ECLI:NL:TDIVTC:2025:27 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/69

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:27
Datum uitspraak: 11-09-2025
Datum publicatie: 26-02-2026
Zaaknummer(s): 2023/69
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten te veel medicatie te hebben voorgeschreven voor een hond, waardoor de gezondheidstoestand van de hond ernstig is verslechterd.  [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam klager],                                                        klager,

tegen

de dierenarts [naam beklaagde],                        beklaagde.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2025. Daarbij waren klager en beklaagde, vergezeld van zijn collega mw. [naam], aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat hij teveel medicatie heeft voorgeschreven voor de hond van klager, waardoor de toestand van de hond ernstig is verslechterd.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De hond van klager waar het in deze zaak om gaat, is een Maltezer (reu) met de naam [naam hond] (hierna: de hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ruim vijftien en een half jaar oud.

3.2. Op 1 april 2023 is klager met de hond op consult geweest bij beklaagde, omdat de hond een gebrekkige eetlust had. Uit de door beklaagde afgenomen anamnese is naar voren gekomen:

  • dat de hond al geruime tijd hartproblemen had en dat met het oog daarop Cardisure en Fortekor waren voorgeschreven. Duidelijk is geworden dat de hond dit laatste middel gedurende drie jaar tweemaal daags kreeg.
  • dat klager eerder in die week met de hond op consult was geweest bij zijn eigen dierenarts vanwege ademhalingsklachten (hijgen) en slechte eetlust. Die dierenarts heeft Furosoral voorgeschreven vanwege de vochtuitdrijvende werking ervan. Op 31 maart 2023 heeft de eigen dierenarts van klager de hond een injectie tegen misselijkheid toegediend om de eetlust op te wekken, hetgeen niet heeft geholpen.
  • Ook kreeg de hond Librela-injecties – eenmaal per maand, zo is ter zitting naar voren gekomen – toegediend.

Beklaagde heeft vervolgens lichamelijk onderzoek verricht, waaruit volgens het patiëntendossier van de hond naar voren kwam dat de hond mager en gedehydreerd was en een snellere en bemoeilijkte ademhaling had en dat een hartruis van 5/6 hoorbaar was. Er is een bloed- en urineonderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat de nierwaarden en enkele leverwaarden verhoogd waren. Beklaagde vermoedde dat sprake was van een verminderde nierfunctie, veroorzaakt door de honds hoge leeftijd en/of de uitdroging, die kon worden versterkt door het toegediende vochtuitdrijvende middel.

3.3. Vervolgens is in overleg met klager, die de door beklaagde genoemde optie van euthanasie van de hand had gewezen, besloten om de hond op te nemen in de kliniek van beklaagde. De hond is aan een infuus gelegd en heeft bovenop de reeds eerder voorgeschreven medicatie, de geneesmiddelen Metoclopramide, Omeprazol en Butorfanol toegediend gekregen.

3.4. Op 2 april 2023 vond beklaagde dat de gezondheidstoestand van de hond niet veel was veranderd en heeft hij de hond behandeld met Buprenorfine en Mirtazapine, welke medicatie geen verbetering opleverde. Beklaagde heeft aan het begin van de middag telefonisch verslag gedaan aan klager van de toestand van de hond en heeft toen drie behandelopties aan hem voorgehouden, te weten: 1) de opname met een dag verlengen teneinde de ingezette behandeling voort te zetten, 2) de hond mee naar huis geven met palliatieve zorg en 3) euthanasie. Afgesproken is dat klager later in de middag op bezoek zou komen op de praktijk en hij dan een beslissing hierover zou nemen. In afwachting van het bezoek heeft beklaagde Midazolam toegediend aan de hond.

3.5. Toen klager (rond 15.00 uur) op bezoek kwam, is hij geschrokken van de toestand waarin hij de hond aantrof; hij vond dat de toestand van de hond erg achteruit was gegaan ten opzichte van de vorige dag. Hij heeft daarop besloten dat het beter was voor de hond om hem te laten inslapen, hetgeen vervolgens is gebeurd.

3.6. Op enig moment hierna is klager de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, of dat hij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. Klager stelt dat beklaagde teveel medicijnen heeft voorgeschreven voor de hond tijdens de opname van de hond bij hem in de kliniek, waardoor de gezondheidstoestand van de hond is verslechterd, zodanig dat hij genoodzaakt was te besluiten om de hond te laten inslapen.

5.3. Het college overweegt als volgt. De hond stond op het moment dat de hond bij beklaagde op consult kwam, al onder behandeling met diverse medicijnen, zoals opgesomd hierboven in 3.2. Met enkele daarvan werd de hond reeds geruime tijd behandeld, te weten Cardisure, Fortekor en Librela, terwijl Furosoral en een injectie tegen misselijkheid eerder die week waren toegediend (door een andere dierenarts dan beklaagde) vanwege ademhalingsklachten en slechte eetlust. Uit de bevindingen van beklaagde op 1 april en de door hem gestelde diagnose, kwam naar voren dat de hond toen in een slechte lichamelijke conditie verkeerde. In overleg met klager heeft beklaagde een behandeling ingezet die – tot de op 2 april halverwege de middag genomen beslissing de hond te euthanaseren – bestond uit opname van de hond en uit het toedienen van infuus en van de hierboven in 3.3 en 3.4 genoemde medicatie bovenop de medicijnen waarmee de hond al werd behandeld.

5.4. Beklaagde heeft ter toelichting op de door hem voorgeschreven medicatie en het infuus het volgende naar voren gebracht. De hond diende vocht toegediend te krijgen, omdat de hond uitgedroogd was, vermoedelijk ten gevolge van zijn verslechterde nierfunctie en de voorgeschreven Furosoral. De hond had dit middel ondanks de vochtafdrijvende werking ervan nodig om te voorkomen dat de hond vocht zou vasthouden, nu zijn hartfunctie was verminderd. Hierbij diende beklaagde een evenwichtige situatie na te streven, waarbij ook aandacht behoorde te zijn voor het voorkomen van benauwdheid bij de hond. Beklaagde heeft op 1 april  Metoclopramide (0,33 mg/kg) voorgeschreven als aanvullende medicatie tegen misselijkheid om de eetlust van de hond op te wekken. Toediening van maagzuurremmer Omeprazol (1 mg/kg) heeft hij nodig geacht om maagzweren die door verhoogde nierwaarden kunnen ontstaan, te voorkomen dan wel te behandelen. Butorfanol is (eenmalig) toegediend op 1 april vanwege spanning bij de hond door de opname, die zich uitte in onrust en piepen. Op 2 april heeft beklaagde het pijnstillende middel Buprenorfine (15 mcg/kg) voorgeschreven om de eetlust van de hond te stimuleren. Met hetzelfde doel heeft hij ook Mirtazapine (15 mg/kg) ingezet, maar met geen van beide medicijnen is het beoogde effect bereikt. In afwachting van het bezoek van klager in de middag van 2 april, heeft beklaagde een lage dosering van het kalmeringsmiddel Midazolam toegediend vanwege het angstremmende en eetlustopwekkende effect ervan, maar het heeft de eetlust van de hond niet op gang kunnen krijgen, aldus beklaagde.

5.5. Het college acht niet aannemelijk dat de medicijnen die door beklaagde op 1 en 2 april zijn toegediend bovenop de eerder voorgeschreven medicatie, gelet op de aard van deze middelen en de dosering die als gangbaar wordt aangemerkt, hebben bijgedragen aan een verslechtering van de toestand van de hond. Daarbij kan het college aan de hand van de door beklaagde gegeven toelichting volgen om welke redenen – eetlustopwekking dan wel kalmering – in de loop van de opname is besloten tot het behandelen van de hond met deze medicijnen. Het college kan de keuze voor de middelen Buprenorfine en Midazolam begrijpen, nu beklaagde gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat het welzijn van de hond daarmee zou zijn gediend. Hierom zal de klacht ongegrond worden verklaard.

5.6. Het college merkt nog het volgende op. Klager stelt dat toen hij de hond aantrof tijdens zijn bezoek aan de kliniek van beklaagde in de middag van 2 april, de toestand van de hond aanmerkelijk was verslechterd. Volgens hem kon de hond niet normaal lopen en drinken, was zijn ademhaling slechter en piepte hij veelvuldig. Beklaagde stelt dat de toestand van de hond toen niet slechter was ten opzichte van hoe hij de hond aantrof tijdens het consult op 1 april. Op die dag, waarop ook euthanasie van de hond is besproken en opname noodzakelijk werd geacht, was de hond er al slecht aan toe. Weliswaar was de hond op 2 april minder uitgedroogd en was één van de nierwaarden enigszins gezakt, maar de hond had toen vrijwel geen eetlust, was ten opzichte van de vorige dag afgevallen en had een vergelijkbare ademhaling en hartfrequentie, aldus beklaagde. Voor het college is op basis van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting niet duidelijk geworden of de honds toestand tijdens het bezoek op 2 april verslechterd was ten opzichte van de dag ervoor. Wel kan het college zich voorstellen dat de hond vanwege de sederende werking van toegediende medicatie enigszins versuft was en vocaliseerde, hetgeen de perceptie van klager wellicht heeft beïnvloed. Het dossier roept het beeld op dat bij klager de verwachting leefde dat hij de hond op 2 april in een betere toestand zou aantreffen en hij de hond weer mee naar huis zou kunnen nemen. Dat aan de teleurstelling bij klager een gebrek in de communicatie tussen klager en beklaagde ten grondslag heeft gelegen ten aanzien waarvan beklaagde enig verwijt zou kunnen worden gemaakt, is voor het college onvoldoende gebleken.

5.7. Dit leidt het college ertoe als volgt te beslissen.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.
 

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025.