzetter) Orbenin Extra Dry Cow (REG NL 6901). Dit is een antibioticum dat wordt gebruikt tijdens het droogzetten van een koe met het oog op behandeling van een op dat moment aanwezige chronische mastitis.
3.2. Op 14 juli 2023 heeft een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) een controle uitgevoerd op het melkveebedrijf van dhr. [naam rundveehouder] te [plaatsnaam] (hierna: de rundveehouder). Dit is gebeurd naar aanleiding van de constatering door deze inspecteur dat in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 in totaal 216 injectoren Orbenin Extra Dry Cow door of namens beklaagde aan de rundveehouder zijn afgeleverd. Tijdens de controle heeft de inspecteur inzage gehad in de administratie van de rundveehouder met betrekking tot de toegepaste diergeneesmiddelen (hierna: het logboek) over 2022. Later heeft de inspecteur per e-mail aanvullende gegevens ontvangen van de rundveehouder, te weten het bedrijfsbehandelplan van 2022 (hierna: Bedrijfsbehandelplan 2022), de Melkproduktieregistratie (MPR)-gegevens van twaalf data in 2022, het KoeKompas en de welzijnsmonitor. Gebleken is dat er in 2022 preventief gebruik is gemaakt van antibiotica bij het droogzetten.
3.3. Tussen de rundveehouder en beklaagde bestond een zogenoemde ‘1-op-1-overeenkomst’. De 1-op-1 overeenkomst omvat alle veterinaire diensten geleverd op het melk-/rundveebedrijf. De 1-op-1 dierenarts is eindverantwoordelijk voor de voorgeschreven diergeneesmiddelen op een bedrijf waarmee een dergelijke overeenkomst bestaat.
3.4 Op basis van een onderzoek volgend op de uitgevoerde controle heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De klachtambtenaar heeft daarop besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Algemeen kader voor de beoordeling
5.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde in strijd heeft gehandeld met de regelgeving betrekking hebbend op het afleveren van antibiotica en daarmee is tekortgeschoten in hetgeen van haar als diergeneeskundige mocht worden verwacht, waardoor schade voor de diergezondheid kon ontstaan, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2 tweede lid van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.
5.2. Voor wat betreft de toepasselijke regelgeving wordt hierna uitgegaan van de wetsartikelen en regels aan het begin van de door de NVWA onderzochte, aan de klacht ten grondslag gelegde periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 waarin de 216 injectoren Orbenin Extra Dry Cow door of namens beklaagde aan de rundveehouder zijn afgeleverd.
5.3. Als zijnde antibioticum valt Orbenin Extra Dry Cow onder de UDD-middelen (zie artikel 5.8 van het Besluit diergeneesmiddelen en de artikelen 10.5a en 2.17 van de Regeling diergeneesmiddelen). De UDD-afleverstatus is gebaseerd op regelgeving waarmee wordt beoogd antibioticaresistentie tegen te gaan en om in dat verband zorgvuldig gebruik van antibiotica in de veehouderij te bevorderen en onnodig en overmatig gebruik te voorkomen. In dat verband geldt als hoofdregel dat antibiotica slechts door de dierenarts mogen worden voorgeschreven en toegediend (en daarom niet rechtstreeks aan de veehouder mogen worden afgeleverd) en dat de veehouder in beginsel geen antibiotica voorradig mag hebben. Volgens vaste jurisprudentie wordt van een dierenarts verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een adequate en controleerbare verslaglegging.
5.4. In afwijking van de hoofdregel mogen antibiotica onder strikte voorwaarden door de veehouder zelf onder verantwoordelijkheid van en conform het behandeladvies van de dierenarts worden toegepast en mag daartoe een beperkte voorraad antibiotica op het bedrijf aanwezig zijn (vgl. onder meer artikel 2.18 lid 2 onderdeel b van de Regeling diergeneesmiddelen in verbinding met bijlage 1, onderdeel 5 onder k en bijlage 9 van die regeling). Daartoe moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in bijlage 9. Achterliggende gedachte is dat met een individuele curatieve behandeling door de houder zelf snel kan worden gehandeld en daarmee een uitbraak van een besmetting op afdelings- of stalniveau kan worden voorkomen. De 1-op-1 dierenarts dient de regie over het gebruik van antibiotica door de rundveehouder te hebben en te voeren.
5.5. Bij de beoordeling van de klacht neemt het college tevens tot uitgangspunt de ‘Richtlijn Antimicrobiële middelen bij het droogzetten van melkkoeien van de KNMvD’ (hierna: de Richtlijn) van oktober 2013. De Richtlijn heeft tot doel het gebruik van antibiotica zoveel mogelijk te beperken, zonder dat dit leidt tot een overmatige toename van het inzetten van antibiotica vanwege mastitis. Ingevolge de Richtlijn mogen bij het droogzetten van koeien alleen antimicrobiële middelen worden voorgeschreven wanneer na diagnostisch onderzoek wordt verondersteld dat de koe een uierinfectie heeft. Hierdoor dient bij koeien die met antimicrobiële middelen worden drooggezet, altijd sprake te zijn van curatief gebruik. Het preventief inzetten van antibiotica om een dergelijke infectie te voorkomen, is dan ook niet geoorloofd. Ingevolge de Richtlijn is de diagnostiek van uierinfecties gebaseerd op het individuele koecelgetal. De bepaling van het celgetal dient maximaal zes weken voor het moment van droogzetten te gebeuren. Daarbij gelden de volgende afkapwaardes voor het gebruik van antimicrobiële middelen bij het droogzetten:
• Bij vaarzen: koecelgetal >150.000 cellen/ml.
• Bij oudere kalfskoeien: koecelgetal >50.000 cellen/ml.
Met betrekking tot de onderhavige klacht
5.6. Gebleken is dat van de 42 koeien die in het jaar 2022 op het bedrijf van de rundveehouder zijn behandeld met Orbenin Extra Dry Cow, er 23 een koecelgetal hadden dat lager was dan de hierboven genoemde afkapwaardes. Deze 23 koeien zijn toen dus preventief behandeld met antibiotica door de rundveehouder en dit is in strijd met de Richtlijn. Dit is evenmin in lijn met het door beklaagde opgestelde Bedrijfsbehandelplan 2022, waarin staat dat het droogzetten van laagcelgetal-koeien met antibiotica preventief gebruik van deze middelen is en dat dit niet langer is toegestaan. Daarin is echter ook vermeld dat vanwege de psychische gesteldheid van de rundveehouder ook bij laagcelgetal-koeien Orbenin wordt gebruikt.
5.7. Beklaagde heeft verklaard dat zij het uitgangspunt van de Richtlijn dat een koe alleen met antibiotica mag worden drooggezet nadat uit onderzoek is gebleken dat het dier een uierinfectie heeft, onderschrijft. In onderhavige kwestie vormde de psychische gesteldheid van de rundveehouder voor haar evenwel een reden om bewust af te wijken van de Richtlijn en het preventief inzetten van antibiotica door hem toe te staan. Beklaagde heeft toegelicht dat de rundveehouder in het verleden een zware depressie heeft gehad en dat hij sindsdien geregeld te kampen heeft gehad met de gevolgen daarvan. Weliswaar achtte zij hem nog wel capabel genoeg om rundveehouder te zijn en is hij zorgzaam voor zijn dieren, maar zijn psychische toestand was zorgelijk en indrukwekkend, hetgeen is beaamd door de NVWA-inspecteur, die hem om die reden heeft vrijgesteld van verdere vervolging van de overtreding. Volgens beklaagde heeft ze jaarlijks, bij het bespreken van het bedrijfsbehandelplan, bij de rundveehouder erop aangedrongen te proberen om zijn koeien selectief droog te zetten met antibiotica en heeft ze verschillende pogingen ondernomen om dit te stimuleren. De rundveehouder, die in het verleden slechte ervaringen heeft gehad met droogzetten zonder antibiotica, was daartoe niet bereid en als selectief droogzetten met antibiotica aan de orde kwam, dan leidde dat tot veel spanning en slapeloze nachten bij hem. Beklaagde achtte de kans dat de rundveehouder vanwege zijn psychische problemen zou besluiten om een einde aan zijn leven te maken, vele malen groter dan de kans dat antibioticaresistentie zou optreden met negatieve gevolgen voor de volksgezondheid. Aan haar keuze om het belang van de psychische status van de rundveehouder zodanig zwaar te achten dat dit rechtvaardigde om af te wijken van de Richtlijn, draagt bij dat bij de koeien met een laag celgetal die met Orbenin Extra Dry Cow zijn behandeld, er geen negatieve gezondheidseffecten van zouden ondervinden. Bij dit afwijken heeft zij zelf geen enkel financieel belang gehad en zij heeft dit besproken met haar (toenmalige) werkgever en collega’s, die erachter stonden dat zij het op deze manier deed, aldus beklaagde.
5.8. Het college overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat het een dierenarts is toegestaan in een individueel geval af te wijken van de Richtlijn, mits dit verantwoord gebeurt en gebaseerd is op een gedegen beoordeling van de eigen situatie van de koe dan wel het koppel. Het is belangrijk dat de dierenarts de onderbouwing van haar/zijn keuze om van de Richtlijn af te wijken zorgvuldig vastlegt, zodat deze keuze transparant en toetsbaar is.
5.9. Het college onderkent dat beklaagde, geconfronteerd met de psychische problemen van de rundveehouder en zijn weigering koeien zonder antibiotica droog te zetten, vanwege de daarmee strijdige aanbevelingen van de Richtlijn, voor een lastig dilemma is geplaatst. Toch kan het college zich met haar keuze om in dit geval van de aanbevelingen af te wijken, niet verenigen. De psychische gesteldheid van de rundveehouder en het benoemen daarvan in het bedrijfsbehandelplan, kunnen geen toereikende rechtvaardiging vormen om toe te staan dat hij bij al zijn droog te zetten koeien de aanbeveling om daarbij slechts curatief antibiotica toe te dienen, opzij zet. Door dit wel te doen, heeft beklaagde het belang bij terugdringing van resistentie tegen antimicrobiële middelen in de dierhouderij dat met deze aanbeveling wordt gediend, teveel veronachtzaamd. Dit belang is van groot gewicht voor de volksgezondheid. Verder is ook niet aangetoond dat de dierenarts in de loop der jaren enige moeite heeft gedaan om de veehouder van inzicht te doen veranderen. Hierom is het college van oordeel dat beklaagde niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht door de rundveehouder in 2022 toe te staan vanwege zijn psychische gesteldheid af te wijken van de Richtlijn en hem daartoe Orbenin Extra Dry Cow te leveren. Door dit te doen, heeft zij de belangrijke rol die zij als 1-op-1 dierenarts heeft om de regie op het gebied van antibioticumgebruik te voeren (de zogenoemde ‘poortwachtersfunctie’), onvoldoende vervuld.
5.10. Dat niet is aangetoond dat de gezondheid van de koeien die in strijd met de Richtlijn preventief met Orbenin Extra Dry Cow zijn behandeld, in het gedrang is gekomen, doet voor het college geen afbreuk aan zijn oordeel. Dit geldt eveneens voor de opmerking van beklaagde dat de psychische gezondheid van de rundveehouder ook van belang is voor de gezondheid van zijn koeien. De omstandigheid dat de (toenmalige) werkgever en collega’s van beklaagde achter de door haar aan de rundveehouder vanwege zijn psychische gesteldheid gegeven toestemming hebben gestaan om droogzetters preventief in te zetten, kan haar niet disculperen. Bij haar als 1-op-1 dierenarts lag in 2022 immers de eindverantwoordelijkheid voor de voorgeschreven diergeneesmiddelen op het bedrijf van de rundveehouder.
5.11. Beklaagde heeft nog een andere omstandigheid aangevoerd die volgens haar een rechtvaardiging vormde voor afwijking van de Richtlijn. In 2021 is meermaals heftige mastitis opgetreden bij koeien van de rundveehouder, die daar flink ziek van zijn geweest. Uit melkmonsters is naar voren gekomen dat veel mastitisgevallen door de E. coli-bacterie zijn veroorzaakt of waarschijnlijk het gevolg daarvan zijn. Deze mastitisgevallen droegen bij aan de beslissing van beklaagde om in het Bedrijfsbehandelplan 2022 ook de laagcelgetal-koeien te beschermen met antibiotische droogzetters. De hogere infectiedruk veroorzaakt door E. coli vormde een voldoende veterinaire reden om tijdelijk niet aan selectief droogzetten te hoeven doen, aldus beklaagde.
5.12. Ook hierin kan het college beklaagde niet volgen. In 2021 heeft zich diverse malen mastitis voorgedaan bij de koeien van de rundveehouder, ondanks dat aan alle koeien die in dat jaar zijn drooggezet, preventief Orbenin Extra Dry Cow is toegediend. Beklaagde heeft immers verklaard dat reeds vanaf omstreeks 2014/2015 de situatie heeft bestaan dat ook koeien die gelet op hun lage celgetal niet daarvoor in aanmerking komen, vanwege de psychische gesteldheid van de rundveehouder preventief met dit middel werden drooggezet. Gesteld noch gebleken is dat de volgens beklaagde door E. coli veroorzaakte mastitis-gevallen verband hielden met de droogstand, terwijl dit verband er volgens de klachtambtenaar niet is. Het college ziet in deze mastitis-gevallen uit 2021 dan ook geen rechtvaardiging om in 2022 tijdelijk te mogen afwijken van de Richtlijn wat betreft het voorschrijven en leveren van droogzet-injectoren Orbenin Extra Dry Cow, een middel dat niet geïndiceerd is voor behandeling van mastitis veroorzaakt door E. coli. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt te onderkennen dat Orbenin Extra Dry Cow niet direct tegen E. coli beschermt. De omstandigheid dat ze behandeling met een alternatief middel dat wel werkzaam is heeft voorgesteld, maar de rundveehouder deze verandering niet wilde, biedt niet alsnog rechtvaardiging om van de Richtlijn te mogen afwijken.
5.13. Dit leidt het college ertoe te concluderen dat geen van de door beklaagde genoemde redenen een rechtvaardiging kan vormen om toe te staan dat van de Richtlijn wordt afgeweken. Door te hebben toegestaan dat de rundveehouder in 2022 Orbenin Extra Dry Cow in strijd met de aanbevelingen daaruit preventief kon toedienen bij het droogzetten van koeien en de droogzetinjectoren in dat jaar daartoe aan hem te leveren, is beklaagde tekortgeschoten in hetgeen van haar als diergeneeskundige mocht worden verwacht. De klacht is dan ook gegrond.
5.14. Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft het college het volgende in aanmerking genomen. Weliswaar ziet de klacht op de onderzoeksperiode die het jaar 2022 omvat, maar zoals hierboven (zie 5.12) is overwogen, heeft de situatie die aan de klacht ten grondslag ligt, geruime tijd bestaan. Al sinds omstreeks 2014/2015 zou in de (jaarlijks) door beklaagde opgestelde bedrijfsbehandelplannen van de rundveehouder staan dat vanwege zijn psychische gesteldheid ook bij laagcelgetal-koeien Orbenin wordt gebruikt. Het college rekent het haar aan dat zij deze situatie zo lang heeft laten voortbestaan, terwijl uit geen van de stukken naar voren is gekomen welke maatregelen zij vóór en tijdens de onderzoeksperiode heeft genomen om te bevorderen dat de rundveehouder zou overgaan tot selectief droogzetten van zijn koeien met de door of namens haar geleverde droogzetinjectoren. Daar staat tegenover dat beklaagde zich open en transparant heeft opgesteld in zowel het onderzoek door de NVWA als in deze klachtprocedure. Ze heeft zelfreflectie getoond, erkend dat zij is tekortgeschoten in haar plicht tot verslaglegging en onderkend dat zij de problemen van de rundveehouder die hij in die hoedanigheid had, teveel tot de hare heeft gemaakt. Ze heeft verklaard dat ze de rundveehouder, voor wie zij nog steeds als dierenarts optreedt, in 2023 ertoe heeft weten te bewegen zijn koeien selectief droog te zetten zonder antibiotica. Verder is gebleken dat de NVWA al een boete van € 5.000 aan beklaagde heeft opgelegd. De NVWA had het voornemen tot het opleggen van deze boete per abuis aan de rundveehouder gezonden, ondanks dat beklaagde had gevraagd hem vanwege zijn psychische gesteldheid erbuiten te houden en de NVWA hem had vrijgesteld van verdere vervolging van de overtreding. Beklaagde heeft nog enkele andere onzorgvuldigheden / slordigheden door de NVWA in het daarop volgende traject naar voren gebracht. Al met al acht het college de na te melden maatregel passend en geboden.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond;
geeft beklaagde daarvoor een berisping als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet dieren .
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak,
drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. A.H.A. Steentjes en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025 .