ECLI:NL:TDIVTC:2025:31 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/76
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-07-2025 |
| Datum publicatie: | 26-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2023/76 |
| Onderwerp: | Katten |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kat. Dierenarts wordt verweten dat zij nalatig en onzorgvuldig is geweest bij het behandelen van de kat van klaagster, wat heeft geresulteerd in de dood van het dier, waarvoor klaagster de dierenarts verantwoordelijk houdt. [Klacht is ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klaagster], klaagster,
tegen
dierenarts [naam beklaagde], beklaagde.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Daarbij was beklaagde aanwezig, vergezeld van mr. E.J. Brouwer-Van Vliet. Klaagster is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat zij nalatig en onzorgvuldig is geweest bij het behandelen van de kat van klaagster op diverse dagen in augustus 2023, wat heeft geresulteerd in de dood van het dier, waarvoor klaagster beklaagde verantwoordelijk houdt.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. De kat van klaagster waar het in deze zaak om gaat, is een kater met de naam
[naam kat] (hierna: de kat) die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige
procedure hebben geleid ruim twee jaar oud was.
3.2. Op 21 augustus 2023 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de praktijk
van beklaagde, omdat de kat snel ademde en futloos was. Zelf was klager reeds gestart
met het geven van een halve dosering van de medicijnen van de vorige ademhalingscrisis.
Volgens klaagster heeft de assistent met wie zij heeft gesproken – na overleg met
een dierenarts –, afwijzend gereageerd op haar vraag of de kat opgenomen zou kunnen
worden, maar is aangeboden medicijnen te komen halen, van welk aanbod klaagster gebruik
heeft gemaakt.
3.3. Op 22 augustus 2023 is klaagster vanwege het uitblijven van verbetering van de kats toestand met de kat op consult geweest bij beklaagde. Zij heeft het bloed van de kat onderzocht. De kat is op advies van beklaagde opgenomen op de praktijk.
3.4. Op 23 augustus 2023 heeft de assistent van de praktijk volgens klaagster telefonisch kenbaar gemaakt dat het goed ging met de kat, dat hij goed at en zijn temperatuur keurig vasthield, en dat de kat in de middag kon worden opgehaald. Bij het ophalen lag de kat slechts in de reismand en na thuiskomst meende klaagster dat de toestand van de kat vergelijkbaar was met die van de dag ervoor: hij was slap en wilde niets eten. Klaagster heeft contact opgenomen met de praktijk en geïnformeerd naar de bloedwaarden. In de avond, toen de kat nog steeds niet had gegeten, heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de dienstdoende spoeddierenarts.
3.5. Op 24 augustus 2023 heeft klaagster meerdere malen gebeld met de praktijk, omdat de temperatuur van de kat erg was gedaald en de kat nog steeds nauwelijks at. Ze is telkens door assistenten te woord gestaan. Volgens klaagster heeft zij bij herhaling gevraagd met beklaagde te mogen spreken, maar is het daar niet van gekomen.
3.6. Op 25 augustus 2023 is de kat overleden. Klaagster heeft het aan de praktijk van beklaagde gemeld en heeft daarna nog diverse malen telefonisch contact opgenomen met de praktijk.
3.7. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.2. Allereerst stelt klaagster dat beklaagde op de momenten waarop zij de kat heeft behandeld, niet een gedifferentieerd gezelschapsdierenarts was. Zij heeft daartoe gewezen op de website van de praktijk van beklaagde, waarop beklaagde – anders dan de andere daarop vermelde gezelschapsdierenartsen – toen niet als zodanig aangeduid heeft gestaan. Het college volgt klaagster hierin niet, nu beklaagde heeft verklaard dat zij haar master ‘Geneeskunde van Gezelschapsdieren’ heeft behaald en dat zij ten tijde van de behandeling van de kat al meerdere jaren werkzaam was als gezelschapsdierenarts. Bovendien heeft beklaagde toegelicht dat op de website de aanduiding ‘gedifferentieerd gezelschapsdierenarts’ ontbrak bij haar naam, omdat de website toen niet was geüpdatet, hetgeen later alsnog is gebeurd.
5.3. Het college zal hieronder de onderdelen van de klacht die betrekking hebben op de behandeling van de kat, per afzonderlijke datum achtereenvolgens behandelen.
5.4. Klaagster stelt dat er op 21 augustus ten onrechte afwijzend is gereageerd op haar (telefonische) verzoek om de kat met het oog op zijn klachten op te nemen teneinde de kat te onderzoeken. Volgens klaagster is er toen zonder eerst een diagnose te stellen, geadviseerd om de (zware) medicatie voor de kat aanzienlijk te verhogen en kon zij deze zomaar komen ophalen op de praktijk. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij het niet was die de kat op 21 augustus heeft behandeld en dat zij op die dag niet aanwezig was op de praktijk. Nu klaagster niet heeft gesteld dat beklaagde op 21 augustus wel betrokken is geweest bij de behandeling van de kat noch anderszins daarvan is gebleken, houdt het college het ervoor dat, voor zover er bezwaren zijn over de behandeling van de kat op die dag, deze niet op beklaagde zien. Ten aanzien van deze bezwaren kan beklaagde dan ook niet tuchtrechtelijk een verwijt worden gemaakt.
5.5. Op 22 augustus heeft beklaagde de kat bij haar op de praktijk gezien tijdens een consult. Klaagster stelt dat beklaagde de kat toen even heeft geaaid en naar zijn voorgeschiedenis heeft gekeken, maar verder geen onderzoek heeft uitgevoerd en direct heeft geadviseerd de kat op te nemen. Beklaagde stelt dat het haar bij binnenkomst van de kat direct opviel dat de kat erg koud en sloom was en dat zij vervolgens in het bijzijn van klaagster algemeen onderzoek heeft verricht. Volgens haar heeft zij toen geconstateerd dat de kat bleke slijmvliezen, veel vlooien, een lichaamstemperatuur van 35,6 graden en een snelle, licht verscherpte ademhaling had. Wel heeft zij het vanwege de lage temperatuur al gauw nodig geacht de kat op te nemen, aldus beklaagde.
5.6. Het college constateert dat partijen elkaar tegenspreken over waaruit het door beklaagde op 22 augustus voorafgaand aan de opname uitgevoerde onderzoek heeft bestaan, terwijl de stukken van het dossier onvoldoende opheldering hierover verschaffen. Hierdoor is klaagster er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat beklaagde de kat toen in ontoereikende mate heeft onderzocht.
5.7. Wel is vast komen te staan dat beklaagde op 22 augustus het bloed van de kat heeft onderzocht. Daaruit is volgens beklaagde naar voren gekomen dat de hematocriet laag was en het ureumgehalte iets verhoogd was, terwijl de overige nierwaarden niet waren gestegen. Zij heeft de (differentiaal)diagnose anemie (bloedarmoede) gesteld, die regeneratief was en waarschijnlijk is veroorzaakt door de vele aanwezige vlooien. Beklaagde heeft toegelicht dat ze, nadat de kat was opgenomen, maatregelen heeft genomen om de kat op te warmen en de vlooieninfectie te bestrijden. Deze behandeling komt het college niet verkeerd voor.
5.8. Klaagster heeft beklaagde nog verweten dat zij geen röntgenfoto van de kat heeft gemaakt. Het college overweegt dat beklaagde geen aanleiding had hoeven zien om daartoe over te gaan, noch op basis van de door klaagster genoemde omstandigheden dat de kat in het verleden luchtwegproblemen heeft gehad en beklaagde een snelle, licht verscherpte ademhaling had geconstateerd, noch anderszins.
5.9. Dit leidt ertoe dat de onderdelen van de klacht voor zover deze betrekking hebben op 22 augustus ongegrond zullen worden verklaard.
5.10. Op 23 augustus is vanuit de praktijk van beklaagde telefonisch gemeld aan klaagster dat het beter ging met De kat en dat zij de kat zou kunnen komen ophalen (zie 3.4). Na de kat in de middag te hebben opgehaald, heeft klaagster geconstateerd dat de toestand van de kat niet was verbeterd ten opzichte van vóór de opname op 22 augustus. Volgens klaagster heeft zij diverse malen hierover contact gehad met de praktijk. Er is haar geadviseerd om, ondanks dat was gebleken dat de bloedwaarden erg laag waren, de kat warm te houden in zijn vertrouwde omgeving. Verder is klaagster, omdat de kat niet wilde eten, in overleg met de praktijk speciaal voer komen ophalen. Bovendien vond de in de avond geraadpleegde dienstdoende (spoed)dierenarts, die niet op de hoogte was van het dossier van de kat, de door klaagster beschreven symptomen niet passend bij bloedarmoede. Deze arts meende dat het niet schadelijk zou zijn als de kat een nachtje niet had gegeten. Al met al heeft klaagster er vraagtekens bij geplaatst of het verantwoord was om de kat zo kort na te zijn opgenomen, gelet op zijn toestand, alweer naar huis te laten gaan.
5.11. Vast is komen te staan, zo overweegt het college, dat beklaagde op 23 augustus vrij was en niet aanwezig was op de praktijk. Volgens beklaagde heeft zij de kat op die dag niet behandeld: een collega van haar heeft toen besloten dat de kat weer naar huis kon gaan om daar verder te herstellen. Klaagster heeft niet gesteld dat beklaagde op 23 augustus op enigerlei wijze betrokken is geweest bij dit besluit of bij andere op die dag gegeven adviezen en van beklaagdes betrokkenheid daarbij is evenmin anderszins gebleken. Duidelijk is dat het in de avond gegeven advies afkomstig is van een andere dierenarts. Ook ten aanzien van de bezwaren van klaagster over de behandeling van de kat op 23 augustus kan beklaagde dan ook niet tuchtrechtelijk een verwijt worden gemaakt.
5.12. Klaagster stelt dat zij op 24 augustus vijf maal met de praktijk van beklaagde heeft gebeld, omdat de lichaamstemperatuur van de kat drastisch daalde en de kat nog altijd nauwelijks at. Volgens haar heeft zij bij herhaling verzocht met beklaagde te mogen spreken, maar telkens bleek dit niet mogelijk te zijn. In plaats daarvan heeft zij van de diverse praktijkassistenten die zij heeft gesproken, verschillende adviezen gekregen, die zij soms gevaarlijk zo niet vreemd vond, aldus klaagster.
5.13. Het college overweegt dat de lezingen van partijen over hoe het is gelopen op 24 augustus, op diverse punten uiteenlopen. Wel is duidelijk dat klaagster op die dag meermaals heeft gebeld en door assistenten te woord is gestaan. Beklaagde heeft weersproken dat klaagster toen telkens heeft verzocht – en in ieder geval is dit haar toen niet ter ore gekomen – uitdrukkelijk met haar te willen spreken. Hiervan is het college ook niet gebleken uit de stukken van het dossier. Wel staat in het patiëntendossier dat klaagster op 24 augustus een voor beklaagde bestemde vraag heeft gesteld. Beklaagde heeft toegelicht dat zij toen heeft bemerkt dat deze vraag al was opgepakt en beantwoord door een collega-dierenarts die de kat eerder had gezien en dat het antwoord door de assistent met klaagster was besproken. Volgens beklaagde kon zij zich vinden in dat antwoord en meende zij dat de vraag van klaagster daarmee in voldoende mate was afgehandeld. Het college kan beklaagde hierin volgen.
5.14. Beklaagde stelt dat de praktijkassistenten tijdens elk telefoongesprek in overleg met haar aan klaagster hebben aangeboden, en er ook bij haar op hebben aangedrongen, om met de kat langs te komen voor controle en opname van de kat. Er heeft volgens beklaagde een afspraak in de agenda gestaan om de kat op te nemen, maar deze is door klaagster afgezegd. Klaagster heeft dit alles weersproken.
5.15. Het college heeft in het patiëntendossier gezien dat op 24 augustus vanuit de praktijk aan klaagster is gevraagd of het lukte de medicatie toe te dienen en zo daarvan geen sprake was, dan zou ze de kat weer kunnen komen brengen voor opname. Klaagster zou daarop kenbaar hebben gemaakt dat het toedienen van medicatie prima ging. Vervolgens is met klaagster gesproken over het geven van dwangvoer aan de kat. Als klaagster er niet in zou slagen de kat te dwangvoeren, dan zou klaagster weer kunnen bellen en zou de kat weer kunnen worden opgenomen om weer aan te sterken. Klaagster heeft in haar repliek te kennen gegeven dat zij hierin is geslaagd. Volgens het patiëntendossier is vervolgens uit een telefoongesprek met klaagster naar voren gekomen dat de kats temperatuur weer laag was, dat het klaagster niet lukte de kat thuis op te warmen en dat de kat pas om 13.00 uur zou kunnen worden gebracht. Tijdens een later gesprek is aan de orde geweest dat de kat nog niet zou worden gebracht, omdat klaagster de kat onder een warmtelamp heeft gelegd en de kat al warmer werd. Klaagster zou de temperatuur in de gaten houden en als het niet beter gaat, dan zou ze de kat alsnog naar de praktijk brengen, zo staat in het patiëntendossier. Het college overweegt dat het patiëntendossier in zoverre steun biedt voor het standpunt van beklaagde: op 24 augustus is er diverse malen gelegenheid is geboden aan klaagster om met de kat langs te komen op de praktijk. Hierdoor acht het college niet aannemelijk dat klaagster – zoals zij stelt – in plaats van met beklaagde te mogen spreken, slechts is afgescheept met adviezen van praktijkassistenten.
5.16. Dit leidt ertoe dat de onderdelen van de klacht voor zover deze betrekking hebben op 24 augustus ongegrond zullen worden verklaard.
5.17. Enkele door klaagster geuite bezwaren zien op de periode na het overlijden van de kat op 25 augustus. Voor zover deze niet betrekking hebben op beklaagde, maar op andere bij haar praktijk betrokkenen, vallen deze buiten het bestek van deze tuchtprocedure. Klaagster stelt dat beklaagde weigerachtig is gebleven te voldoen aan diverse verzoeken van klaagster om contact met haar op te nemen en haar te woord te staan. Hierdoor heeft beklaagde haar laten zitten met vele onbeantwoorde vragen, verdriet en woede, aldus klaagster. Het college overweegt dat het over bezwaren die gaan over de wijze waarop beklaagde met ingang van 25 augustus als diergeneeskundige is opgetreden, niet kan oordelen, omdat het veterinair tuchtrecht uitsluitend betrekking heeft op de zorg voor levende dieren. Daarnaast is het college niet bevoegd te oordelen over klachten die zien op de communicatie met en bejegening van klaagster, nu deze niet onder het bereik van de Wet dieren vallen. Dit leidt ertoe dat geen van haar bezwaren over de periode met ingang van 25 augustus een gegronde klacht jegens beklaagde kunnen opleveren.
5.18. Klaagster heeft nog gesteld dat zij slecht is geïnformeerd over de toestand van de kat, maar het college overweegt dat zij onvoldoende heeft toegelicht hoe beklaagde hierin zou zijn tekortgeschoten op de momenten waarop zij de kat heeft behandeld, terwijl beklaagde naar voren heeft gebracht dat zij op 22 augustus aan klaagster heeft gemeld dat de kat een ernstige anemie had die waarschijnlijk door de vele vlooien was veroorzaakt en dat de opname van de kat in overleg met klaagster heeft plaatsgevonden.
5.19. Verder heeft klaagster opgemerkt dat beklaagde althans haar praktijk het patiëntendossier van de kat op een later moment heeft aangevuld en veranderd. Het college constateert dat in het door klaagster bij haar klaagschrift ingediende patiëntendossier, de laatste beschreven activiteit van 25 augustus 2023 is. In het door beklaagde ingediende patiëntendossier zijn ook door haar praktijkgenoten op 28 augustus en 6 september 2023 met klaagster gevoerde telefoongesprekken en het downloaden op 11 september 2023 van de opnamekaart door een praktijkgenoot vermeld. In deze verschillen ziet het college geen aanleiding om beklaagde daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken.
5.20. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het college geen sprake geweest van een veterinair tekortschieten door beklaagde op basis van de verschillende onderdelen van de door klager tegen haar ingediende klacht. De klacht zal dan ook ongegrond worden verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J.A.M. van Gils en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.