ECLI:NL:TDIVTC:2025:36 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/20 2024/40

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:36
Datum uitspraak: 11-09-2025
Datum publicatie: 05-03-2026
Zaaknummer(s):
  • 2024/20
  • 2024/40
Onderwerp: Honden
Beslissingen:
  • Gegrond met berisping
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Twee dierenartsen wordt verweten dat zij zijn tekortgeschoten in de zorg voor een hond met het gevolg dat de hond is komen te overlijden. Ten aanzien van een van de dierenartsen is de klacht ongegrond verklaard. De klacht tegen de andere dierenarts is gegrond, met oplegging van een berisping.

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klaagster] ,                                                                  klaagster,

tegen
 

de dierenarts [naam  beklaagde] sub 1 ,                            beklaagde sub 1,

de dierenarts [naam beklaagde] sub 2 ,                            beklaagde sub 2,

hierna tezamen: beklaagden.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer van ieder van beklaagden afzonderlijk, de repliek en de dupliek van ieder van beklaagden afzonderlijk. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Daarbij waren aanwezig klaagster, vergezeld van haar dochter, en beklaagden, vergezeld van mw. [naam praktijkgenoot]. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagden wordt verweten, in hoofdzaak, dat zij zijn tekortgeschoten in de zorg voor de hond van klaagster met als gevolg dat de hond is komen te overlijden.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Franse Bulldog (reu) met de naam [naam hond] (hierna: de hond), die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid 6 jaar oud was.

3.2. Medio oktober 2023 viel het klaagster op dat de hond minder actief was, nauwelijks wilde eten en zijn urine binnenshuis liet lopen.

3.3. Op 19 oktober 2023 is klaagster met de hond op consult geweest bij een collega-dierenarts die werkzaam is voor dezelfde praktijk als waarvoor ook beklaagden werkzaam zijn. Er is een anamnese afgenomen en er zijn een algemeen klinisch onderzoek en een urineonderzoek verricht. Op basis hiervan heeft de collega-dierenarts de waarschijnlijkheidsdiagnose ‘blaasontsteking, mogelijk samenhangend met diabetes mellitus’ gesteld en de hond Metacam (pijnstillend en ontstekingsremmend) en Kesium (een antibioticum) voorgeschreven. Verder heeft de collega-dierenarts klaagster geadviseerd om de volgende dag of na het weekend op 23 oktober 2023 nogmaals urine van de hond langs te brengen voor controle op glucose en afhankelijk van de uitkomst daarvan een bloedonderzoek te laten verrichten.

3.4. Op 20 oktober 2023 heeft klaagster contact opgenomen met de praktijk, omdat zij zich zorgen maakte, nu de hond niets binnen hield en dus ook zijn medicijnen uitbraakte. De collega-dierenarts die de hond de vorige dag had behandeld, zou hebben gezegd dat zij het gewoon moest blijven proberen. In de patiëntenkaart is over dit gesprek genoteerd dat als de hond zou blijven braken, op 23 oktober 2023 urine zou moeten worden langsgebracht voor controle. Dan zou ook worden bezien of voortzetting van de antibioticumkuur nodig was.

3.5. Op 23 oktober 2023 heeft klaagster urine van de hond afgeleverd bij de praktijk. De uitslag van het urineonderzoek is beoordeeld door beklaagde sub 1. Zij heeft geconcludeerd dat mogelijk sprake was van een nierprobleem in de vorm van bijvoorbeeld een nierbekkenontsteking en dat om die reden een bloedonderzoek op nierfunctie en diabetes gewenst zou zijn, evenals een bacterieel onderzoek waarvoor de hond dan eerst minimaal twee dagen met de antibiotica zou moeten stoppen. Beklaagde sub 1 heeft een kostenschatting gemaakt voor een echo van de buik, een punctie voor een kweek van de urine, een bacteriologisch onderzoek en een bloedonderzoek en deze kostenschatting in de patiëntenkaart vastgelegd. Daarbij heeft zij opgemerkt dat indien financiën een rol spelen, de voorkeur uitgaat naar een echo en een kweek van de urine. Ook stelt zij contact te hebben opgenomen met klaagster om de uitslag van het urineonderzoek door te geven. Aangezien klaagster haar telefoon niet opnam, stelt zij het antwoordapparaat te hebben ingesproken.

3.6. Op 24 oktober 2023 heeft klaagster een bezoek aan de praktijk gebracht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt het college af dat zij aan de balie gesproken heeft met een paraveterinair. De uitslag van het urineonderzoek is door de paraveterinair met klaagster besproken evenals het advies nader onderzoek te laten verrichten. Aangezien op 19 oktober 2023 niet de volledige antibioticakuur aan klaagster was meegegeven, heeft de paraveterinair tijdens dit bezoek ook het restant van de antibioticakuur verstrekt. Beklaagde sub 1 heeft tussen twee consulten door kort aan dit gesprek deelgenomen en de uitkomst van het onderzoek en het advies toegelicht. Een afspraak voor vervolgonderzoek is tijdens dit bezoek aan de praktijk niet gemaakt. 

3.7. Op 25 oktober 2023 heeft klaagster wederom telefonisch contact opgenomen met de praktijk, omdat het steeds slechter ging met de hond en de hond maar bleef braken. Klaagster stelt dat zij zou worden teruggebeld, maar dat dat niet is gebeurd. Beklaagden hebben ter zitting verklaard dat zij deze dag niet bij de behandeling van de hond betrokken zijn geweest en dat de notitie in de patiëntenkaart is gemaakt door een collega-dierenarts.

3.8. Op 26 oktober 2023 is klaagster met de hond bij beklaagde sub 2 op consult geweest. Klaagster stelt dat de hond, die normaal gesproken agressief op onbekenden kon reageren, ‘als een dood vogeltje’ in de hoek van de behandelruimte zat. Volgens klaagster heeft beklaagde sub 2, nadat zij had gemeld dat de hond niet at en nog altijd braakte, nogmaals Kesium (antibioticum) voorgeschreven, aangevuld met Cerenia (antibraakmiddel) en Omeprazol (maagbeschermer). Beklaagde sub 2 stelt in zijn schriftelijke verweer een anamnese te hebben afgenomen en een lichamelijk onderzoek te hebben verricht. Hij stelt vervolgens uitgebreid de verschillende opties en mogelijkheden tot aanvullend onderzoek met klaagster te hebben besproken. Blijkens de patiëntenkaart bestond optie 1 uit het doorzetten van de medicatie in combinatie met Cerenia en Omeprazol in de hoop dat de hond de antibiotica zou binnenhouden en de blaasontsteking op die manier zou kunnen worden verholpen en optie 2 uit het stoppen met de antibiotica en het verrichten van een bacterieel onderzoek op 30 oktober 2023 bestaande uit een blaasecho gevolgd door een kweek van de urine en een antibiogram met als doel antibiotica te vinden die de hond wel zou kunnen verdragen. Beklaagde sub 2 heeft in de patiëntenkaart genoteerd dat klaagster heeft gekozen voor optie 1 en dat er in de week van 30 oktober 2023 weer contact zou zijn.

3.9. Op 27 oktober 2023 stelt klaagster wederom contact te hebben opgenomen met de praktijk, omdat de hond ondanks de antibraakmedicatie bleef braken. Er zou zijn aangegeven dat zij de hond moest dwingen te eten teneinde zijn medicatie te krijgen. Beklaagden hebben ter zitting verklaard dat zij die dag niet op de praktijk aanwezig zijn geweest.

3.10. Omdat er geen verbetering optrad in de gezondheidssituatie van de hond, heeft klaagster op zaterdag 28 oktober 2023 de bijsluiters van de diverse voorgeschreven geneesmiddelen bestudeerd. Daaruit leidde zij af dat aan het voorschrijven van Cerenia-tabletten altijd een Cerenia-injectie vooraf moet gaan. In de middag kreeg de hond een (vermoedelijk) epileptische aanval en plaste de hond bloed. Ze is met de hond bij een dienstdoende dierenarts op consult geweest, die na anamnese te hebben afgenomen en algemeen klinisch onderzoek en bloedonderzoek te hebben verricht, de diagnose ‘acute nierontsteking mogelijk samenhangend met nierstenen of de ziekte van Weil’ heeft gesteld en klaagster heeft doorverwezen naar een tweedelijns kliniek voor nader onderzoek en behandeling.

3.11. De hond is direct daaropvolgend opgenomen in een tweedelijns kliniek, waar de hond almaar zwakker is geworden. In de patiëntenkaart van deze kliniek worden bevindingen genoemd als tachypneu, verminderd bewustzijn, geen pupilreflex of dreigreflex, zijligging met overstrekte hals en poten en verticale nystagmus. Er bestond een verdenking van intracraniale problematiek, mogelijk als gevolg van nierfalen of een hersenbloeding. Die situatie verslechterde zodanig dat op enig moment in de nacht van 28 op 29 oktober 2023 euthanasie de enige nog overgebleven optie was. Daarmee heeft klaagster ingestemd. Na het overlijden van de hond is geen sectie verricht, zodat niet is komen vast te staan wat de oorzaak is geweest van de klachten die uiteindelijk tot de euthanasie hebben geleid.

3.12. Na het overlijden van de hond is er contact geweest tussen de dochter van klaagster en beklaagde sub 2. Dit contact heeft partijen niet nader tot elkaar gebracht, waarna klaagster de onderhavige tuchtprocedure is gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Algemeen kader voor de beoordeling

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagden beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoten zijn opgetreden.

5.3. Verder geldt in het veterinair tuchtrecht als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden en niet voor het veterinair handelen van collega-dierenartsen. Dit betekent voor deze tuchtprocedure dat beklaagde sub 1 alleen voor haar handelen op 23 en 24 oktober verantwoordelijk kan worden gehouden en beklaagde sub 2 alleen voor zijn handelen tijdens het consult op 26 oktober. Bij overige consulten waren de dierenartsen niet betrokken. Overigens geldt verder dat niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden.

5.4. Voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klacht wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat , wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd. Ten aanzien van de verwijten waarvan de onderliggende feiten niet zijn vast te stellen, zal het college zich dan ook van een oordeel onthouden.

5.5. Tot slot wordt voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klachten opgemerkt dat het college niet oordeelt over (de hoogte van) facturen of verzoeken om financiële compensatie. Geschilpunten dienaangaande zullen om die reden in deze tuchtprocedure onbesproken blijven.

Inhoudelijk

met betrekking tot de klacht tegen beklaagde sub 1 (zaaknummer 2024/40)

5.6. Op 23 oktober heeft beklaagde sub 1 de hond’s urine onderzocht, in die zin dat zij de resultaten van het urineonderzoek heeft geanalyseerd. Haar bevindingen heeft zij in de patiëntenkaart vastgelegd, waarbij zij advies heeft gegeven over mogelijk vervolgonderzoek en een prijsindicatie van de daaraan verbonden kosten. Vervolgens stelt zij contact te hebben opgenomen met klaagster om de uitkomst van het urineonderzoek en haar bevindingen te bespreken. Het college heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen en ook overigens geen bemerkingen over het handelen van beklaagde sub 1 op 23 oktober.  

5.7. Op 24 oktober heeft beklaagde sub 1 tussen twee consulten door kort deelgenomen aan een gesprek dat klaagster met een paraveterinair aan de balie van de praktijk had. Het voert voor het college te ver om beklaagde sub 1 onder die omstandigheden te verwijten dat zij geen anamnese heeft afgenomen, niet heeft doorgevraagd en zich beperkt heeft tot het delen van haar bevindingen omtrent het urineonderzoek en de mogelijkheden tot vervolgonderzoek. Het college neemt daarbij in aanmerking dat klaagster geen afspraak had voor een consult en dat beklaagde sub 1 voor het overige geen betrokkenheid had bij of verantwoordelijkheid had voor de zorgverlening aan de hond en enkel was gevraagd om het urineonderzoek voor haar rekening te nemen.

5.8. Klaagster heeft gesteld dat zij daarna nog telefonisch contact met beklaagde sub 1 heeft gehad, hetgeen door beklaagde sub 1 is weersproken. Voor het college is het niet mogelijk de feiten op dit punt vast te stellen, zodat de klacht ook op dit punt niet gegrond kan worden bevonden.

5.9. Op grond van het voorgaande zal de klacht tegen beklaagde sub 1 ongegrond worden verklaard.

met betrekking tot de klacht tegen beklaagde sub 2 (zaaknummer 2024/20)

5.10. Op 26 oktober is klaagster met de hond bij beklaagde sub 2 op consult geweest. Klaagster stelt dat beklaagde sub 2 tijdens het consult alleen in de ogen van de hond heeft gekeken. Beklaagde sub 2 heeft dit betwist. Ter zitting heeft beklaagde sub 2 wel erkend dat hij – in tegenstelling tot hetgeen hij eerder in de stukken naar voren heeft gebracht – geen algemeen klinisch onderzoek heeft verricht, dat hij de hond niet op de behandeltafel heeft gehad en dat hij de hond alleen kort heeft nagekeken. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde sub 2 hiermee niet overeenkomstig de zorgvuldige beroepsuitoefening gehandeld en is het onderzoek te summier en onvoldoende geweest. Van een dierenarts mag worden verwacht dat, indien een diereigenaar met een zieke hond op consult komt, een anamnese wordt afgenomen en een algemeen klinisch onderzoek wordt verricht waarin ten minste de gebruikelijke parameters als slijmvliezen, pols, turgor, CRT en lichaamstemperatuur worden gecontroleerd. Niet is gebleken dat dit is gebeurd.

5.11. Daarbij komt dat een dierenarts gehouden is op zorgvuldige wijze van zijn bevindingen verslag te doen, zodat opvolgend dierenartsen een getrouw beeld hebben van de gezondheidssituatie van het dier ten tijde van het consult en toetsing van het handelen van de vorige dierenarts mogelijk is. Ook op dit punt heeft het college bemerkingen. Dat tijdens het korte onderzoek zou zijn gebleken dat de hond ambulant en alert was en geen tekenen vertoonde van dehydratie, zoals in het verweerschrift is vermeld, is niet als zodanig in de patiëntenkaart vastgelegd. Verder stroken de opmerkingen ‘heeft hiervoor AB gekregen en NSAID’s die hij helaas snel uitbraakt’ en ‘medicatie wil niet lukken in verband met braken’ niet met de eveneens genoteerde opmerking dat de hond goed at en dronk. Door de gebrekkige verslaglegging is het voor het college niet mogelijk om te beoordelen hoe de gezondheidssituatie van de hond op het moment van het consult daadwerkelijk was, hetgeen de toetsing van het handelen van beklaagde sub 2 bemoeilijkt. Het college rekent dat beklaagde sub 2 aan.

5.12. Voorts klaagt klaagster er terecht over dat beklaagde sub 2 Cerenia-tabletten heeft voorgeschreven zonder voorafgaande Cerenia-injectie. Blijkens de bijsluiter zijn Cerenia-tabletten voor de preventie en behandeling van braken geïndiceerd, in combinatie met een Cerenia-injectie en andere ondersteunende maatregelen. Onder het kopje ‘speciale waarschuwingen voor elke diersoort waarvoor het diergeneesmiddel bestemd is’ wordt in de bijsluiter vermeld dat het aan te bevelen is om de behandeling van het braken te starten met Cerenia oplossing voor injectie, omdat, als de frequentie van braken hoog is, het mogelijk is dat de oraal toegediende Cerenia nog niet geabsorbeerd is voordat er opnieuw een braken plaatsvindt. Aangezien de hond ten tijde van het consult al meerdere dagen braakte, had het in de rede gelegen om te starten met een Cerenia-injectie. Desgevraagd heeft beklaagde sub 2 ter zitting echter geen reden kunnen geven voor het achterwege laten hiervan.

5.13. Blijkens de patiëntenkaart heeft beklaagde sub 2 tijdens het consult twee mogelijke behandeltrajecten met klaagster besproken (zie 3.8). In de stukken heeft beklaagde sub 2 toegelicht dat hij de voor- en nadelen van de verschillende behandelopties in alle rust heeft doorgesproken en dat klaagster na lang overleg heeft besloten te kiezen voor een symptomatische behandeling van de klachten. Dit wordt door klaagster betwist. Naar het oordeel van het college had beklaagde sub 2 in de gegeven omstandigheden met klem moeten aandringen om – ook als de medicatie nog een kans werd gegeven – in ieder geval nader onderzoek in de vorm van een bloedonderzoek te laten uitvoeren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat dat is gebeurd. Er is alleen gesteld dat verschillende opties zijn voorgehouden. Daarmee heeft beklaagde sub 2 naar het oordeel van het college een te afwachtende houding aangenomen. Het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat – wellicht als gevolg van het grote aantal dierenartsen dat bij deze casus betrokken is geweest en waarbij niemand de regie lijkt te hebben gehad – beklaagde sub 2 te gemakkelijk heeft aangenomen dat sprake was van een blaasontsteking waarbij het braken werd veroorzaakt door de medicatie en onvoldoende heeft opengestaan voor andere oorzaken die aan de gezondheidsklachten van de hond ten grondslag konden liggen.

5.14. Dat beklaagde sub 2 het overlijden van de hond had kunnen voorkomen, is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet vast te stellen en voor het college derhalve niet komen vast te staan. Zoals hiervoor uiteen is gezet is beklaagde sub 2 niettemin tekort geschoten in de zorgverlening aan de hond. De klacht tegen hem zal gegrond worden verklaard. Na te melden maatregel wordt door het college passend en geboden geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

in de zaak met nummer 2024/40 :

verklaart de klacht tegen de dierenarts mw. drs. [naam beklaagde] sub 1 ongegrond;

in de zaak met nummer 2024/20 :

verklaart de klacht tegen de dierenarts dhr. drs. [naam beklaagde] sub 2 gegrond;

geeft hem daarvoor een berisping als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J.A.M. van Gils en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025 .