ECLI:NL:TDIVTC:2025:34 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/32

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:34
Datum uitspraak: 03-07-2025
Datum publicatie: 26-02-2026
Zaaknummer(s): 2024/32
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten dat hij naar aanleiding van hetgeen klaagster op verschillende momenten in de avond en nacht over de klachten van haar hond aan hem heeft gemeld, telkens niet adequaat heeft gehandeld en dat de verslaglegging daarvan in het patiëntendossier van de hond onjuistheden en onvolkomenheden bevat. [Klacht is deels gegrond, met oplegging van een waarschuwing.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klaagster],                                        klaagster,

tegen

dierenarts [naam beklaagde],                   beklaagde.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Daarbij was aanwezig klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde mr. C.K. Leeuwerke-Beishuizen. Beklaagde is met kennisgeving aan het college niet verschenen. De voorzitter heeft deze kennisgeving op verzoek van beklaagde aan het begin van de behandeling voorgelezen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat hij in de avond van 14 augustus 2023 en de daaropvolgende nacht naar aanleiding van hetgeen klaagster op verschillende momenten over de klachten van haar hond aan hem heeft gemeld, telkens niet adequaat heeft gehandeld en dat de verslaglegging daarvan in het patiëntendossier van de hond onjuistheden en onvolkomenheden bevat.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De hond van klaagster waar het in deze zaak om gaat, is een Duitse Herder (teef) met de naam [naam hond] (hierna: de hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ruim vijf jaar oud.

3.2. Op 14 augustus 2023 heeft klaagster rond 19.00 uur telefonisch gesproken met beklaagde, die toen optrad als dienstdoend spoeddierenarts. klaagster heeft kenbaar gemaakt dat de hond eerder op die dag was geopereerd door een andere dierenarts aan een bultje bij het oog en dat de hond veelvuldig braakte met bloed daarbij, slap en sloom was en dat er bij het temperaturen vers bloed aan de thermometer zat. Daarop heeft beklaagde klaagster uitgenodigd om met de hond op consult te komen.

3.3. Op die avond rond 20.00 uur heeft beklaagde geconstateerd dat de hond sloom was, maar stabiel lopend de praktijk binnen kwam. Hij heeft de hond onderzocht: de buik was wat gevoelig en bij het temperaturen trof hij bloed op de thermometer aan. Beklaagde heeft de diagnose ‘hemorragische gastro-enteritis na narcose’ gesteld. Vervolgens zijn de mogelijkheden van behandeling met medicatie en doorverwijzing naar een kliniek met 24-uurszorg aan de orde gekomen. Er is voor gekozen de hond met medicijnen te behandelen door middel van een injectie Prevomax, gevolgd door regelmatig toedienen van water met ORS. In het patiëntendossier van de hond staat dat klaagster zeker de komende acht uur goed zou moeten monitoren en bij achteruitgang direct contact diende op te nemen.

3.4. Op die avond rond 21.30 uur heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met beklaagde. Volgens klaagster ging de hond door met overgeven. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat hij op dat moment geen aanleiding zag om de hond bij hem op de praktijk te onderzoeken.

3.5. Op die avond rond 22.30 uur heeft klaagster weer telefonisch contact opgenomen met beklaagde. Volgens klaagster had de hond waterdunne ontlasting met veel bloed en braakte de hond nog steeds, waarbij het braaksel meer bloed bevatte. Volgens beklaagde was de diarree met bloed gelet op de gediagnosticeerde gastro-enteritis geen uitzonderlijk verschijnsel en viel dit te verwachten. Hij heeft kenbaar gemaakt dat hij wederom geen aanleiding zag om de hond bij hem op de praktijk te onderzoeken.

3.6. Rond middernacht heeft klaagster telefonisch kenbaar gemaakt aan beklaagde dat de toestand van de hond was verslechterd. Beklaagde heeft klaagster met de hond uitgenodigd bij hem op de praktijk om de hond te onderzoeken. De hond diende de praktijk binnen te worden gedragen en kon niet staan. Volgens klaagster was de hond in shock en niet meer aanspreekbaar; volgens beklaagde was de hond nog alert. Beklaagde heeft de hond onderzocht: haar temperatuur was 41,5 graden en ze hijgde. Hij heeft infusen toegediend en de hond doorverwezen naar een kliniek voor verder onderzoek en 24-uurszorg.

3.7. De hond is in de nacht van 14 op 15 augustus 2023 opgenomen in een kliniek en is daar onderzocht. Er is een gevoelige buik en een grote maag aangetroffen. Bij het sonderen van de maag is twee liter bloederig vocht en veel gas verwijderd. Ook is een rectaalkatheter geplaatst. De kliniek heeft de diagnose hemorragische gastro-enteritis gesteld. De hond is volgens het patiëntendossier van de kliniek gedurende de nacht alerter geworden, ging zelfstandig sternaal liggen en kon staan, maar was nog te zwak om te lopen. De daaropvolgende dagen is de hond op de kliniek onderzocht en behandeld en vertoonde haar gezondheidstoestand schommelingen. Op 17 augustus 2023 is de toestand van de hond verslechterd en is de hond overleden.

3.8. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, of dat hij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. Het eerste klachtonderdeel ziet op het consult dat op 14 augustus rond 20.00 uur heeft plaatsgevonden (zie 3.3) en gaat over de twee behandelopties die met klaagster zijn besproken, te weten behandeling van de hond met medicatie of doorverwijzing naar een kliniek met 24-uurszorg. Volgens klaagster heeft beklaagde ten onrechte geen duidelijke voorkeur voor één van beide opties uitgesproken en is er in gezamenlijk overleg voor gekozen behandeling met medicatie in te zetten. Hiermee heeft hij de toestand van de hond ten onrechte onderschat; hij had, gelet op de door hem gestelde diagnose, moeten aandringen op doorverwijzing naar een kliniek voor 24-uurszorg, aldus klaagster.

5.3. Volgens beklaagde heeft hij tijdens het consult kenbaar gemaakt dat hij de voorkeur gaf aan de optie van doorverwijzing naar een kliniek met 24-uurszorg, omdat hij ‘niet wist welke kant dit op ging’, en dat behandeling met medicatie niet zijn voorkeur had. Hij heeft evenwel berust in de door klaagster gemaakte keuze om de hond met medicatie te behandelen, welke keuze hij gezien de toestand van de hond te verantwoorden vond, aldus beklaagde.

5.4. Het college overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat tijdens het consult behandeling met medicatie en doorverwijzing naar een kliniek met 24-uurszorg als behandelmogelijkheden aan de orde zijn gesteld, acht het college niet onbegrijpelijk. Partijen houden er verschillende lezingen op na over of beklaagde al dan niet voorkeur voor één van beide behandelmogelijkheden heeft uitgesproken en door wie de keuze voor het inzetten van behandeling van de hond met medicatie is gemaakt. Hetgeen hierover verder uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, biedt onvoldoende steun voor één van beide lezingen over deze onderwerpen. Hierdoor heeft het college onvoldoende kunnen vaststellen of beklaagde heeft gehandeld zoals hem door klaagster is verweten. Het gevolg hiervan is dat er niet genoeg basis is om te kunnen concluderen dat hij te dier zake tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten. Dit klachtonderdeel wordt dan ook ongegrond verklaard.

5.5. Het tweede klachtonderdeel ziet op de telefonische contacten tussen klaagster en beklaagde die op 14 augustus rond 21.30 uur en om 22.30 uur hebben plaatsgevonden. Volgens klaagster heeft beklaagde, gelet op hetgeen zij tijdens deze gesprekken over de toestand van de hond kenbaar heeft gemaakt, haar ten onrechte niet met de hond langs laten komen voor onderzoek. Door dit niet te doen, heeft beklaagde hetgeen klaagster over de honds toestand heeft gemeld onvoldoende serieus genomen.

5.6. Volgens beklaagde had klaagster tijdens beide telefoongesprekken zijn volledige aandacht en heeft hij aan de hand van de door haar verstrekte informatie een inschatting gemaakt van de zorg waaraan de hond toen behoefte had. Hij heeft het op basis daarvan telkens niet nodig geacht de hond fysiek te beoordelen. Daarmee heeft hij de hond geen adequate zorg onthouden, aldus beklaagde.

5.7. Het college overweegt als volgt. Beklaagde heeft in zijn verweer naar voren gebracht dat de klachten die de hond tijdens het consult van 20.00 uur had, geen normale verschijnselen waren na een operatie zoals de hond die had ondergaan. Hij stelt hierom aan klaagster kenbaar te hebben gemaakt dat hij het niet helemaal vertrouwde en dat hij de hond bij voorkeur zou doorsturen naar een kliniek met 24-uurszorg, nu bij hem op de praktijk 24-uursmonitoring niet mogelijk was. De optie van behandeling van de hond met medicatie had zijn voorkeur niet, maar viel volgens beklaagde gezien de toestand van de hond te verantwoorden, in welk geval klaagster zeker de komende acht uur goed diende te monitoren en ze bij achteruitgang direct contact zou moeten opnemen. Klaagster heeft dit laatste voor het eerst gedaan om 21.30 uur. Ter zitting heeft klaagster verklaard dat zij toen aan beklaagde heeft gemeld dat de hond vaker moest braken en dat ze zich er ongerust over maakte dat het slechter ging met de hond, zodat ze behoefte had aan advies van beklaagde. Beklaagde heeft geen aanleiding gezien om klaagster met de hond uit te nodigen voor onderzoek bij hem op de praktijk. Het college kan beklaagde hierin niet volgen, uitgaande van hetgeen hij zelf naar voren heeft gebracht over hoe hij tijdens het consult tegen de honds klachten aankeek, de voorkeur die hij toen heeft uitgesproken voor opname met 24-uurszorg en de aan klaagster gegeven instructies. Daar komt nog bij dat het braken niet was gestopt – en dit volgens klaagster zelfs vaker gebeurde –, hetgeen een aanwijzing vormde dat het gegeven antibraakmiddel onvoldoende effectief was. Tijdens het telefoongesprek dat partijen rond 22.30 uur hebben gevoerd, heeft klaagster gemeld dat de hond waterdunne ontlasting met veel bloed had en dat de hond nog steeds braakte, waarbij het braaksel meer bloed bevatte. Het college maakt hieruit op dat sprake was van een achteruitgang van de honds gezondheidstoestand. Wederom kan het college beklaagde niet volgen, gelet op wat hij zelf over het consult van 20.00 uur naar voren heeft gebracht, in zijn keuze klaagster desondanks (weer) niet uit te nodigen om met de hond langs te komen voor onderzoek. Door kenbaar te maken dat hij daarin geen aanleiding zag en hij het heeft gelaten bij een poging haar gerust te stellen, heeft beklaagde zich ten onrechte te afwachtend opgesteld. Dit leidt het college ertoe te oordelen dat beklaagde verwijtbaar nalatig heeft gehandeld door geen actie te ondernemen naar aanleiding van de telefoongesprekken die in de avond van 14 augustus hebben plaatsgevonden. Dit klachtonderdeel zal dan ook gegrond worden verklaard. Daaraan doet niet af dat klaagster tijdens het telefoongesprek van 21.30 uur niet uitdrukkelijk heeft gevraagd om met de hond langs te mogen komen.

5.8. Klaagster stelt in haar derde klachtonderdeel dat beklaagde niet goed heeft gehandeld tijdens het consult dat rond middernacht bij hem op de praktijk heeft plaatsgevonden. Het college overweegt dat uit de stukken naar voren is gekomen dat de hond toen niet meer kon opstaan en de praktijk binnen moest worden gedragen, sloom was en koorts had. Het toedienen door beklaagde van infusen en het direct doorverwijzen van de hond naar een kliniek voor verder onderzoek en 24-uurszorg, komt het college als een adequate behandeling voor. Klaagster heeft opgemerkt dat beklaagde nauwelijks aandacht heeft geschonken aan de foto’s van het bloed dat de hond rectaal had verloren, maar het college heeft geen aanwijzing dat dit de behandeling van de hond negatief heeft beïnvloed. Volgens klaagster heeft beklaagde evenmin gereageerd op de enorm dikke buik van de hond en ze verwijt hem dat hij geen actie daarop heeft ondernomen. Volgens beklaagde was zijn bevinding na onderzoek van de buik dat deze gevoelig, maar goed door te voelen was. Door deze uiteenlopende lezingen, en bij gebreke van overige informatie die steun biedt voor de lezing van een van beide partijen, is voor het college niet duidelijk geworden hoe de toestand van de buik van de hond was ten tijde van het nachtconsult bij beklaagde. Hierdoor is er onvoldoende basis om te kunnen bepalen of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortschieten door beklaagde op dit vlak. De omstandigheid dat in de kliniek (zie 3.7) op 15 augustus een grote maag is aangetroffen en dat daaruit twee liter bloederig vocht en veel gas zijn verwijderd, maakt dit niet anders. Dit klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

5.9. Het vierde en vijfde klachtonderdeel zien op het door beklaagde opgestelde patiëntendossier van de hond. Volgens klaagster was het patiëntendossier niet op orde, omdat dit onvolledig was, en heeft zij beklaagde om opheldering hierover verzocht. Vervolgens heeft beklaagde achteraf geprobeerd de situatie recht te zetten door het patiëntendossier aan te vullen, maar zijn de aanvullingen in strijd met de waarheid en ervaart zij deze als kwetsend, aldus klaagster.

5.10. Het college overweegt als volgt. Klaagster heeft erop gewezen dat het telefoongesprek van 22.30 uur in eerste instantie niet in het patiëntendossier stond. Het college heeft er begrip voor dat een dienstdoend spoeddierenarts niet elk telefoongesprek dat hij/zij in de avond of nacht heeft gevoerd – en dat zijn er volgens beklaagde doorgaans vele –, meteen in het patiëntendossier noteert. In dit geval heeft beklaagde het telefoongesprek van 22.30 uur alsnog toegevoegd aan het dossier en gesteld noch gebleken is dat de wijze waarop het erin is vermeld op enig bezwaar stuit. Daarmee biedt de vermelding van dit telefoongesprek in het patiëntendossier onvoldoende aanleiding om de klacht gegrond te verklaren. Klaagster heeft verder nog de volgende bezwaren over het patiëntendossier naar voren gebracht:

  1. Beklaagde heeft in strijd met de waarheid daarin aangevuld dat hij tijdens het consult van 20.00 uur de voorkeur heeft uitgesproken voor doorverwijzing van de hond naar een kliniek met 24-uurszorg.
  2. Beklaagde heeft daarin genoteerd dat de hond ten tijde van het consult rond middernacht alert was, terwijl de hond volgens klaagster toen niet meer aanspreekbaar was.
  3. Beklaagde heeft nagelaten daarin op te merken dat de hond een erg dikke buik had.

Wat de onder a en c genoemde bezwaren betreft, heeft het college hierboven (zie 5.4 respectievelijk 5.8) reeds besproken dat partijen hierover verschillende lezingen hanteren, die beide onvoldoende verifieerbaar zijn. De enkele omstandigheid dat beklaagde een andere lezing hanteert dan klaagster en deze al dan niet opneemt in het patiëntendossier, maakt nog niet dat het patiëntendossier daarmee een onwaarheid dan wel een onvolledigheid bevat. Hetzelfde geldt ten aanzien van het onder b genoemde bezwaar. Voor het college valt op basis van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting niet te achterhalen wie van beide partijen het gelijk aan haar/zijn zijde heeft over de precieze toestand van de hond tijdens dat consult.

5.11. Dat toevoegingen aan het patiëntendossier door klaagster als kwetsend zijn ervaren, kan niet bijdragen aan gegrondverklaring van de klacht, nu het college bevoegd is te oordelen over veterinair handelen door een diergeneeskundige en er geen aanwijzing is dat de diergeneeskundige zorg van beklaagde voor de hond hieronder heeft geleden. 

5.12. Dit alles leidt het college ertoe te concluderen dat de klacht gegrond zal worden verklaard voor zover dit betreft het hiervoor in 5.7 overwogene. Voor het overige is de klacht ongegrond. Na te melden maatregel wordt door het college passend en geboden geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht deels gegrond, zoals hiervoor onder 5.7 omschreven;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.
 

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J.A.M. van Gils en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.