ECLI:NL:TDIVTC:2025:33 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/78

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:33
Datum uitspraak: 11-09-2025
Datum publicatie: 26-02-2026
Zaaknummer(s): 2023/78
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond met schorsing
Inhoudsindicatie: Klachtambtenaarzaak. Dierenarts treft het verwijt meerdere keren Euthasol te hebben afgeleverd in strijd met de daarvoor geldende voorwaarden. [Klacht gegrond] Volgt voorwaardelijke schorsing voor één maand met een proeftijd van twee jaar.

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van

de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren ,

hierna: de klachtambtenaar,

tegen

de dierenarts [naam beklaagde] ,

hierna: beklaagde .

-------------------------------------------------------------------------------------------------

  1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Daarbij was mr. L. Schleeper aanwezig als gemachtigde van de klachtambtenaar. Beklaagde is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

  1. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten in de periode van 12 december 2020 tot en met 18 maart 2022 het UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddel Euthasol meerdere malen te hebben afgeleverd in strijd met de daarvoor geldende voorwaarden. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht, na ter zitting de verzochte maatregel te hebben verminderd, beklaagde voorwaardelijk te schorsen voor de duur van één maand.

  1. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Op 17 mei 2022 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) naar aanleiding van een anonieme melding, een inspectie uitgevoerd bij de Stichting Wildopvang in [plaatsnaam] (hierna: de wildopvang). Aldaar troffen zij in het kantoor in een kluis vier flacons (één onaangebroken en drie aangebroken) van 250 ml elk van het diergeneesmiddel Euthasol 20% (REG NL 3956; hierna: Euthasol) aan. Euthasol is een diergeneesmiddel dat geïndiceerd is voor het euthanaseren van bepaalde diersoorten en waarvan het werkzame bestanddeel een zeer sterk narcoticum is, dat giftig is wanneer het wordt ingeslikt en geabsorbeerd kan worden door de huid; zelfinjectie moet worden voorkomen en huidcontact moet worden vermeden, zo staat in de bijsluiter. Euthasol heeft de kanalisatie-/afleverstatus ‘UDD’, wat betekent dat het middel uitsluitend door de dierenarts mag worden toegediend en daarom niet rechtstreeks mag worden afgeleverd aan de houder van dieren. De kanalisatie/afleverstatus van een diergeneesmiddel wordt bepaald door de risico’s die het oplevert voor de volks- en diergezondheid, het dierenwelzijn en het milieu.

3.2. Op 17 mei 2022 heeft beklaagde tijdens een bezoek door toezichthouders van de NVWA, kenbaar gemaakt dat hij Euthasol levert aan de wildopvang met het oog op het zelf kunnen euthanaseren van kleinere vogels.

3.3. Uit op 18 en 20 mei 2022 aan de NVWA gezonden facturen die gericht waren aan de wildopvang en afkomstig waren van (de praktijk van) beklaagde, is gebleken dat door of namens beklaagde op een tiental data in de periode vanaf 22 december 2020 tot en met 18 maart 2022 telkens een flacon Euthasol van 250 ml aan de wildopvang is geleverd.

3.4 Op basis van een onderzoek volgend op een uitgevoerde inspectie heeft de NVWA op 13 maart 2023 een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De klachtambtenaar heeft daarop besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde in strijd heeft gehandeld met de regelgeving betrekking hebbend op het afleveren van een UDD-gekanaliseerd diergeneesmiddel en daarmee is tekortgeschoten in hetgeen van hem als diergeneeskundige mocht worden verwacht , waardoor schade voor de diergezondheidszorg kon ontstaan, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2 tweede lid van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid.

5.2. Euthasol kan als UDD-gekanaliseerd geneesmiddel uitsluitend worden afgeleverd door toepassing door een dierenarts. Toediening van dit middel door een ander dan een dierenarts en met het oog daarop afleveren van het middel aan en in voorraad hebben ervan door een ander dan een dierenarts, is dan ook verboden. Door dit wel te doen, wordt in strijd gehandeld met de handelsvergunning van dit middel waarin de UDD-status is opgenomen. Dit was in de periode van 12 december 2020 tot en met 18 maart 2022 waarin het handelen door beklaagde dient te worden beoordeeld geregeld:

  • tot 28 januari 2022 in artikel 2.19, lid 1, van de Wet dieren (oud) en artikel 2.17 van de Regeling diergeneesmiddelen in samenhang met artikel 5.8, aanhef en onder c, van het Besluit diergeneesmiddelen en;
  • met ingang van 28 januari 2022 in artikel 2.20, lid 1, en artikel 6.2, lid 1, van de Wet dieren in samenhang met artikel 1.14, onder aj. van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren in samenhang met artikel 106, leden 1 en 4, van de Verordening 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Verordening) in samenhang met (tot 11 maart 2022) artikel 5.8, aanhef en onder c, van het Besluit diergeneesmiddelen en (met ingang van 11 maart 2022) artikelen 5.3, lid 1, en 10.1, lid 1, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022.

5.3. Beklaagde heeft bevestigd dat hij jarenlang Euthasol heeft geleverd aan de wildopvang. Ter toelichting op zijn motief om dit te doen, heeft hij het volgende naar voren gebracht. Reeds voordat hij de dierenartspraktijk waarvoor hij thans werkzaam is in de jaren negentig overnam, werd Euthasol door de toenmalige dierenarts-praktijkeigenaar verstrekt aan de wildopvang. Beklaagde heeft gedurende vele jaren dieren behandeld voor de wildopvang. Ook wist hij dat veel dieren door de wildopvang op locatie worden behandeld. Er is bij de wildopvang grote behoefte om in geval van ondraaglijk lijden van de veelvuldig binnengebrachte dieren, in het uiterste geval zelf direct te kunnen overgaan tot het verlenen van euthanasie buiten aanwezigheid van een dierenarts, die niet op ieder moment bereikbaar en beschikbaar kan zijn. Beklaagde, die de wildopvang viermaal per jaar bezoekt, heeft de voorzitter/beheerder van de wildopvang en twee aldaar werkzame paraveterinairen diverse malen geïnstrueerd hoe ze verantwoord een vogel kunnen doen inslapen. Uitgangspunt was dat alleen deze personen een kleine vogel waarbij sprake was van ernstig lijden, zelf zouden mogen euthanaseren door Euthasol direct in de buikholte in te spuiten, uitsluitend in het geval een dierenarts niet of niet tijdig aanwezig zou kunnen zijn om dit te doen. Beklaagde is op verzoek van de voorzitter/beheerder Euthasol blijven verstrekken, welk middel bij de wildopvang werd opgeborgen in een afsluitbare kast waarvan alleen de voorzitter/beheerder de sleutel had. Weliswaar was voormelde manier van handelen niet in lijn met de strikte regelgeving op dit gebied, maar er waren genoeg waarborgen ingebouwd om ervoor te zorgen dat het middel verantwoord en snel zou kunnen worden gebruikt ter voorkoming van dierenleed, aldus beklaagde.

5.4. Het college overweegt dat de regelgeving over de UDD-kanalisatie van diergeneesmiddelen en de gevolgen die deze heeft voor het afleveren en toepassen van deze middelen, zeer stringent is. Euthanasiemiddelen hebben de classificatie UDD, omdat deze een grote impact hebben op het welzijn van het dier en het euthanasieproces zorgvuldig moet worden uitgevoerd, waarbij expertise nodig is voor een correcte toepassing van het middel, mede ter voorkoming van de veiligheidsrisico’s die dit voor de toediener kan hebben. Gesteld noch gebleken is dat in de kwestie die thans ter beoordeling aan het college voorligt, sprake is geweest van enige grond om van deze regelgeving te mogen afwijken. De door beklaagde genoemde omstandigheden kunnen geen rechtvaardiging bieden om in weerwil van deze regelgeving, Euthasol te mogen afleveren aan de wildopvang om deze zelf te kunnen toedienen. De regelgeving biedt aan beklaagde geen ruimte om naar eigen inzicht daarvan te kunnen afwijken.

5.5. Beklaagde heeft in zijn dupliek nog gewezen op het ‘Adviesrapport dodingsmethoden toepasbaar in wildopvangen door niet-dierenartsen’ van de Universiteit Utrecht van maart 2021 (hierna: het Adviesrapport) en de daaropvolgende Kamerbrief van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarin aandacht is besteed aan de belemmeringen die wildopvangen ervaren in geval van ondraaglijk lijden van de dieren die zij opvangen. Een van de oplossingsrichtingen in het Adviesrapport bij het toepassen van euthanasie in wildopvangen, zo heeft beklaagde toegelicht, is de zogenoemde ‘verlengde arm-constructie’. Daarbij zou een paraveterinair, zonder directe aanwezigheid van een dierenarts maar onder diens instructies en verantwoordelijkheid, bedwelmings- en euthanasiemiddelen moeten kunnen toedienen die normaliter uitsluitend door een dierenarts mogen worden toegepast. Volgens beklaagde heeft dit geleid tot de aanbeveling om medewerkers van een wildopvang een training te geven over euthanasiemethoden alvorens de bevoegdheid te verkrijgen om deze zelf toe te passen. Hoewel onduidelijk is wat de status is van de aanbevelingen uit het Adviesrapport, laten deze en de Kamerbrief zien dat het spanningsveld waarmee beklaagde geconfronteerd was bij de wildopvang, breed gedragen is en ook door het Ministerie wordt onderkend, aldus beklaagde. De klachtambtenaar heeft ter zitting verklaard dat het Adviesrapport en de Kamerbrief een verkenning bevatten van de mogelijkheden om dieren die onder de zorg van een wildopvangcentrum zijn, op een zo ‘humaan’ mogelijke wijze uit hun lijden te verlossen zonder tussenkomst van een dierenarts. Deze verkenning heeft nog niet tot enige wijziging van wet-/regelgeving geleid. In het Adviesrapport wordt ervan uitgegaan dat er bepaalde UDD-gekanaliseerde euthanasiemiddelen zijn, zoals Euthasol, die uitsluitend door een dierenarts mogen worden toegediend. Met het verkennen van de verlengde arm-constructie is uitdrukkelijk niet beoogd het toedienen van een euthanasiemiddel als Euthasol door een paraveterinair mogelijk te maken, aldus de klachtambtenaar. Het college overweegt dat het beroep van beklaagde op het Adviesrapport en de Kamerbrief, nu voornoemde wet-/regelgeving nog niet is gewijzigd, geen steun kan bieden aan het standpunt van beklaagde in deze procedure.    

5.6. Het voorgaande leidt het college tot het oordeel dat beklaagde is tekortgeschoten in hetgeen van hem als diergeneeskundige mocht worden verwacht en dat de klacht gegrond zal worden verklaard.

5.7. Bij het bepalen van de op te leggen maatregel neemt het college in de eerste plaats de aard van het middel Euthasol en de ernst van het gevaar dat kan ontstaan als de aan het toedienen ervan verbonden risico’s zich voordoen in aanmerking. Het leveren door beklaagde van het middel voor toediening door medewerkers van de wildopvang in strijd met daarvoor geldende wet- en regelgeving, heeft zich meermaals gedurende diverse jaren voorgedaan. Niet alleen kunnen de getroffen waarborgen waaronder beklaagde het leveren van dit middel acceptabel heeft geacht (zie hierboven 5.3) de leveringen niet rechtvaardigen, maar evenmin ziet het college er aanleiding in om dit als een verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen. Wat die waarborgen betreft heeft beklaagde aan de NVWA verklaard dat hij een nieuwe flacon Euthasol verstrekte als de vorige op was en dat de Euthasol wordt bewaard in een kluis waarvan alleen de voorzitter/beheerder van de wildopvang de sleutel heeft. Hiermee laat zich niet goed verenigen dat op de wildopvang naast één onaangebroken flacon, drie aangebroken flacons Euthasol zijn aangetroffen (zie 3.1), net zo min als de opmerking van de klachtambtenaar ter zitting dat de kluis was afgesloten met behulp van een cijferslot (waardoor eenieder die over de cijfercode beschikte zich toegang tot de kluis zou kunnen verschaffen). Ook heeft beklaagde verklaard dat er geen administratie wordt bijgehouden van de opiaten. Dit doet het college vermoeden dat beklaagde onvoldoende controle heeft uitgevoerd op de hoeveelheden Euthasol die daadwerkelijk zijn toegediend door de wildopvang. Tegenover dit alles staat dat beklaagde zich open en transparant heeft opgesteld in zowel het onderzoek door de NVWA als in deze klachtprocedure. Hij heeft zelfreflectie getoond en naar voren gebracht dat het hem gedurende de klachtprocedure duidelijk is geworden dat de kanalisatieregeling geen ruimte biedt om daarvan af te wijken en dat zijn handelwijze niet overeenkomstig wet- en regelgeving was. Beklaagde heeft gewezen op de lange periode tussen het bezoek van de NVWA op 17 mei 2022 (zie 3.2) en de toezending aan hem van het klaagschrift door de griffie van het college op 24 maart 2024. Volgens hem behoort er bij het opleggen van een maatregel rekening mee te worden gehouden dat hij al die tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de eventuele gevolgen van zijn handelen en met de impact die dit heeft gehad op zijn welbevinden en werkgeluk. Ter zitting heeft de klachtambtenaar gelet op deze lange periode, hoewel de oorzaak daarvan voornamelijk bij de NVWA en in mindere mate bij hem ligt, alsook de door beklaagde getoonde zelfreflectie, de duur van de verzochte maatregel gematigd van drie maanden naar één maand. Al met al acht het college de na te melden maatregel passend en geboden.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

schorst beklaagde voorwaardelijk in de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen voor een periode van één maand, met een proeftijd van twee jaar, overeenkomstig artikel 8.31, eerste lid, onderdeel e, in combinatie met het vijfde en zesde lid, van de Wet dieren, ingaande vanaf de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden .
 


Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. A.H.A. Steentjes en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025 .