ECLI:NL:TDIVTC:2025:32 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/46
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2025 |
| Datum publicatie: | 26-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/46 |
| Onderwerp: | Katten |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kat. Dierenarts wordt verweten dat zij de behandeling van de kat van klager onzorgvuldig heeft uitgevoerd, met het overlijden van de kat als gevolg, en dat er fouten in het patiëntendossier van de kat staan. [Klacht is ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klager], klager,
tegen
dierenarts [naam beklaagde], beklaagde.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Het college heeft op het daartoe strekkende verzoek van beklaagde, bevolen de zaak met gesloten deuren te behandelen; de door klager geuite bedreigingen zoals die uit het dossier naar voren zijn gekomen, waren voor het college een voldoende gewichtige reden voor dit bevel. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Daarbij waren aanwezig klager en dhr. drs. [naam], gemachtigde van beklaagde, vergezeld van mw. [naam], paraveterinair en assistent praktijkmanager van de praktijk. Beklaagde is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat zij de behandeling van de kat van klager onzorgvuldig heeft uitgevoerd, met het overlijden van de kat als gevolg, en dat er fouten in het patiëntendossier van de kat staan.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. De kat van klager waar het in deze zaak om gaat, is een poes met de naam [naam
kat] (hierna: de kat) die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure
hebben geleid circa een jaar oud was.
3.2. Op 1 mei 2024 is klager om 9.00 uur met de kat naar de praktijk van beklaagde
gegaan om de kat te laten steriliseren en chippen. Een collega dierenarts van beklaagde
heeft anamnese afgenomen en preanesthetisch onderzoek uitgevoerd bij de kat. Klager
heeft de kat achtergelaten en hij zou haar in de loop van de middag weer kunnen komen
ophalen.
3.3. Beklaagde heeft de operatie uitgevoerd bij de kat. Volgens het patiëntendossier van de kat waren er tijdens de inductie en gedurende de operatie geen bijzonderheden, maar trad aan het einde van de operatie een hart- en ademstilstand op. Inspanningen om de kat te reanimeren hebben geen effect gehad.
3.4. Rond 11.00 uur is vanuit de praktijk van beklaagde telefonisch gemeld aan klager dat de kat was overleden. Er is met klager gesproken over het altijd aanwezige narcoserisico en een hartafwijking is als vermoedelijke doodsoorzaak genoemd. De echtgenote van klager is in de middag nog naar de praktijk van beklaagde gegaan om uitleg te verkrijgen. De praktijk van beklaagde heeft aangeboden een sectie te laten uitvoeren op kosten van de praktijk om de doodsoorzaak van de kat vast te stellen, maar klager heeft dit geweigerd.
3.5. Op enig moment hierna is klager de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.2. Het college zal hieronder de verschillende onderdelen van de klacht afzonderlijk behandelen en beoordelen.
5.3. Klager stelt dat de kat gelet op haar verhoogde hartslag die tijdens het preanesthetisch onderzoek was geconstateerd, eerst tot rust had moeten worden gebracht, alvorens over te gaan tot het toedienen van de narcose en het opereren van de kat. Beklaagde heeft dit niet gedaan, maar is al gauw begonnen met het uitvoeren van de sterilisatie, wat onzorgvuldig was van haar en heeft geleid tot het overlijden van de kat door een hartstilstand, aldus klager.
5.4. Beklaagde heeft betoogd dat weliswaar sprake was van een verhoogde hartslag bij de kat, maar dat dit als normaal heeft te gelden, nu de meeste dieren een onderzoek bij de dierenarts spannend vinden. De kat had een hartfrequentie die met minder dan 180 slagen per minuut onder de referentiewaarde lag, terwijl er geen afwijkingen bij de kat zijn geconstateerd, zodat geen sprake was van een verontrustende situatie, aldus beklaagde.
5.5. Het college overweegt dat een verhoogde hartslag geen indicatie hoeft te zijn voor een onderliggend medisch probleem bij het dier. Beklaagde heeft de verhoogde hartslag niet als zorgelijk hoeven opvatten met het oog op het in gang zetten en uitvoeren van de operatie bij de kat en het in verband daarmee onder narcose brengen van de kat. Door de kat te gaan opereren zoals zij heeft gedaan nadat de verhoogde hartfrequentie bij de kat was geconstateerd, heeft beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar onzorgvuldig gehandeld. Daarbij merkt het college nog op dat niet helder is wat de doodsoorzaak van de kat was, nu er geen sectie is uitgevoerd die duidelijkheid daarover had kunnen bieden. Klager heeft het uitvoeren van een sectie geweigerd, terwijl de praktijk van beklaagde had aangeboden deze op kosten van de praktijk te laten verrichten. Dit onderdeel van de klacht zal dan ook ongegrond worden verklaard.
5.6. Klager heeft beklaagde verweten dat zij, alvorens tot de sterilisatie over te gaan, niet eerst het hart van de kat heeft onderzocht. Hij heeft dit gebaseerd op de vanuit de praktijk van beklaagde aan zijn echtgenote gedane mededeling (zie 3.4) dat de kat een Blauwe Rus was en dat katten van dat ras vaak een zwak hart hebben. De kat was een kruising tussen een Blauwe Rus en een Britse Korthaar, dus als beklaagde dit voorafgaand aan de operatie had geweten, dan had de operatie pas mogen worden uitgevoerd nadat eerst hartonderzoek had plaatsgevonden, aldus klager.
5.7. Het college overweegt dat, nu uit de anamnese en het preanesthetisch onderzoek geen afwijkingen bij de kat naar voren zijn gekomen die problematisch zouden kunnen zijn voor een narcose, het beklaagde vrij stond om de operatie van de kat in gang te zetten. Weliswaar zijn Blauwe Russen vaker vatbaar voor hartproblemen, maar ook als beklaagde had geweten dat de kat een kruising van onder andere een Blauwe Rus was – waarover hieronder -in 5.8 meer –, dan had dit voor beklaagde geen aanleiding hoeven vormen om nader onderzoek naar de conditie van de kat’s hart geïndiceerd te achten en daarover met klager te spreken alvorens tot de sterilisatie van de kat over te gaan. Ook dit onderdeel van de klacht zal dus ongegrond worden verklaard.
5.8. Klager heeft nog enkele onjuistheden in het patiëntendossier van de kat aan de orde gesteld. Daarin staat volgens hem ten onrechte dat de kat een Britse Korthaar was en klager vermoedt dat de oorzaak hiervan is dat de praktijk van beklaagde de kat heeft verward met een andere kat van hem, die wel een Britse Korthaar is. Beklaagde heeft toegelicht dat de kat als Britse Korthaar in het dossier is vermeld, omdat de uiterlijke kenmerken van de kat een kruising Britse Korthaar het meest benaderen. Er is nooit benoemd dat de kat een Blauwe Rus is en de kat had niet de uiterlijke kenmerken van een Blauwe Rus, aldus beklaagde. Het college constateert dat partijen elkaar tegenspreken over wat er is verklaard, maar kan volgen hoe het is gekomen dat de kat als Britse Korthaar vermeld staat in haar patiëntendossier en voor zover het ras van de kat niet helemaal correct daarin is aangeduid, ziet het college daarin onvoldoende aanleiding dit aan te merken als tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortschieten door beklaagde. Ook heeft beklaagde naar het oordeel van het college voldoende toegelicht wat er de oorzaak van is dat de tijd die in het patiëntendossier is vermeld bij de kat’s operatie, afwijkt van de tijd waarop de kat daadwerkelijk is geopereerd. Daarover heeft beklaagde opgemerkt dat tijdens de operatie alle medische gegevens worden bijgehouden op een papieren opnamekaart die bij de patiënt blijft en leidend is voor de behandeling. Als de operatie vervolgens wordt verwerkt in het patiëntenregistratiesysteem, dan komt daarin het tijdstip van registratie te staan.
5.9. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het college geen sprake geweest van een veterinair tekortschieten door beklaagde op basis van de door klager tegen haar ingediende klacht. De klacht zal dan ook ongegrond worden verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J.A.M. van Gils en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.