ECLI:NL:TDIVTC:2025:26 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/1 en 2023/2

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:26
Datum uitspraak: 03-07-2025
Datum publicatie: 26-02-2026
Zaaknummer(s): 2023/1 en 2023/2
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Hond. Klacht tegen dierenarts die de hond van klaagster heeft behandeld vanwege herniaklachten met uitval van de achterpoten en de blaas. Deze dierenarts wordt verweten dat zij daarbij foutieve informatie heeft verschaft met betrekking tot het maken van de keuze tussen het uitvoeren van een CT-scan en een MRI-scan. Ook wordt haar verweten dat zij niet heeft geïnformeerd over de risico’s die kleven aan een narcose bij het uitvoeren van een MRI-scan en dat zij een foutieve diagnose heeft gesteld, waardoor de hond nodeloos is geopereerd. [Klacht is ongegrond].Daarnaast klacht tegen specialist veterinaire radiologie, die wordt verweten dat zij MRI-beelden verkeerd heeft beoordeeld. Het college heeft een deskundigenbericht met betrekking tot de MRI/CT-beelden gelast, onder aanhouding van de klachtbehandeling, die later is voortgezet. [Klacht is gegrond, met oplegging van een waarschuwing].

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van:   

klaagster,                                                 klaagster,

tegen

dierenarts beklaagde sub 1,                   beklaagde sub 1 (2023/1),

dierenarts beklaagde sub 2,                   beklaagde sub 2 (2023/2),

                                                                hierna tezamen: beklaagden.

-------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer van beklaagde sub 1, het verweer van beklaagde sub 2, de repliek, de dupliek van beklaagde sub 1 en de dupliek van beklaagde sub 2. Aangezien de klachten op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben, heeft het college besloten tot een gevoegde mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 25 april 2024. Daarbij waren klaagster, vergezeld van haar partner [naam partner klaagster] (hierna partner klaagster), en beklaagden aanwezig. Na de zitting heeft het college besloten een deskundigenbericht met betrekking tot de MRI/CT-beelden die door beklaagde sub 2 zijn beoordeeld te gelasten, onder aanhouding van de beslissing op de klachten; partijen zijn hierover ingelicht. Beklaagde sub 2 heeft aan het college kenbaar gemaakt dat zij door de wijze waarop zij de behandeling van de zaak op 25 april 2024 heeft ervaren, niet goed in staat is geweest om haar kant van het verhaal toe te lichten. De MRI/CT-beelden zijn beoordeeld door prof. dr. [naam deskundige], [naam faculteit] (hierna: de deskundige). Partijen hebben, na daartoe door het college in de gelegenheid te zijn gesteld, zich uitgelaten naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige. Het college heeft, op verzoek van beklaagde sub 2, besloten tot een voortgezette (gevoegde) mondelinge behandeling van de zaken, die heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Daarbij waren klaagster, vergezeld van partner klaagster, en beklaagde sub 2 aanwezig. Beklaagde sub 1 is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde sub 1 wordt verweten dat zij bij de behandeling van de hond van klaagster foutieve informatie heeft verschaft met betrekking tot het maken van de keuze tussen het uitvoeren van een CT-scan en een MRI-scan. Ook heeft zij nagelaten te informeren over de risico’s die kleven aan een narcose bij het uitvoeren van een MRI-scan. Bovendien verwijt klaagster beklaagde sub 1 dat zij een foutieve diagnose heeft gesteld, waardoor de hond nodeloos is geopereerd. Het patiëntendossier van haar hond bevat onjuistheden hierover.

Beklaagde sub 2 wordt verweten dat zij de gemaakte MRI-beelden verkeerd heeft beoordeeld.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De hond van klaagster waar het in deze zaak om gaat, is een Kaninchen Teckel (reu) met de naam [naam hond] (hierna: de hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid circa vijf jaar oud.

3.2. Op 27 september 2021 is klaagster met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 1, vanwege herniaklachten van de hond met uitval van zijn achterpoten en zijn blaas. Klaagster heeft gekozen voor het uitvoeren van een MRI-scan, in plaats van een CT-scan waarover beklaagde sub 1 en klaagster ook hebben gesproken. Vervolgens is niet alleen de MRI-scan uitgevoerd, maar op initiatief van beklaagde sub 1 ook een CT-scan. Tussen partijen is in geschil of na het uitvoeren van de scans, met het oog waarop de hond onder narcose was gebracht, de voorpoten van de hond aanhoudende verlammingsverschijnselen vertoonden.

3.3. Beklaagde sub 2 is specialist veterinaire radiologie. Zij heeft de van de hond gemaakte MRI- en CT-beelden op 27 september 2021 ontvangen van beklaagde sub 1 met het verzoek deze te beoordelen en daarover verslag te doen. Op 28 september 2021 heeft beklaagde sub 2 dit gedaan, over de MRI- en de CT-beelden zijn twee afzonderlijke verslagen opgesteld en deze zijn aan beklaagde sub 1 gestuurd.

3.4. Op 28 september 2021 heeft een praktijkgenoot van beklaagde sub 1 telefonisch gemeld aan klaagster dat op de MRI-beelden een hernia zichtbaar was die voor verdrukking zorgde. Aangezien het niet mogelijk was om de hond op die dag te opereren op de praktijk van beklaagde sub 1, is klaagster met de hond voor een herniaoperatie naar een dierenkliniek in [plaatsnaam] gegaan. De dierenarts van die kliniek heeft de hond lichamelijk onderzocht en als diagnose gesteld dat het klinisch beeld suggestief is voor progressieve myelomalacie (verweking van het ruggenmerg) en dat chirurgie gezien het klinisch beeld niet aangewezen is op dit moment. Volgens klaagster heeft deze dierenarts kenbaar gemaakt dat de gemaakte MRI-beelden van erg slechte kwaliteit waren.

3.5. Klaagster is in de middag na het consult in de dierenkliniek in [plaatsnaam], met de hond langs gegaan bij een spoeddierenarts verbonden aan een praktijk die deel uitmaakt van dezelfde keten als de praktijk waaraan beklaagde sub 1 verbonden is. De spoeddierenarts heeft de hond onderzocht, waarna de hond is opgenomen.

3.6. Op 29 september 2021 heeft de opname-dierenarts algemeen lichamelijk en neurologisch onderzoek uitgevoerd bij de hond. Vervolgens heeft beklaagde sub 1 klaagster gebeld en gemeld dat zij de situatie van de hond stabiel vond ten opzichte van hoe ze de hond op 27 september 2021 had aangetroffen. De operatie van de hond zou volgens haar kunnen doorgaan, maar het was de vraag of het verantwoord zou zijn de hond te opereren. Beklaagde sub 1 heeft de hond op verzoek van klaagster geopereerd en heeft daarbij discusmateriaal verwijderd. Het ruggenmerg bleek een donkerblauwe kleur te hebben en bij het uitvoeren van een durotomie was dit veranderd in een substantie die leek op moes. Ten tijde van de operatie is vanuit de praktijk van beklaagde sub 1 telefonisch contact opgenomen en gemeld dat het ruggenmerg van de hond aan het afsterven was, dat de operatie is gestaakt en dat de hond niet meer te helpen was.

3.7. Op 30 september 2021 is de hond geëuthanaseerd.

3.8. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

3.9. De griffie van het college heeft, nadat de klachten op 25 april 2024 ter zitting van het college zijn behandeld, de van de hond gemaakte MRI- en CT-beelden en de hierna volgende vragen van het college aan de deskundige gestuurd:

1. Zijn de MRI beelden van voldoende kwaliteit om volledig te kunnen beoordelen?

2. Kunt u een verslag maken van deze MRI beelden?

3. Is er een aanwijzing voor afwijkingen aan het ruggenmerg of de cauda equina of kunt u met deze beelden uitsluiten dat daar afwijkingen aan te vinden zijn?

4. Wat is uw diagnose/conclusie?

5. Zou u naar aanleiding van deze MRI nog aanbevelingen geven of aanvullende onderzoeken adviseren?

3.10. Op 13 september 2024 heeft de deskundige het volgende bericht gezonden aan de griffie van het college:

(…) Om uw eerste vraag te beantwoorden. De MRI-beelden zijn niet van voldoende kwaliteit om te beoordelen.

De exacte redenen achterhalen is niet mogelijk. Het ligt aan de procedure maar kan verschillende oorzaken hebben (coils, parameters, …) alleen of in combinatie. Minstens 1 van de parameters lijkt ons sowieso al abnormaal.

Op de CT-beelden is een letsel duidelijk te zien dat men normaal gezien op een MRI-onderzoek nog beter in beeld zouden moeten brengen, doch is het op de MRI-beelden niet zichtbaar. (…)

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerdverweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins zijn tekortgeschoten in de uitoefening van hun beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van ieder van beklaagden beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zijn opgetreden.

5.2. Hieronder zal het college eerst de onderdelen van de klacht tegen beklaagde sub 1 en vervolgens de klacht tegen beklaagde sub 2 behandelen en beoordelen.

Onderdelen van de klacht tegen beklaagde sub 1

Foutieve informatieverschaffing over keuze CT-scan of MRI-scan

5.3. Klaagster stelt dat zij beklaagde sub 1 heeft bezocht met het doel om een CT-scan te laten maken om de plaats en ernst van de hond’s hernia te bepalen, maar dat uiteindelijk is gekozen voor het uitvoeren van een (duurdere) MRI-scan. Beklaagde sub 1 heeft in het patiëntendossier van de hond ten onrechte vermeld: “eigenaren kiezen liever ineens voor MRI”. De keuze is echter niet ‘ineens’ gemaakt, maar op advies van beklaagde sub 1, teneinde andere oorzaken van de klachten dan een hernia uit te sluiten, aldus klaagster.

5.4. Beklaagde sub 1 heeft toegelicht dat zij met ‘ineens’ iets anders heeft bedoeld. Zij stelt dat zij de voor- en nadelen van een CT-scan en een MRI-scan bij een vermoedelijke diagnose van discus hernia heeft besproken met klaagster. Op een CT-scan worden de meeste hernia’s gezien, maar daarop kunnen low volume/high velocity hernia, bloedingen en tumoren soms moeilijk te onderscheiden zijn en in dat geval is het advies om tot een MRI-scan over te gaan. Op basis hiervan heeft klaagster ervoor gekozen niet eerst een CT-scan, maar direct een MRI-scan te verrichten. Op deze wijze behoort haar opmerking in het patiëntendossier te worden opgevat, aldus beklaagde, waarbij haar Vlaamse interpretatie van het woord ‘ineens’ – gelet op haar Belgische achtergrond – een rol kan hebben gespeeld.

5.5. Ter zitting op 25 april 2024 heeft klaagster bevestigd dat de onenigheid over het woord ‘ineens’ in het patiëntendossier berust op spraakverwarring tussen partijen en dat inmiddels duidelijk is wat beklaagde sub 1 ermee heeft bedoeld. Het college constateert dat er vrijwel geen verschil is tussen de lezingen van partijen over de aanleiding om gelijk een MRI-scan uit te voeren. Nadat op 27 september besproken is wat zichtbaar kan worden gemaakt met behulp van een CT-scan onderscheidenlijk een MRI-scan, is gekozen voor een MRI-scan om meteen een zo compleet mogelijk beeld van de klachten van de hond te kunnen krijgen. Hierom ontbreekt de basis voor gegrondverklaring van dit onderdeel van de klacht tegen beklaagde sub 1.

Niet informeren over de risico’s van een narcose

5.6. Klaagster stelt dat voorafgaand aan de MRI-scan de achterpoten van de hond verlamd waren, maar dat na de scan – met het oog waarop de hond onder narcose was gebracht – ook de voorpoten verlamd waren en deze verlamd bleven. Beklaagde sub 1 heeft nagelaten hen voorafgaand aan de MRI-scan te wijzen op het risico dat indien sprake is van afsterving van het ruggenmerg van de hond, deze kwaal door de narcose versneld kan worden, aldus klaagster.

5.7. Het college overweegt dat op basis van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting niet duidelijk is geworden of er sprake was van verlamming van de hond’s voorpoten sinds de MRI-scan. Daaruit is het volgende naar voren gekomen. Beklaagde sub 1 heeft verklaard dat de hond responsief was op de voorhand toen de hond na het uitvoeren van de scans op 27 september werd opgehaald door klaagster en dat zij toen beweging in de voorpoten heeft gezien. Volgens de bevindingen van de dierenarts van de kliniek in [plaatsnaam] op 28 september (zie 3.4) was inmiddels sprake van tetraparese, was anterior diepe pijnreceptie aanwezig en enige actieve beweging van de voorpoten, maar was de hond niet in staat zich op te richten. Beklaagde sub 1 stelt dat uit door de hierboven in 3.5 genoemde spoeddierenarts uitgevoerd onderzoek naar voren is gekomen dat er op de voorpoten sprake was van een terugtrekreflex, vertraagde proprioceptie en aanwezige diepe pijn. Tijdens het neurologisch onderzoek dat op 29 september voorafgaand aan de operatie heeft plaatsgevonden (zie 3.6), is volgens het patiëntendossier van de hond geconstateerd dat zijn voorpoten normaal zijn en dat een terugtrekreflex aanwezig is. Verder overweegt het college dat niet aannemelijk is geworden dat voor zover er sprake was van aanhoudende uitvalsverschijnselen van de voorpoten van de hond, deze zijn veroorzaakt door de narcose.

5.8. Vaststaat dat beklaagde sub 1 voorafgaand aan het uitvoeren van de MRI-scan niet met klaagster heeft gesproken over het risico dat anesthesie het proces van afsterven van het ruggenmerg zou kunnen versnellen. Op dat moment was er, mede gelet op de hond’s voorgeschiedenis zoals die uit zijn patiëntendossier naar voren is gekomen, nog geen vermoeden van dergelijk afsterven gediagnosticeerd. In dat geval is het versnellen van een eventueel aanwezig afstervingsproces van het ruggenmerg een zodanig zeldzame complicatie van anesthesie, dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar nalaten door beklaagde sub 1 indien zij het risico hierop niet op voorhand heeft gemeld. Daar komt bij dat beklaagde sub 1 heeft verklaard dat het onderhavige anesthesierisico aanwezig is bij het gebruik van hoge doseringen opiaten, maar dat deze niet worden gebruikt met het oog op beeldvorming. Dit leidt het college ertoe te oordelen dat geen basis voor gegrondverklaring van dit onderdeel van de klacht tegen beklaagde sub 1 aanwezig is.

Foutieve diagnose, waardoor de hond onnodig is geopereerd

5.9. Dit onderdeel van de klacht ziet op de diagnose die beklaagde sub 1 heeft gesteld na het onderzoek van de hond door de dierenarts van de kliniek in [plaatsnaam] op 28 september (zie 3.4). Klaagster verwijt haar dat zij, ondanks de bevindingen van die dierenarts, haar heeft gerustgesteld door te verklaren dat er geen sprake was van afsterving van het ruggenmerg, nu dit uit te sluiten was op basis van de MRI-beelden. Als zij had geweten dat afsterving van het ruggenmerg een reële dreiging vormde, dan zou zij er nooit voor hebben gekozen de hond te laten opereren, aldus klaagster.

5.10. Beklaagde sub 1 heeft weersproken dat zij toen zou hebben ontkracht dat sprake was van myelomalacie (verweking van het ruggenmerg). De enige manier om dit met zekerheid te kunnen uitsluiten – zo heeft zij aan klaagster kenbaar gemaakt –, is om de hond te opereren, maar dan is het de vraag of dit verantwoord is. Zij heeft tegen klaagster gezegd dat de prognose slecht is, maar klaagster heeft kenbaar gemaakt dat als er een kleine kans is, zij die wilde nemen, aldus beklaagde sub 1.

5.11. Het college constateert dat partijen elkaar tegensprekende lezingen hanteren over wat beklaagde sub 1 aan klaagster heeft verklaard over het al dan niet aanwezig zijn van afsterving van het ruggenmerg. In de stukken van het dossier heeft het college niet aangetroffen dat de mogelijkheid dat daarvan sprake zou (kunnen) zijn, door beklaagde sub 1 is uitgesloten. In het opnameverslag van 29 september staat bij de onderzoeken die zijn uitgevoerd voordat beklaagde sub 1 telefonisch heeft gesproken met klaagster over het uitvoeren van de operatie, de (differentiaal)diagnose ‘ernstige myelomalacie’ en bij het plan voor vandaag: ‘sterk verdacht myelomalacie’. Dit maakt het niet aannemelijk dat beklaagde sub 1 toen de mogelijkheid van afsterving van het ruggenmerg heeft uitgesloten. Het college ziet onvoldoende basis voor gegrondverklaring van dit onderdeel van de klacht tegen beklaagde sub 1.

Klacht tegen beklaagde sub 2: foutieve beoordeling van de MRI-beelden

5.12. Klaagster stelt dat beklaagde sub 2 na het beoordelen van de MRI-scan ten onrechte de diagnose heeft gesteld dat geen sprake was van afsterving van het ruggenmerg van de hond. Het college constateert dat beklaagde sub 2 die diagnose niet met zoveel woorden heeft gesteld. Uit de toelichting die klaagster op haar klacht heeft gegeven, volgt dat deze ruimer behoort te worden opgevat. Het is haar er immers om te doen dat ten gevolge van het tekortschieten door beklaagde sub 2 bij het beoordelen van en verslag doen over de beelden, beklaagde sub 1 heeft ingezet op een herniaoperatie zonder zich voldoende rekenschap te geven van risico’s die tot een fatale afloop zouden kunnen leiden. Het college zal de aldus bedoelde klacht tegen beklaagde sub 2 beoordelen.

5.13. Beklaagde sub 2 is een op zzp-basis werkzame specialist veterinaire radiologie. Zij ontvangt van dierenartsen MRI- en CT-beelden – en het laatste deel van het patiëntendossier – teneinde deze beelden in hun opdracht te beoordelen en daarover verslag uit te brengen. Zo is het ook in onderhavige kwestie gebeurd. In het verslag dat beklaagde sub 2 na het beoordelen van de MRI-beelden van de hond heeft opgesteld – waarboven, zo is gebleken en is ter zitting aan de orde geweest, ten onrechte ‘CT onderzoek van de wervelkolom’ staat – heeft zij geconcludeerd dat sprake is van “Discopathie en compressie van het ruggenmerg t.h.v. TH13-L1 links”. Beklaagde sub 2 heeft in haar verslag onder de bevindingen opgemerkt: “De beoordeling wordt bemoeilijkt door de grote hoeveelheid ruis op de beelden”. De deskundige die de beelden op verzoek van het college heeft beoordeeld, is nog een stap verder gegaan door op te merken dat de MRI-beelden niet van voldoende kwaliteit zijn om te beoordelen (zie 3.9).

5.14. Dit roept de vraag op wat van beklaagde sub 2 als veterinair radioloog mocht worden verwacht toen zij gevraagd werd dergelijke gebrekkige beelden te beoordelen. Beklaagde sub 2 heeft naar voren gebracht dat zij slechts betrokken is geweest bij de beoordeling van de beelden, waarop zij wel de discopathie en de hernia heeft gezien, maar andere eventuele afwijkingen niet konden worden beoordeeld vanwege de ruis daarop. Iets wat niet goed te beoordelen is, wordt niet in een verslag opgenomen. Verder stelt zij dat degene die de beelden maakt, verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de beelden en zou moeten kunnen beoordelen of deze al dan niet goed genoeg zijn. Ter zitting op 27 februari 2025 heeft beklaagde sub 2 verklaard dat als zij vindt dat de kwaliteit van de beelden onvoldoende is, zij afhankelijk van de omstandigheden eigener beweging daarover contact opneemt met de dierenarts die om beoordeling van de beelden heeft gevraagd. Het is volgens beklaagde sub 2 veeleer de taak van die dierenarts indien hij/zij leest dat de beoordeling werd bemoeilijkt door ruis, om daarover contact op te nemen met de veterinair radioloog en te bespreken hoe daarmee om te gaan. Weliswaar behoort het volgens beklaagde sub 2 tot haar taak om iets te zeggen over de kwaliteit van de beelden, maar dat heeft zij in onderhavige kwestie voldoende gedaan door in haar verslag een opmerking over de ruis te maken, aldus beklaagde sub 2.

5.15. Het college kan beklaagde sub 2 hierin, en in ieder geval wat dit laatste betreft, niet helemaal volgen. Het overweegt dat beklaagde sub 2 als veterinair radioloog die gevraagd is om op basis van haar expertise onderzoek te doen naar beelden over een patiënt, wel degelijk betrokken is bij de patiëntenzorg en daarmee mede verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de beelden die ze beoordeelt. Daarbij dient de veterinair radioloog de informatie die de verwijzende dierenarts met zijn/haar opdracht heeft meegegeven, in acht te nemen en behoort zich een eigen oordeel te vormen over de ontvangen beelden. In onderhavige kwestie was sprake van gebrekkige beelden, die volgens beklaagde sub 2 vanwege ruis moeilijk te beoordelen waren. De gebrekkige aard van de beelden wordt onderstreept door de verklaring van die deskundige, die de beelden van onvoldoende kwaliteit achtte om te beoordelen. Van beklaagde sub 2 mocht als expert ten minste worden verwacht dat zij beklaagde sub 1 als verwijzend dierenarts over de gebrekkigheid zou inlichten op een zodanig duidelijke wijze dat voor haar helder is wat zij er voor de verdere behandeling van de patiënt mee zou kunnen. Door op te schrijven dat de beoordeling wordt bemoeilijkt door de grote hoeveelheid ruis op de beelden, heeft beklaagde sub 2 daaraan naar het oordeel van het college niet voldaan. Hiermee is niet helder genoeg overgebracht of de ruis er al dan niet aan in de weg heeft gestaan de beelden in voldoende mate te kunnen beoordelen, gelet op de diverse oorzaken die aan de klachten van de hond ten grondslag zouden kunnen liggen (zoals door beklaagde sub 1 is opgetekend in het patiëntendossier bij het consult van 27 september). Voor beklaagde sub 1 als verwijzend dierenarts was hierdoor niet meteen duidelijk wat de opmerking over de ruis zou betekenen voor de verdere behandeling van de hond. Zodoende is beklaagde sub 2 tekortgeschoten in haar verantwoordelijkheid de nodige helderheid te verschaffen over de kwaliteit van de beelden en wat dit heeft betekend voor de beoordeling daarvan, welke informatie van belang is voor het nemen van de belangrijke beslissing over het al dan niet opereren van de hond. Het college zal de klacht tegen beklaagde sub 2 dan ook gegrond verklaren.

5.16. Dit leidt het college tot de slotsom dat de klacht tegen beklaagde sub 1 ongegrond zal worden verklaard en de klacht tegen beklaagde sub 2 gegrond. Het college acht het opleggen van de na te melden maatregel tegen beklaagde sub 2 passend en geboden.

5.17. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6. DE BESLISSING

Het college:

in de zaak met nummer 2023/1:

verklaart de klacht ongegrond;

in de zaak met nummer 2023/2:

verklaart de klacht gegrond;

geeft beklaagde [naam beklaagde sub 2] daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J.A.M. van Gils en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025.