ECLI:NL:TDIVTC:2025:28 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/53
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-09-2025 |
| Datum publicatie: | 26-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2023/53 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Gegrond met boete |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten bij de behandeling van plasproblemen van een hond en in de nazorg volgend op een operatieve verwijdering van blaasstenen, diverse fouten te hebben gemaakt, die tot de dood van de hond hebben geleid. [Klacht gegrond.] Volgt geldboete van € 500 en een voorwaardelijke schorsing voor drie maanden met een proeftijd van twee jaar. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klaagster] , klaagster,
tegen
dierenarts [naam beklaagde] , beklaagde.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Klaagster was daarbij aanwezig, vergezeld van een vriendin. Beklaagde is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat zij bij het behandelen van de plasproblemen van de hond van klaagster en in de nazorg volgend op een door haar uitgevoerde operatieve verwijdering van blaasstenen, diverse fouten heeft gemaakt, die tot de dood van de hond hebben geleid. Ook verwijt klaagster beklaagde dat het patiëntendossier van haar hond niet op orde is.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. De hond van klaagster waar het in deze zaak om gaat, is een Rottweiler (reu) met de naam [naam hond] (hierna de hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ruim anderhalf jaar oud en woog toen 63 kilogram .
3.2. Beklaagde is de enige dierenarts in haar eigen praktijk. De klantenbalie van de praktijk bevindt zich in een dierenspeciaalzaak, waar ook een dierentrimsalon is gevestigd. Achter de dierenspeciaalzaak is de praktijkruimte gelegen.
3.3. Op 19 juni 2023 is klaagster – zonder de hond – naar de praktijk van beklaagde gegaan, nadat zij had bemerkt dat de hond slechts een klein straaltje plaste. Op verzoek van de assistente heeft zij urine van de hond aangeleverd. Op dezelfde dag is er antibiotica voorgeschreven voor de hond. Twee dagen later is telefonisch kenbaar gemaakt aan klaagster, nadat zij navraag hiernaar had gedaan, dat een andere dosering antibiotica moest worden toegediend dan op de verpakking was vermeld.
3.4. Aangezien de hond nog steeds moeilijk/weinig plaste, is op 28 juni 2023 onder narcose een echo- en röntgenonderzoek uitgevoerd door beklaagde, waarbij blaasstenen zijn geconstateerd in de blaas. Beklaagde heeft geadviseerd de blaasstenen operatief te verwijderen en de hond op dieetvoeding te zetten.
3.5. Op 30 juni 2023 is de hond rond 9.30 uur geopereerd om de blaasstenen te verwijderen. Nadat rond 12.00 uur aan klaagster was gemeld dat de operatie geslaagd was, is zij naar de praktijk van beklaagde gegaan. Beklaagde en haar assistente hebben de praktijk verlaten vanwege een afspraak elders. Klaagster heeft toezicht gehouden op de hond, die volgens haar nog niet wakker was geworden en pas rond 15.45 uur weer in de benen was gekomen, waarna het is gelukt om de hond in de auto van klaagster te krijgen en mee naar huis te nemen.
3.6. Op 1 juli 2023 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met beklaagde, omdat de hond veel bloed plaste. Volgens beklaagde was dit niet direct zorgelijk gelet op de ingreep van de vorige dag en diende klaagster het die dag aan te kijken.
3.7. Op zondag 2 juli 2023 heeft klaagster contact opgenomen met beklaagde, omdat het plassen van de hond nog steeds niet ging. Volgens klaagster heeft zij medicatie gekregen voor het ontspannen van de honds blaas, die zij tweemaal daags zelf diende te injecteren in de nek van de hond. Op deze dag heeft beklaagde de hond opgenomen en met haar mee naar huis genomen.
3.8. In de ochtend van 3 juli 2023 is door (de assistente van) beklaagde aan klaagster gemeld dat het goed ging met de hond en dat ze de hond in de middag zou kunnen komen ophalen. In de middag trof klaagster de hond aan met een infuus, gelegen in een bench in de trimsalon. Volgens klaagster was de hond erg ziek en heeft beklaagde gemeld dat het haar niet is gelukt om een katheter aan te leggen, maar zou beklaagde er nog werk van maken de blaas van de hond te legen. Op het verzoek van klaagster om een doorverwijzing voor de hond, zou beklaagde kenbaar hebben gemaakt die avond contact op te nemen met andere dierenartsen. Beklaagde heeft de hond weer met haar mee naar huis genomen. In de avond heeft beklaagde aan klaagster gemeld dat het haar is gelukt de blaas van de hond te legen, maar dat ze nog geen dierenarts had kunnen vinden die de hond zou kunnen helpen.
3.9. In de ochtend van 4 juli 2023 heeft beklaagde bericht aan klaagster dat de hond de afgelopen nacht onrustig is geweest, maar op dat moment losliep bij haar op het erf. Vanaf circa 8.30 uur hebben klaagster en beklaagde diverse malen contact gehad (via telefoon en app) over doorverwijzing naar een andere dierenarts, wat erin heeft geresulteerd dat klaagster met de hond terecht zou kunnen bij een praktijk in [plaatsnaam]. Rond 10.30 uur, toen klaagster in de dierenspeciaalzaak was, heeft volgens haar de assistente telefonisch gemeld dat de hond zojuist in elkaar was gezakt en is overleden. Vlak daarna heeft de assistente klaagster opgehaald en meegenomen naar de parkeerplaats achter de praktijkruimte, waar ze de hond dood aantrof achterin de auto van beklaagde.
3.10. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft verweer gevoerd Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Klaagster stelt dat beklaagde in de periode van 19 juni 2023 tot na het overlijden van de hond diverse fouten heeft gemaakt bij het behandelen van en verlenen van nazorg aan de hond. Het college zal de verschillende onderdelen van de klacht hieronder achtereenvolgens in chronologische volgorde behandelen. Daarna zal het college de klachtonderdelen behandelen die gaan over het patiëntendossier van de hond.
5.3. Klaagster stelt dat beklaagde ten onrechte diagnoses door haar assistentes heeft laten stellen, zonder zelf voldoende controle daarop uit te oefenen, waardoor zij teveel bevoegdheden hebben. In haar toelichting daarop heeft klaagster gewezen op de antibiotica die zij op 19 juni voorgeschreven heeft gekregen nadat zij eerder op die dag urine had afgeleverd bij de assistente. Klaagster beschouwt het als nalatig dat zomaar antibiotica is verstrekt, terwijl niet was onderzocht welke bacterie daarmee zou moeten worden bestreden en ook de voorgeschreven dosering incorrect was.
5.4. Het college overweegt als volgt. Gebleken is dat de assistente zich met de urine naar de praktijkruimte achter de dierenspeciaalzaak heeft begeven en er enige tijd is verstreken alvorens tot het voorschrijven van de antibiotica is overgegaan. Hierdoor is goed mogelijk dat het beklaagde – en niet haar assistente – is geweest die beslist heeft om de antibiotica voor te schrijven. Klaagster is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de assistente deze beslissing eigenmachtig heeft genomen buiten het (toe)zicht van/door beklaagde. Het college houdt het ervoor dat beklaagde deze beslissing heeft genomen, temeer nu beklaagde heeft opgemerkt dat haar assistentes enkel in overleg met haar beslissingen nemen.
5.5. Uitgangspunt is dat beklaagde als dierenarts verantwoordelijk is voor het verstrekken van medicatie zoals antibiotica. Volgens vaste rechtspraak dient het voorschrijven van diergeneesmiddelen te geschieden in het kader van een verantwoorde diergeneeskundige behandeling, die in beginsel onderzoek, diagnose, nazorg en verslaglegging omvat. Van de dierenarts wordt verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een adequate en controleerbare verslaglegging. Het college stelt vast dat in onderhavige kwestie antibiotica is voorgeschreven voor de hond, zonder dat beklaagde de hond eerst heeft gezien en heeft kunnen onderzoeken. Dit is noodzakelijk om vast te kunnen stellen of een voldoende veterinaire noodzaak tot het voorschrijven ervan aanwezig was. Het college oordeelt dan ook dat voor zover beklaagde een diagnose heeft gesteld alvorens de antibiotica voor te schrijven, deze diagnose ontoereikend is geweest. Beklaagde heeft niet naar voren gebracht noch is anderszins gebleken dat een voldoende rechtvaardiging voor het voorschrijven van de antibiotica heeft bestaan. Wat dit klachtonderdeel betreft is sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortschieten door beklaagde, zodat dit onderdeel gegrond zal worden verklaard.
5.6. Klaagster stelt dat beklaagde op 28 juni ten onrechte dieetvoeding heeft voorgeschreven voor de hond, omdat nog niet bekend was wat de aard van de aangetroffen blaasstenen was. Het college overweegt dat de omstandigheid dat de geconstateerde blaasstenen nog niet waren verwijderd en onderzocht, niet maakt dat beklaagde er verkeerd aan heeft gedaan om alvast dieetvoeding voor te schrijven voor de hond. Het college kan beklaagde erin volgen dat zij dit heeft gedaan, ook al zou er nog een analyse van de te verwijderen blaasstenen moeten plaatsvinden. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
5.7. Klaagster stelt dat beklaagde nalatig is geweest door op 30 juni na de operatie van de hond – die om 12.00 uur was afgelopen – met haar assistente op pad te gaan vanwege een afspraak elders, terwijl de hond nog op de praktijk was en nog niet wakker was geworden. Klaagster heeft de hond daar in de gaten gehouden totdat het haar rond 15.45 uur is gelukt om de hond weer in de benen te krijgen en met behulp van de medewerker van de trimsalon in de auto te helpen om de hond mee naar huis te kunnen nemen. Beklaagde stelt dat de hond in goed overleg met klaagster in de praktijk is gebleven, dat de hond toen wakker werd, zonder nog goed in de benen te kunnen komen, en dat de lichaamstemperatuur van de hond goed was, zodat ze ervoor heeft gekozen de hond de tijd te gunnen om bij te komen.
5.8. Het college concludeert op basis van hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht, dat de hond nog niet geheel uit de narcose was ontwaakt op het moment dat beklaagde en haar assistente de praktijk verlieten. Hierdoor was er niemand van de praktijk aanwezig en lag het toezicht op de hond bij klaagster (en eventueel de medewerkers van de trimsalon en de dierenspeciaalzaak). Gesteld noch gebleken is dat aan klaagster enige instructie is gegeven voor het geval zich bijzonderheden of een verslechtering van de toestand van de hond zou voordoen. Door de hond op deze wijze achter te laten, heeft beklaagde naar het oordeel van het college niet op een veterinair juiste en verantwoorde wijze gehandeld. Een dierenarts – dan wel een dierenartsassistent – dient een dier dat na een ingreep nog onder invloed van de narcose is, te monitoren tijdens de recovery en eerst bij de eigenaar achter te laten als vast staat dat het dier uit de narcose is ontwaakt. Het college maakt beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt dat zij er niet voor heeft gekozen om ter plaatse te wachten tot het moment dat de hond helemaal wakker was, of anderszins voldoende toezicht te regelen. Verder is niet gebleken – het patiëntendossier geeft geen blijk hiervan – dat er een vervolgafspraak met klaagster is gemaakt. Beklaagde heeft onvoldoende regie over de nazorg gehouden. Dit klachtonderdeel zal dan ook gegrond worden verklaard.
5.9. Klaagster verwijt beklaagde dat zij na de operatie van de hond, toen gebleken was dat de hond nog steeds niet kon plassen, heeft verzuimd de blaas te legen, terwijl ze wel vocht heeft toegediend aan de hond.
5.10. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting, heeft het college het volgende beeld kunnen opmaken over de zorg die aan de hond is verleend na de opname door beklaagde op 2 juli. In de ochtend is de hond in een bench aan een infuus gelegd. Volgens het patiëntendossier kwam er op die dag tijdens het uitlaten van de hond bij de mictie eerst wat bloed en druppelde er daarna urine. Op 3 juli sijpelde er volgens het patiëntendossier ook meer urine naarmate de hond meer in beweging was gekomen. Ook zou er handmatig urine uit de blaas zijn gedrukt. Klaagster heeft onbetwist verklaard dat toen zij op 3 juli de hond aantrof in de trimsalon met een infuus maar zonder katheter, beklaagde heeft verklaard dat het haar de vorige dag niet is gelukt een katheter aan te leggen. In het patiëntendossier staat bij 3 juli vermeld ‘katheter loopt vast’. Als ‘advies / therapie’ is daarin opgenomen een blaaspunctie onder echo-begeleiding om te verzekeren dat de blaas goed geleegd kan worden, maar gesteld noch gebleken is dat daadwerkelijk een blaaspunctie is uitgevoerd. Klaagster heeft verklaard dat ze beklaagde op 3 juli heeft verzocht om te worden doorverwezen naar een andere dierenarts. Beklaagde heeft op die dag telefonisch contact opgenomen met een andere dierenartsenpraktijk, maar daar zou de hond niet kunnen worden behandeld. Op 4 juli is zij verder gegaan met het benaderen van andere dierenartsen en heeft zij een dierenarts gevonden waarnaar de hond kan worden doorverwezen. Volgens het patiëntendossier kwam er buiten bij de mictie niet eerst bloed uit de hond, maar sijpelde er direct urine uit.
5.11. Dit beeld geef naar het oordeel van het college blijk van ontoereikende zorg voor een hond die nauwelijks kon plassen. Hieruit volgt dat, anders dan door beklaagde is verklaard, het plassen door de hond – die aan een infuus heeft gelegen – onvoldoende is gemonitord. Er is geen katheter aangelegd en niet is gebleken dat een blaaspunctie is uitgevoerd. Bovendien is nagelaten te bewerkstelligen dat de hond tijdig zou worden doorgestuurd naar een andere (gespecialiseerde) dierenarts, hetgeen het college aanmerkt als een te afwachtende houding. Dit leidt ertoe dat dit klachtonderdeel eveneens gegrond zal worden verklaard.
5.12. Klaagster verwijt beklaagde dat zij heeft nagelaten om opheldering te verschaffen over het tijdstip, de plaats en de wijze waarop de hond is overleden, terwijl de bij haar bekende informatie over het overlijden van de hond veel vraagtekens heeft opgeroepen en onrust bij haar heeft veroorzaakt.
5.13. Volgens het patiëntendossier heeft beklaagde de hond op 4 juli, toen zij in de ochtend bij de hond was gaan kijken, geheel onverwacht dood aangetroffen. Daarin staat dat de hond zich eerder op die dag duidelijk wat beter voelde, goed water dronk en interesse had in kattenvoer. Klaagster heeft naar voren gebracht dat zij rond 10.25 uur, toen zij in de dierenspeciaalzaak was waarachter ook de praktijkruimte van beklaagde is gevestigd, werd gebeld door de assistente die haar meldde dat de hond was overleden. Binnen een minuut werd klaagster opgehaald door de assistentie, die volgens klaagster zou hebben verklaard dat de hond zojuist in elkaar was gezakt. Klaagster is naar een parkeerplaats achter de praktijk gebracht, waar ze de hond dood aantrof liggend in de auto van beklaagde, die ernaast stond. Volgens klaagster voelde de hond koud en stijf aan, hetgeen niet is weersproken door beklaagde. Beklaagde zou hebben gezegd dat dit door de medicatie is veroorzaakt.
5.14. Voor het college is onduidelijk gebleven onder welke omstandigheden de hond is overleden. Hetgeen uit de ingediende stukken over de gang van zaken rondom het overlijden van de hond naar voren is gekomen, roept twijfel op over wat er toen is gebeurd. In deze tuchtprocedure heeft beklaagde, ondanks dat klaagster hierover gericht vragen heeft gesteld, geen opheldering hierover gegeven. Het feit dat de hond koud en stijf was toen klaagster hem aantrof, doet vermoeden dat de hond al langere tijd dood was op het moment dat klaagster door de assistente werd gebeld. De beschreven gang van zaken op 4 juli laat zien dat beklaagde onvoldoende aandacht heeft besteed aan de hond die zich bij haar in opname bevond. Het college is van oordeel dat beklaagde verwijtbaar is tekortgeschoten in het uitoefenen van toezicht op een vanwege zijn slechte lichamelijke toestand opgenomen hond. Ook dit klachtonderdeel zal dan ook gegrond worden verklaard.
5.15. Klaagster stelt dat beklaagde de bij de hond verwijderde blaasstenen pas drie dagen na het overlijden van de hond naar een laboratorium heeft opgestuurd voor onderzoek. Het college constateert dat de blaasstenen op 8 juli 2023 door het laboratorium zijn ontvangen en overweegt dat het voor de hand had gelegen als beklaagde de stenen eerder had opgestuurd. Toch acht het college dit – tegen de achtergrond van het optreden van beklaagde zoals dat in deze tuchtprocedure ter beoordeling voorligt – niet zodanig relevant dat het daarin een verwijtbaar tekortschieten door beklaagde ziet. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
5.16. Verder heeft klaagster nog diverse bezwaren geuit over onvolledigheid van het patiëntendossier van de hond. Het college constateert dat in het bij het klaagschrift ingediende afschrift van het patiëntendossier dat door klaagster bij beklaagde was opgevraagd, diverse malen niet duidelijk is gemaakt welke medicatie op een bepaalde datum is toegediend althans voorgeschreven. De hoeveelheden waarin dit is gebeurd, ontbreken daarin telkens. Er valt veelal niet uit op te maken welke antibiotica is voorgeschreven noch wat voor infuus de hond toegediend heeft gekregen. Klaagster heeft onbetwist verklaard dat zij op 2 juli medicatie heeft meegekregen om de honds blaas te ontspannen en dat zij tweemaal daags zelf diende te injecteren in de nek van de hond; dit staat niet vermeld in het patiëntendossier. De op 19 en 21 juni en in de ochtend van 3 juli voorgeschreven medicatie alsook een op laatstgenoemde datum uitgevoerd bloedonderzoek stonden niet in het afschrift van het patiëntendossier dat door klaagster bij beklaagde was opgevraagd, maar komen pas voor het eerst voor in op het afschrift daarvan dat door beklaagde bij haar verweerschrift was ingediend. Op basis van het voorgaande oordeelt het college dat ook dit onderdeel van de klacht gegrond is.
5.17. Dit alles leidt het college ertoe te concluderen dat de klacht grotendeels gegrond zal worden verklaard, te weten ter zake van het in 5.5, 5.8, 5.11, 5.14 en 5.16 overwogene. Het college acht na te melden maatregelen passend en geboden.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond in voege als hiervoor onder 5.17 is beschreven;
legt beklaagde een onvoorwaardelijke geldboete op van € 500, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel c van de Wet dieren;
schorst beklaagde voorwaardelijk in de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen voor een periode van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, overeenkomstig artikel 8.31, eerste lid, onderdeel e, in combinatie met het vijfde en zesde lid, van de Wet dieren, ingaande vanaf de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden .
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. A.H.A. Steentjes en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025.