ECLI:NL:TDIVTC:2025:29 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/80
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:29 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-07-2025 |
| Datum publicatie: | 26-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2023/80 |
| Onderwerp: | Katten |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kat. Dierenarts wordt verweten dat zij ten onrechte heeft geadviseerd een bloedonderzoek uit te voeren bij een stervende kat en dat zij is doorgegaan met het uitvoeren van dit onderzoek in weerwil van protest daartegen. [Klacht is ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klaagster], klaagster,
tegen
dierenarts [naam beklaagde], beklaagde.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Klaagster was daarbij aanwezig, vergezeld door dhr. [naam]. Beklaagde is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat zij ten onrechte heeft geadviseerd een bloedonderzoek uit te voeren bij een stervende kat en dat zij is doorgegaan met het uitvoeren van dit onderzoek in weerwil van protest daartegen.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. De kat waar het in deze zaak om gaat, is een poes met de naam [naam kat] (hierna: de kat) die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna negentien jaar oud was. De zoon van klaagster, dhr. [naam zoon], is de eigenaar van de kat, maar de kat is gedurende de laatste drie jaren verzorgd door klaagster.
3.2. Op 19 april 2023 zijn klaagster en haar zoon met de kat op consult geweest bij beklaagde, omdat de kat nauwelijks nog at en erg was afgevallen, niet meer plaste en poepte en wankel op haar poten stond. Beklaagde heeft anamnese afgenomen en een klinisch onderzoek verricht. Daaruit kwam voor beklaagde ernstig nierfalen als belangrijkste verdenking naar voren. Zij heeft daarop bloedonderzoek geadviseerd om de diagnose en prognose helder te krijgen. Beklaagde heeft de bloedafname in het bijzijn van klaagster en haar zoon uitgevoerd. In afwachting van de uitslag van het bloedonderzoek zijn klaagster en haar zoon met de kat naar huis gegaan.
3.3. Het bloedonderzoek heeft bevestigd dat sprake is van ernstig (acuut) nierfalen, waarbij gelet op de kats vergevorderde leeftijd een vrij uitzichtloze prognose hoorde. Beklaagde heeft dit telefonisch doorgegeven aan de zoon van klaagster en geadviseerd de kat op korte termijn te laten euthanaseren.
3.4. Op 20 april 2023 heeft een andere dierenarts dan beklaagde de kat bij klaagster thuis in het bijzijn van klaagster en haar zoon geëuthanaseerd.
3.5. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. Klaagster is niet de eigenaar van de kat, maar omdat zij ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid gedurende drie jaren voor de kat had gezorgd, acht het college haar voldoende rechtstreeks belanghebbend bij haar klacht over de wijze waarop beklaagde de kat heeft behandeld. Hierdoor kan klaagster door het college worden ontvangen in haar klacht.
5.2. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Klaagster stelt dat beklaagde gezien de toestand van de kat – de kat was hoogbejaard en lichamelijk in een slechte conditie –, niet een bloedonderzoek had mogen adviseren. Daarmee heeft ze aangestuurd op een behandeling van de kat, terwijl er eigenlijk geen uitzicht op mogelijk herstel bestond, omdat de kat stervende was. Hierdoor was een bloedonderzoek overbodig en had dit de kat bespaard moeten blijven, aldus klaagster.
5.4. Het college overweegt als volgt. Ter zitting heeft klaagster verklaard dat ze een afspraak met de praktijk van beklaagde had gemaakt voor een consult, omdat de kat ziek was en ze met de kat langs wilde komen. Vast is komen te staan dat de hulpvraag waarmee klaagster bij beklaagde kwam, was om vast te stellen of de kat nodeloos pijn leed en hoe beklaagde deze zou kunnen verzachten voor de kat. Tegen deze achtergrond acht het college begrijpelijk en in lijn met de van haar verlangde zorgvuldigheid dat beklaagde, nadat zij de kat lichamelijk had onderzocht, wat bij haar de verdenking van ernstig nierfalen heeft doen ontstaan, een bloedonderzoek heeft geadviseerd om een heldere diagnose en prognose te verkrijgen. Klaagster heeft naar voren gebracht dat bij haar een andere verwachting leefde: de kat was overduidelijk stervende – om dat te bepalen was geen onderzoek nodig – en dan behoor je niet aan te sturen op behandeling; de kat verdiende het om vredig in te slapen. Voor het college is duidelijk geworden dat deze verwachting evenwel niet aan beklaagde is overgebracht. Ook de wens tot het (eventueel) euthanaseren van de kat is niet aan beklaagde kenbaar gemaakt. Het advies van beklaagde om een bloedonderzoek uit te voeren, kan hierom niet leiden tot gegrondverklaring van de klacht tegen haar.
5.5. Klaagster heeft daarnaast bezwaren geuit over de uitvoering van het bloedonderzoek door beklaagde. Volgens beklaagde is er ingestemd met het verrichten van dit onderzoek en dit is, zo overweegt het college, onvoldoende betwist door klaagster: ze heeft uitgesproken te denken dat het haar zoon was die met het bloedonderzoek heeft ingestemd, maar ze kan zich niet herinneren hoe het onderzoek tijdens het consult met beklaagde ter sprake is gekomen. Het college houdt het er dan ook op dat toestemming voor dit onderzoek is gegeven. Volgens klaagster heeft beklaagde het bloedonderzoek verricht door eerst vier maal in de rechterzijde van de hals van de kat te prikken en vervolgens drie maal in de linkerzijde van haar hals. Zij is op deze wijze blijven doorgaan met prikken, ondanks herhaalde verzoeken van klaagster en haar zoon om daarmee te stoppen. Volgens beklaagde waren er meerdere pogingen nodig om voldoende bloed af te nemen voor onderzoek, omdat de kat behoorlijk gedehydrateerd was. Beklaagde heeft betwist dat haar bij het verrichten van het bloedonderzoek meerdere malen is gevraagd daarmee te stoppen. Het college kan begrijpen dat het vanwege de lichamelijke toestand van de kat nodig was meerdere pogingen te doen voor een voldoende bloedafname. Gesteld noch gebleken is dat de kat tekenen gaf dat zij het bloedonderzoek als pijnlijk of hinderlijk heeft ervaren, terwijl de bloedafname volgens beklaagde rustig en zonder verzet van of overmatige stress bij de kat is verlopen. Partijen spreken elkaar erover tegen of klaagster en haar zoon tijdens het uitvoeren van het bloedonderzoek beklaagde al dan niet uitdrukkelijk hebben gevraagd om met dit onderzoek te stoppen. Nu de stukken er evenmin duidelijkheid over bieden wie van partijen op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft, acht het college onvoldoende grond aanwezig om er een tuchtrechtelijk verwijt jegens beklaagde op te kunnen baseren. Hierom kan het bezwaar van klaagster over de uitvoering van het bloedonderzoek door beklaagde, ook niet leiden tot gegrondverklaring van de klacht.
5.6. Klaagster heeft verder als bezwaarlijk ervaren dat beklaagde niet open heeft gestaan voor een gesprek over verschillende vragen waarmee zij na het overlijden van de kat was blijven zitten. Ook heeft zij geklaagd over de ontkennende houding die beklaagde in haar schriftelijke uitingen heeft ingenomen en over de uitingen van beklaagde over de voor de behandeling van de kat in rekening gebrachte bedragen. Het college overweegt dat het niet bevoegd is om te oordelen over deze grieven die zien op de communicatie met en bejegening van klaagster en die geen invloed hebben gehad op de zorg voor de kat en daarmee niet onder het bereik van het veterinair tuchtrecht vallen. Ten overvloede wijst het college erop dat klachten over (de hoogte van) de rekening eveneens buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen.
5.7. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het college geen sprake geweest van een veterinair tekortschieten door beklaagde op basis van de verschillende onderdelen van de door klaagster tegen haar ingediende klacht. De klacht zal dan ook ongegrond worden verklaard.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. A.H.A. Steentjes en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.