ECLI:NL:TDIVTC:2025:25 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/15
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-06-2025 |
| Datum publicatie: | 12-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/15 |
| Onderwerp: | Klachtambtenaarzaken |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten antibiotica in de vorm van ‘droogzetters’ aan een rundveehouder te hebben afgeleverd, ondanks dat hij had moeten en kunnen weten dat de rundveehouder zijn dieren niet alleen curatief maar ook preventief daarmee droogzette, zodat niet aan de voor het afleveren en inzetten van antibiotica geldende voorwaarden was voldaan. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht de dierenarts voorwaardelijk te schorsen voor de duur van drie maanden. Voor het college is onvoldoende gedocumenteerd gebleken en daardoor niet behoorlijk vast te stellen of de dierenarts kan worden verweten dat hij in 2022 is tekortgeschoten in de op hem rustende plicht om het gebruik van droogzet-injectoren door de rundveehouder te evalueren, zodanig dat dit tot tuchtrechtelijke consequenties zou moeten leiden met betrekking tot de aantallen droogzet-injectoren die er gedurende dat jaar aan de veehouder zijn afgeleverd. [Klacht ongegrond]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,
hierna: de klachtambtenaar,
tegen
dierenarts beklaagde,
hierna: beklaagde.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Beklaagde heeft nog een verklaring van [naam] (hierna: rundveehouder) (de rundveehouder, zie 3.2) als aanvullende productie in het geding gebracht. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 november 2024. Daarbij was mr. L. Schleeper aanwezig als gemachtigde van de klachtambtenaar, alsook beklaagde, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I.E. Boissevain en vergezeld van zijn partner. Mr. Boissevain heeft het standpunt van beklaagde toegelicht aan de hand van een pleitnota. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten antibiotica in de vorm van ‘droogzetters’ aan een rundveehouder te hebben afgeleverd, ondanks dat hij had moeten en kunnen weten dat de rundveehouder zijn dieren niet alleen curatief maar ook preventief daarmee droogzette, zodat niet aan de voor het afleveren en inzetten van antibiotica geldende voorwaarden was voldaan. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht beklaagde voorwaardelijk te schorsen voor de duur van drie maanden.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de levering van de diergeneesmiddelen (droogzetters) Orbenin Dry Cow (REG NL 1381) en Orbenin Extra Dry Cow (REG NL 6901). Dit zijn antibiotica die worden gebruikt tijdens het droogzetten van een koe met het oog op behandeling van een op dat moment aanwezige chronische mastitis.
3.2.Tijdens een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) op 12 juli 2023 op het melkveebedrijf van [naam] (hierna: melkveebedrijf), gevestigd te [plaatsnaam] (hierna: de rundveehouder) is vastgesteld dat beklaagde in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 in totaal 216 injectoren Orbenin (Extra) Dry Cow aan de rundveehouder heeft afgeleverd. Tijdens de controle hebben de NVWA-inspecteurs inzage gehad in de administratie van de rundveehouder met betrekking tot de toegepaste diergeneesmiddelen (hierna: de logboeken). Later hebben zij per e-mail aanvullende gegevens ontvangen van de rundveehouder, te weten de Melkproduktieregistratie (MPR)-gegevens van veertien data in 2022 en 2023, het bedrijfsgezondheidsplan/KoeKompas van 28 oktober 2022 (hierna: bedrijfsgezondheidsplan 2022) en het bedrijfsbehandelplan van 2 november 2022 (hierna: het bedrijfsbehandelplan 2022). Hieruit is gebleken dat bij er bij 21 runderen niet curatief, maar preventief gebruikt is gemaakt van antibiotica bij het droogzetten in het jaar 2022.
3.3. Tussen de rundveehouder en beklaagde geldt al geruime tijd – volgens beklaagde ruim negen jaren – en in ieder geval gedurende het jaar 2022 een zogenoemde ‘1-op-1-overeenkomst’. De 1-op-1 overeenkomst omvat alle veterinaire diensten geleverd op het melk-/rundveebedrijf. De 1-op-1 dierenarts is eindverantwoordelijk voor de voorgeschreven diergeneesmiddelen op een bedrijf waarmee een dergelijke overeenkomst bestaat.
3.4 Volgens de klachtenambtenaar had de dierenarts moeten en kunnen weten dat de veehouder zijn dieren niet alleen curatief maar ook preventief droogzette. Er is volgens de klachtenambtenaar onvoldoende aandacht besteed door de dierenarts aan de evaluatie van het gebruik van deze droogzetters in het jaar 2022.
3.5. Op basis van het onderzoek heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De klachtambtenaar heeft daarop besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Algemeen kader voor de beoordeling
5.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde in strijd heeft gehandeld met de regelgeving betrekking hebbend op het afleveren van antibiotica en daarmee is tekortgeschoten in hetgeen van hem als diergeneeskundige mocht worden verwacht, waardoor schade voor de diergezondheid kon ontstaan, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2 tweede lid van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.
5.2. Voor wat betreft de toepasselijke regelgeving wordt hierna uitgegaan van de vindplaats van de wetsartikelen en regels aan het begin van de door de NVWA onderzochte, aan de klacht ten grondslag gelegde periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 waarin de 216 injectoren Orbenin (Extra) Dry Cow aan de rundveehouder zijn afgeleverd. Deze zijn in dat jaar – zoals ook in voorgaande jaren is gebeurd – afgeleverd door of namens beklaagde.
5.3. Als zijnde antibiotica vallen Orbenin Dry Cow en Orbenin Extra Dry Cow onder de UDD-middelen (zie artikel 5.8 van het Besluit diergeneesmiddelen en de artikelen 10.5a en 2.17 van de Regeling diergeneesmiddelen). De UDD-afleverstatus is gebaseerd op regelgeving waarmee wordt beoogd antibioticaresistentie tegen te gaan en om in dat verband zorgvuldig gebruik van antibiotica in de veehouderij te bevorderen en onnodig en overmatig gebruik te voorkomen. In dat verband geldt als hoofdregel dat antibiotica slechts door de dierenarts mogen worden voorgeschreven en toegediend (en daarom niet rechtstreeks aan de veehouder mogen worden afgeleverd) en dat de veehouder in beginsel geen antibiotica voorradig mag hebben. Volgens vaste jurisprudentie wordt van een dierenarts verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een adequate en controleerbare verslaglegging.
5.4. In afwijking van de hoofdregel mogen antibiotica onder strikte voorwaarden door de veehouder zelf onder verantwoordelijkheid van en conform het behandeladvies van de dierenarts worden toegepast en mag daartoe een beperkte voorraad antibiotica op het bedrijf aanwezig zijn (vgl. onder meer artikel 2.18 lid 2 onderdeel b van de Regeling diergeneesmiddelen in verbinding met bijlage 1, onderdeel 5 onder k en bijlage 9 van die regeling). Daartoe moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in bijlage 9. Achterliggende gedachte is dat met een individuele curatieve behandeling door de houder zelf snel kan worden gehandeld en daarmee een uitbraak van een besmetting op afdelings- of stalniveau kan worden voorkomen. De 1-op-1 dierenarts dient de regie over het gebruik van antibiotica door de rundveehouder te hebben en te voeren.
5.5. De wetgever heeft er verder met betrekking tot de levering van antibiotica in de veehouderij voor gekozen om vrij gedetailleerd en bindend vast te leggen waar dierenartsen tezamen met houders aan moeten voldoen, zoals vastgelegd in de reeds genoemde bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen. Zo dient onder meer sprake te zijn van een 1-op-1 relatie gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst, waarbij de houder zich verplicht om alle diergeneeskundige zorg (per diersoort) bij deze dierenarts af te nemen. Ook is de dierenarts gehouden de houder regelmatig te bezoeken, waarbij de minimumfrequentie voor melkveerunderen in beginsel is bepaald op eenmaal per drie maanden, waarvan een visiteverslag dient te worden gemaakt en waarbij de gezondheidsstatus van de dieren dient te worden beoordeeld en het antibioticumgebruik wordt geëvalueerd. De dierenarts dient tezamen met de veehouder een jaarlijks te evalueren bedrijfsgezondheidsplan op te stellen, specifiek gericht op het bedrijf in kwestie met daarin een analyse van de gezondheidssituatie van de dieren en een evaluatie van het diergeneesmiddelen- en antibioticumgebruik in het voorgaande jaar, met daarin tevens opgenomen de voorgenomen maatregelen om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren, waaronder in ieder geval ook maatregelen ter reductie van het antibioticumgebruik. Ook dient jaarlijks een bedrijfsbehandelplan te worden opgesteld waarin onder meer wordt vermeld ten aanzien van welke aandoeningen die er op het bedrijf voorkomen er welke diergeneesmiddelen c.q. antibiotica worden ingezet.
5.6. Bij de beoordeling van de klacht neemt het college tevens tot uitgangspunt de ‘Richtlijn Antimicrobiële middelen bij het droogzetten van melkkoeien van de KNMvD’ (hierna: de Richtlijn) van oktober 2013. Ingevolge die Richtlijn mogen bij het droogzetten van koeien alleen antimicrobiële middelen worden voorgeschreven wanneer na diagnostisch onderzoek wordt verondersteld dat de koe een uierinfectie heeft. Hierdoor dient bij koeien die met antimicrobiële middelen worden drooggezet, altijd sprake te zijn van curatief gebruik. Het preventief inzetten van antibiotica om een dergelijke infectie te voorkomen, is dan ook niet geoorloofd. Ingevolge de Richtlijn is de diagnostiek van uierinfecties gebaseerd op het individuele koecelgetal. De bepaling van het celgetal dient maximaal zes weken voor het moment van droogzetten te gebeuren. Daarbij gelden de volgende afkapwaardes voor het gebruik van antimicrobiële middelen bij het droogzetten:
• Bij vaarzen: koecelgetal >150.000 cellen/ml.
• Bij oudere kalfskoeien: koecelgetal >50.000 cellen/ml.
Met betrekking tot de onderhavige klacht
5.7. Volgens de klachtambtenaar blijkt uit de van de rundveehouder ontvangen MPR-gegevens en logboeken, dat van de 56 runderen die in het jaar 2022 zijn behandeld met Orbenin (Extra) Dry Cow, er 21 een koecelgetal hadden dat lager was dan de hierboven genoemde waardes. Deze 21 runderen zijn toen dus preventief behandeld met antibiotica door de rundveehouder en dit is in strijd met de Richtlijn en het Bedrijfsbehandelplan 2022, aldus de klachtambtenaar.
5.8. De rundveehouder heeft tijdens zijn verhoor door de NVWA-inspecteurs verklaard dat hij er met beklaagde over heeft gesproken dat hij zijn koeien onafhankelijk van het koecelgetal met droogzetters behandelde. Beklaagde heeft dit betwist en gesteld dat hij niet wist dat de rundveehouder zijn koeien preventief heeft behandeld met de aan hem geleverde droogzet-injectoren. Dit gebrek aan wetenschap pleit hem in de visie van de klachtambtenaar evenwel niet vrij. De klachtambtenaar verwijt beklaagde dat hij had moeten en kunnen weten van dit preventief behandelen door de rundveehouder, maar dat hij desondanks is blijven doorgaan met het afleveren van droogzet-injectoren. Hierdoor heeft beklaagde nagelaten er voldoende op toe te zien dat de door of namens hem afgeleverde antibiotica op een correcte en verantwoorde wijze werden ingezet, aldus de klachtambtenaar.
5.9. De klachtambtenaar heeft ter toelichting op zijn klacht aangevoerd dat beklaagde in 2022 dermate grote hoeveelheden Orbenin (Extra) Dry Cow heeft geleverd aan de rundveehouder, dat deze ten minste het vermoeden van preventief gebruik ervan door de rundveehouder bij hem had moeten oproepen. Met de in dat jaar geleverde 216 injectoren van deze middelen zou volgens de klachtambtenaar van de 75,1 melkkoeien die – op basis van informatie van de NVWA – gemiddeld in dat jaar aanwezig waren op het bedrijf, 72% (dit betreft 54 melkkoeien) met antibiotica kunnen worden drooggezet. Ook in de jaren vóór 2022 waren de door hem aan de rundveehouder afgeleverde hoeveelheden van deze middelen zodanig hoog, dat bij hem vraagtekens hadden moeten rijzen over het gebruik ervan door de rundveehouder. Bedrijfsgezondheidsplannen uit het verleden roepen het beeld op dat er gedurende meerdere jaren sprake is geweest van een hoge inzet van droogzetters en volgens een opmerking in KoeKompas 2019 is er sprake van geweest dat droogzetters preventief zijn gebruikt. De duidelijke signalen door de jaren heen hadden voor beklaagde aanleiding moeten vormen het gebruik van deze middelen door de rundveehouder beter te monitoren en te evalueren en dit had in ieder geval in 2020 en 2021 tot follow-ups moeten leiden. Door dit na te laten en desondanks Orbenin (Extra) Dry Cow te blijven afleveren aan de rundveehouder, heeft beklaagde de belangrijke rol die hij als 1-op-1 dierenarts heeft om de regie op het gebied van antibioticumgebruik te voeren (de zogenoemde ‘poortwachtersfunctie’), onvoldoende vervuld, aldus de klachtambtenaar.
5.10. Beklaagde stelt daarentegen dat hij het inzetten van antibiotica door de rundveehouder actief en zorgvuldig heeft geëvalueerd: hij heeft regelmatig met de rundveehouder gesproken over het correct inzetten daarvan, de kengetallen regelmatig gemonitord en ernaar gestreefd om de dierdagdosering zo laag mogelijk te houden. Over de wijze waarop hij de evaluaties heeft uitgevoerd, heeft hij het volgende naar voren gebracht. Bij hem op de praktijk wordt het afleveren van diergeneesmiddelen – wat door de assistente gebeurt – geregistreerd en worden de dierdagdoseringen van de rundveebedrijven waaraan deze zijn verstrekt in MediRund bijgehouden. Hij bekijkt deze aantallen en waardes van de rundveehouder niet van dag tot dag, maar doet dit in het kader van de verplichte jaarlijkse evaluatie van het antibioticumgebruik bij het opstellen van het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan, waarbij ook het droogzetten wordt gemonitord. Deze jaarlijkse evaluatie vindt doorgaans plaats in oktober en is gebaseerd op de (uit MediRund afkomstige) cijfers van het tweede kwartaal van dat jaar. Zolang de medicatie- en diergezondheidscijfers van een veehouder niet uitkomen boven vooraf vastgestelde actiewaardes, is er geen reden om onregelmatigheden bij het inzetten van droogzetters te vermoeden. Bij overschrijding van deze actiewaardes wijzigt de frequentie van evalueren naar een kwartaal-evaluatie, aldus beklaagde.
5.11. Het college overweegt als volgt. Het feit dat het een veehouder onder omstandigheden is toegestaan zelf antibiotica toe te dienen, terwijl op de dierenarts de verplichting rust het antibioticumgebruik periodiek te evalueren, brengt mee dat de dierenarts een goed beeld heeft van het toepassen van antibiotica door de veehouder. Nu het evalueren ervan door de dierenarts in principe achteraf plaatsvindt, valt niet uit te sluiten dat het een dierenarts niet meteen opvalt als een veehouder enige tijd afwijkt van gegeven instructies over het toedienen van antibiotica. Het standpunt van beklaagde berust op het uitgangspunt dat hij en de rundveehouder eenmaal per jaar verplicht zijn het antibioticumgebruik op het bedrijf van de rundveehouder, dus ook in het kader van het droogzetten van koeien, te evalueren. De klachtambtenaar heeft betoogd dat zich in dit specifieke geval omstandigheden hebben voorgedaan die maakten dat niet langer kon worden volstaan met een jaarlijkse evaluatie van het gebruik van droogzetters om van een zorgvuldige monitoring van dat gebruik te kunnen spreken. Dat beklaagde dit niet heeft gedaan, maar is blijven doorgaan met afleveren van droogzet-injectoren, wordt hem door de klachtambtenaar aangerekend. De klachtambtenaar heeft niet naar voren gebracht met welke minimumfrequentie beklaagde gehouden was het bedrijf van de rundveehouder gelet op de specifieke omstandigheden te bezoeken.
5.12. Dat in 2022, verspreid over meerdere aflevermomenten, 216 injectoren Orbenin (Extra) Dry Cow zijn afgeleverd aan het bedrijf, hoeft nog niet te betekenen dat deze in dat jaar daadwerkelijk zijn gebruikt. Tussen partijen is niet in geschil dat als het ervoor zou worden gehouden dat de 216 in 2022 afgeleverde droogzet-injectoren ook in dat jaar zouden zijn ingezet, dit zou duiden op een hoog gebruik van droogzetters in dat jaar. Het college is het er met beklaagde over eens dat deze aantallen op zichzelf nog niet per definitie hoeven te duiden op een té hoog – dat wil zeggen in strijd met geldende regelingen – gebruik van droogzetters. Niet ondenkbaar is dat het op basis van de gemeten koecelgetallen nodig is om een substantieel deel van de koeien met antibiotica droog te zetten. In dit geval is uit analyse door de NVWA van de MPR-uitslagen en de logboeken van de rundveehouder, uitgevoerd in juli/augustus 2023, naar voren gekomen dat in 2022 een deel van de koeien (21 van de 56) in strijd met het bedrijfsbehandelplan en de Richtlijn is drooggezet. Met deze analyse raakte beklaagde eerst in de loop van 2023 bekend. De vraag ligt voor of er reeds ten tijde van de feitelijke leveringen van Orbenin (Extra) Dry Cow in 2022 zodanige aanwijzingen waren dat beklaagde had kunnen en moeten vermoeden dat niet-selectief werd drooggezet. Bij het beantwoorden van die vraag zal het college ook de voorgeschiedenis in ogenschouw nemen.
5.13. Beklaagde heeft over de voorgeschiedenis het volgende naar voren gebracht. Vanaf 2012 tot en met 2014 is er in het kader van antibiotica-reductie geprobeerd op het bedrijf van de rundveehouder volledig zonder antibiotica droog te zetten. Dit heeft vervolgens geleid tot structureel veel te hoge celgetallen van koeien na het afkalven. De rundveehouder heeft daarop op advies van beklaagde besloten om koeien selectief te gaan droogzetten met antibiotica. Volgens beklaagde heeft dit begrijpelijkerwijs tot gevolg gehad dat het gebruik van droogzetters in de daaropvolgende jaren is gestegen op het bedrijf vanwege verminderde uiergezondheid; in 2017 was bestrijding van mastitis een actiepunt in het bedrijfsgezondheidsplan van dat jaar. Het antibioticumgebruik werd daardoor hoger, maar niet te hoog, zodat er voor beklaagde geen aanleiding bestond dit gebruik grondiger te gaan monitoren, buiten de jaarlijkse evaluaties en tussentijdse contacten die er volgens beklaagde regelmatig waren.
5.14. De klachtambtenaar is het hiermee oneens. Volgens hem had beklaagde in ieder geval in 2019, toen in dat KoeKompas werd vermeld dat er vrij veel koeien uit voorzorg met droogzetters worden behandeld, gealarmeerd moeten zijn geraakt. Beklaagde had voor het uitvoeren van de evaluaties niet alleen moeten letten op dierdagdoseringen, welke gegevens altijd achterlopen, maar ten minste ook op de medicijnleveranties om een beter bedrijfsbeeld te krijgen. De klachtambtenaar heeft dit toegelicht met behulp van een overzicht van de aantallen injectoren Orbenin (Extra) Dry Cow die in de jaren 2017 tot en met 2021 aan de rundveehouder zijn afgeleverd. Dit waren in 2017 120 injectoren, in 2018 204 injectoren, in 2019 204 injectoren, in 2020 204 injectoren en in 2021 252 injectoren.
5.15. Het college overweegt dat als zou worden uitgegaan van deze aantallen, met inbegrip van de 216 in 2022 afgeleverde injectoren, deze in ieder geval vanaf 2019 niet zodanig hoog zijn en niet een zodanige stijging of uitschieter laten zien, dat beklaagde daardoor op zichzelf gealarmeerd had moeten raken en bedacht had moeten zijn op incorrect gebruik. Zoals eerder overwogen, hoeft een hoge inzet van antibiotica bij het droogzetten van koeien nog niet te betekenen dat deze ongeoorloofd worden ingezet.
5.16. Beklaagde heeft het volgende overzicht gegeven van de dierdagdoseringen (DDD) per dier per jaar op elk van de controlemomenten in de jaren 2017 tot en met 2022 en welk aandeel daarvan telkens voor rekening van droogzetten kwam.
|
controle-moment |
antibioticumgebruik in DDD per dier per jaar |
aantal DDD per dier per jaar voor droogzetten |
|
2017 |
3,93 |
1,97 |
|
2018 |
4,04 |
2,06 |
|
2019 |
4,10 |
2,21 |
|
2020 |
4,69 |
1,91 |
|
2021 |
4,33 |
2,58 |
|
2022 |
4,21 |
2,09 |
Volgens beklaagde laat dit overzicht zien dat op elk van de controlemomenten in dit tijdvak (die zien op de controlejaren vanaf medio 2016 tot en met medio 2022) de dierdagdosering onder het signaleringsniveau lag en dat deze waardes er in de regel op duiden dat koeien selectief worden drooggezet met antibiotica. De klachtambtenaar heeft deze kengetallen niet betwist, maar vraagtekens geplaatst bij de bruikbaarheid van dierdagdoseringen voor het monitoren van het gebruik van antibiotica/droogzetters. Los daarvan, laat dit onverlet dat het college beklaagde in ieder geval kan volgen in zijn redenering dat deze kengetallen een gebruik van antibiotica/droogzetters laten zien dat weliswaar meermaals aan de hoge kant is, maar op zichzelf niet het beeld oproepen van een gebruik dat zodanig hoog is of zodanige structurele stijgingen vertoont, dat hij op grond daarvan had moeten bevroeden dat de rundveehouder een droogzetbeleid voerde dat in strijd was met geldende regels en gegeven instructies. Het controlemoment van 2022 laat zien dat er zelfs sprake was van een (lichte) daling van dierdagdoseringen.
5.17. Het college is het er met de klachtambtenaar over eens dat de opmerking in KoeKompas 2019 over het uit voorzorg behandelen met droogzetters, erop duidt dat koeien toen preventief werden drooggezet met antibiotica. Dit zou voor beklaagde een aanmoediging moeten vormen om in de daaropvolgende jaren het gebruik van droogzetters door de rundveehouder goed in de gaten te (blijven) houden. Volgens de klachtambtenaar heeft beklaagde er nadien onvoldoende werk van gemaakt het droogzetbeleid te evalueren en te bevorderen dat het droogzetprotocol in acht zou worden genomen. Beklaagde heeft daartegenover gesteld dat hij het gebruik van droogzetters door de rundveehouder jaarlijks zorgvuldig heeft geëvalueerd zoals is voorgeschreven. Daarnaast zijn er regelmatig contactmomenten met de rundveehouder geweest over een correcte toepassing van droogzetters waarbij de veehouder meermaals is gewezen op de Richtlijn en het bedrijfsbehandelplan en is hem geadviseerd althans geïnstrueerd om deze te volgen.
5.18. Volgens de verklaring van de rundveehouder in de in het geding gebrachte aanvullende productie, is hij pas vanaf 2022 (weer) begonnen met het niet-selectief droogzetten van koeien. Beklaagde stelt dat eerst in januari 2023 bij een controle door de NVWA voor hem duidelijk is geworden dat het antibioticumgebruik op het bedrijf van de rundveehouder in dierdagdoseringen per dier per jaar was toegenomen tot 5,5, waarvan het aantal dierdagdoseringen per dier per jaar voor droogzetten 3,04 was. Daarmee waren deze waardes aanzienlijk verhoogd ten opzichte van de laatste door hem uitgevoerde controle en hadden deze het signaleringsniveau overstegen. Als dit betoog wordt gevolgd, zo overweegt het college, dan is beklaagde hiermee pas bekend geworden ná het laatste reguliere verplichte evaluatiemoment in oktober 2022. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat zodra dergelijke waardes hem onder ogen zouden komen, hij daardoor gealarmeerd zou zijn geraakt, omdat deze hem zouden doen vermoeden dat de rundveehouder in weerwil van zijn adviezen, koeien in strijd met de geldende regels heeft drooggezet met antibiotica. Dit zou voor hem aanleiding zijn geweest nadere actie te ondernemen en het inzetten van droogzetters op het bedrijf nader en frequenter te gaan evalueren.
5.19. Het college overweegt dat het bij het beoordelen van een klacht in een zaak als de onderhavige, waarbij het dient te oordelen over de wijze waarop het gebruik van droogzetters op een bedrijf is geëvalueerd, in het bijzonder aankomt op de (bewijs)stukken die aan de klacht ten grondslag zijn gelegd. Daarbij hanteert het college processueel gezien het uitgangspunt dat het aan de eisende partij is, in dit geval de klachtambtenaar, om zijn stellingen adequaat gedocumenteerd te onderbouwen, los van de vraag of daar door de tuchtrechter al dan niet om is verzocht.
5.20. Het college constateert dat de door beklaagde in het geding gebrachte bedrijfsgezondheidsplannen / KoeKompassen uit 2017, 2018 en 2019 – evenals het bedrijfsgezondheidsplan 2022 en het bedrijfsbehandelplan 2022 – er blijk van geven dat het antibioticumgebruik jaarlijks is geëvalueerd en dat het droogzetbeleid daarbij aan de orde is gesteld en geweest. Om te kunnen bepalen of – zoals de klachtambtenaar stelt – beklaagde heeft nagelaten er in voldoende mate op toe te zien dat de door of namens hem afgeleverde antibiotica op een correcte en verantwoorde wijze werden ingezet, moet het college zich een beeld kunnen vormen van de wijze waarop dit is gebeurd in 2022 en in de jaren die daaraan vooraf zijn gegaan. In de door de klachtambtenaar ingebrachte stukken mist het college echter de bedrijfsgezondheidsplannen en bedrijfsbehandelplannen over de jaren 2020 en 2021. Wel heeft de klachtambtenaar deze stukken over het jaar 2022 in het geding gebracht, maar van het overgelegde Bedrijfsgezondheidsplan 2022 (in KoeKompas) ontbreekt de gehele bladzijde die ziet op ‘dierziekte-incidentie’. Namens de klachtambtenaar is ter zitting verklaard dat hij het niet nodig heeft geacht om deze bladzijde ter toelichting op de klacht alsnog in het geding te brengen. Voor het college valt dit niet goed te begrijpen, nu hierdoor voor de klachtambtenaar niet kenbaar is wat daarin door (althans onder verantwoordelijkheid van) beklaagde is opgemerkt over hetgeen met de rundveehouder is besproken en wat is geadviseerd/geïnstrueerd over antibioticumgebruik in verband met het droogzetten van koeien, met betrekking tot het jaar waarop de klacht van de klachtambtenaar ziet.
5.21. Op grond van al het voorgaande en in acht genomen de tegenovergestelde lezingen die partijen er over het handelen van beklaagde in dezen op nahouden, is voor het college onvoldoende gedocumenteerd gebleken en daardoor niet behoorlijk vast te stellen of beklaagde, zoals de klachtambtenaar heeft betoogd, kan worden verweten dat hij in het jaar 2022 is tekortgeschoten in de op hem rustende plicht om het gebruik van droogzet-injectoren door de rundveehouder te evalueren, zodanig dat dit tot tuchtrechtelijke consequenties zou moeten leiden met betrekking tot de aantallen Orbenin (Extra) Dry Cow die er gedurende het jaar 2022 aan de veehouder zijn afgeleverd.
5.22. Het voorgaande leidt het college ertoe te beslissen als volgt.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de
leden drs. M. Lockhorst, drs. J.A.M. van Gils, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en
drs. A.H.A. Steentjes en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.