ECLI:NL:TDIVTC:2025:24 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/33
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:24 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-06-2025 |
| Datum publicatie: | 12-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2024/33 |
| Onderwerp: | Klachtambtenaarzaken |
| Beslissingen: | Gegrond met boete |
| Inhoudsindicatie: | Klachtambtenaarzaak. Dierenarts wordt verweten de vaccinatie van dieren tegen Q-koorts in strijd met de geldende voorschriften te hebben uitgevoerd en van de vaccinatie een incorrecte en onvolledige administratie te hebben bijgehouden. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht de dierenarts een onvoorwaardelijke boete van € 5.000 op te leggen. Het college acht zowel het klachtonderdeel over het niet binnen twaalf maanden vaccineren door de dierenarts van de geiten en schapen op het bedrijf van de dierhouder als het klachtonderdeel over het bijhouden van een incorrecte en onvolledige administratie door de dierenarts van deze dieren gegrond. Volgt een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 en een voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van twee jaar. [Klacht gegrond met geldboete] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,
hierna: de klachtambtenaar,
tegen
dierenarts beklaagde,
hierna: beklaagde.
-------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2025. Daarbij waren aanwezig mr. L. Schleeper als gemachtigde van de klachtambtenaar, alsook beklaagde. Na afloop van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten de vaccinatie van dieren tegen Q-koorts in strijd met de geldende voorschriften te hebben uitgevoerd en van de vaccinatie een incorrecte en onvolledige administratie te hebben bijgehouden. De klachtambtenaar heeft als op te leggen maatregel verzocht beklaagde een onvoorwaardelijke boete van € 5.000 op te leggen.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Q-koorts is een bacteriële infectieziekte die van dieren op mensen kan overgaan (zoönose). Geiten en schapen met Q-koorts behoren tot een belangrijkste bron van deze ziekte bij mensen. Coxevac (REG NL 104410) is een diergeneesmiddel waarmee bepaalde dieren kunnen worden gevaccineerd tegen Q-koorts. Volgens de bijsluiter dient een primaire vaccinatie van twee doseringen met een interval van drie weken te worden gegeven, waarna jaarlijks één dosering bij wijze van hervaccinatie moet worden gegeven. De kanalisatiestatus van Coxevac is UDD, wat betekent dat het middel uitsluitend door dierenartsen mag worden toegediend.
3.2. Twee inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) hebben op 10 juli 2023 een inspectie uitgevoerd op het bedrijf [naam], gevestigd te [plaatsnaam] (Ov) (hierna: de dierhouder). Naar aanleiding van de inspectie hebben de NVWA-inspecteurs op 13 juli 2023 van de dierhouder per e-mail ontvangen:
- een ingevulde en door beklaagde ondertekende visitebrief met als datum 1 juni 2021, waaruit blijkt dat 27 dieren van de dierhouder zijn gevaccineerd met Coxevac;
- een ingevulde en door beklaagde en ondertekende visitebrief met als datum 28 mei 2022, waaruit blijkt dat 30 dieren van de dierhouder zijn gevaccineerd met Coxevac.
3.3. Op 23 augustus 2023 hebben de NVWA-inspecteurs zich naar de locatie van de praktijk van beklaagde begeven om de administratie met betrekking tot de in 2021 en 2022 toegediende vaccinaties tegen Q-koorts in te zien. Zij zagen in de afsprakenagenda van beklaagde:
- dat in 2021 27 geiten en schapen van de dierhouder zijn gevaccineerd op 1 juni, de datum van de eerste hierboven genoemde visitebrief, en;
- dat in 2022 30 geiten en schapen van de dierhouder zijn gevaccineerd op 28 juni, welke datum afwijkt van de tweede hierboven genoemde visitebrief (van 28 mei 2022).
3.4. Op basis van het onderzoek heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De klachtambtenaar heeft daarop besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde in strijd heeft gehandeld met voorschriften over het toedienen van geneesmiddelen en het administreren ervan, zodanig dat hij is tekortgeschoten in hetgeen van hem als diergeneeskundige mocht worden verwacht, waardoor schade voor de diergezondheid kon ontstaan, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2 tweede lid van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid.
5.2. De klachtambtenaar stelt dat beklaagde lichtvaardig is omgegaan met de in regelgeving vastgelegde preventieve maatregelen tegen Q-koorts door geiten en schapen op het bedrijf van de dierhouder niet binnen twaalf maanden een (her)vaccinatie tegen Q-koorts te hebben toegediend. Ook getuigen de in 2021 en 2022 van het vaccineren tegen Q-koorts door beklaagde opgemaakte visitebrieven volgens de klachtambtenaar van het voeren van een incorrecte en onvolledige administratie. Hierdoor is beklaagde tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts ten opzichte van de geiten en schapen had behoren te betrachten en heeft hij een risico voor de dier- en volksgezondheidszorg veroorzaakt en het vertrouwen in de beroepsgroep van dierenartsen geschaad.
5.3. Beklaagde heeft erop gewezen dat de officier van justitie kenbaar heeft gemaakt hem niet verder te zullen vervolgen wegens onvoldoende bewijs ter zake van hetzelfde voorval als thans aan deze klachtprocedure ten grondslag ligt. Het college overweegt dat deze beslissing van de officier van justitie geen invloed heeft op de beoordeling van de klacht tegen beklaagde in deze procedure. Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij een samenloop met andere rechtsgebieden (het strafrecht, het bestuursrecht), geen strijdigheid wordt aangenomen met het ‘ne bis in idem’, noch met het ‘una via’ beginsel. In eerdere uitspraken is overwogen dat een tuchtprocedure, anders dan een strafrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure, niet als punitief van aard en niet als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM wordt gezien en dat het tuchtrecht, dat betrekking heeft op het individueel handelen van beroepsgenoten, een afzonderlijk en specifiek doel dient, te weten het bewaken, borgen en bevorderen van de goede en zorgvuldige beroepsuitoefening. Daarbij kunnen in een tuchtprocedure alle facetten die eigen zijn aan de uitoefening van het vak en het handelen als goed beroepsbeoefenaar aan de orde komen. De omstandigheid dat de officier van justitie heeft afgezien van een (verdere) strafrechtelijke vervolging van beklaagde, maakt niet dat het college niet langer zou mogen oordelen over de tuchtklacht van de klachtambtenaar jegens hem.
5.4. In artikel 106 van de Verordening 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Verordening) is bepaald dat een diergeneesmiddel wordt gebruikt in overeenstemming met de voorwaarden van de handelsvergunning van dat middel. In de bijsluiter van Coxevac, die onderdeel vormt van de handelsvergunning van dit middel, staat dat na het opstarten van de vaccinatie, jaarlijks één dosering bij wijze van hervaccinatie moet worden toegediend. In dit geval is gebleken, zo overweegt het college, dat de geiten en schapen van de dierhouder niet binnen die termijn van een jaar een hervaccinatie met dit middel toegediend hebben gekregen. Weliswaar vermeldt de van de 2022-vaccinatieronde opgemaakte visitebrief als datum 28 mei 2022, maar vast is komen te staan – nu dit door beklaagde is bevestigd – dat de dieren in 2022 daadwerkelijk zijn gevaccineerd op 28 juni, dus meer dan een jaar na de eerdere vaccinatieronde op 1 juni 2021. Zodoende heeft beklaagde Coxevac met het oog op de jaarlijkse hervaccinatie, in strijd met de bijsluiter toegediend. Aangezien Coxevac gelet op de UDD-status van dit middel, uitsluitend door dierenartsen mag worden toegediend, is hiermee sprake van handelen door beklaagde in strijd met artikel 106 van de Verordening.
5.5. Daarnaast is in artikel 1.46 van het Besluit houders van dieren (hierna: het Besluit) bepaald (in lid 1 onder b) dat een houder van schapen of geiten de dieren tegen Q-koorts laat vaccineren indien deze worden gehouden op een locatie die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren. De kinderboerderij die door de dierhouder wordt geëxploiteerd, is een bedrijf zoals bedoeld in de vorige zin. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de dierhouder de dieren binnen twaalf maanden na de primaire vaccinatie opnieuw laat vaccineren en vervolgens elke twaalf maanden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dus ook deze bepaling is veronachtzaamd. Ingevolge het Besluit rust op de dierhouder de verplichting om de dieren te laten vaccineren op de momenten en met inachtneming van de intervallen zoals daarbij is bepaald. Beklaagde heeft ook aangevoerd dat in de eerste plaats op de dierhouder de verantwoordelijkheid rust voor het tijdig laten uitvoeren van de Q-koortsvaccinatie. Het college overweegt dat dit niet kan wegnemen dat beklaagde voorafgaand aan het toedienen van de Q-koortsvaccinatie had behoren na te gaan of de geldende vaccinatietermijnen zouden worden gerespecteerd. Zo had hij moeten constateren dat toen hij op 28 juni 2022 de geiten en schapen vaccineerde, de hervaccinatietermijn van twaalf maanden inmiddels was verstreken. Beklaagde had daarop toereikende maatregelen moeten treffen en de dierhouder moeten adviseren de betreffende geiten en schapen een hervaccinatie te laten toedienen 3 weken later.
5.6. Het voorgaande leidt het college ertoe te oordelen dat het klachtonderdeel over het niet binnen twaalf maanden vaccineren door beklaagde van de geiten en schapen op het bedrijf van de dierhouder, gegrond is. Aan dit oordeel kan de door beklaagde naar voren gebrachte omstandigheid dat bij andere vaccinaties een humorale immuniteit van meer dan veertien maanden zou gelden, niet afdoen.
5.7. De omstandigheid dat de datum van de door beklaagde opgemaakte visitebrief van de in 2022 uitgevoerde Q-koortsvaccinatie afwijkt van de datum waarop hij de geiten en schapen daadwerkelijk heeft gevaccineerd, maakt reeds duidelijk dat de administratie van deze vaccinatie een onjuistheid bevat. Gebleken is dat deze visitebrief eerst is opgemaakt op verzoek van de dierhouder naar aanleiding van de op 10 juli 2023 door de NVWA-inspecteurs uitgevoerde inspectie (zie 3.2). Beklaagde heeft verklaard dat hij de door de assistente van zijn praktijk opgestelde visitebrief heeft ondertekend, zonder op de daarop vermelde datum te hebben gelet, hetgeen hij wel had moeten doen. De klachtambtenaar heeft toegelicht dat zijn klacht niet alleen ziet op deze achteraf opgestelde, onjuist gedateerde visitebrief, maar dat beide visitebrieven die in deze procedure aan de orde zijn erg summier zijn opgesteld, zodat daaruit niet valt af te leiden hoeveel schapen en hoeveel geiten zijn gevaccineerd en met hoeveel milliliter vaccin. Het college overweegt dat in artikel 1.47, tweede lid van het Besluit is bepaald dat de dierhouder de hoeveelheid gebruikt vaccin, het aantal gevaccineerde dieren en de vaccinatiedatum administreert. Ingevolge het derde lid van dit artikel is de dierenarts die de vaccinatie heeft uitgevoerd – naast de dierhouder – gehouden deze gegevens van een handtekening te voorzien. Hiermee is de dierenarts in ieder geval medeverantwoordelijk voor een correcte en volledige administratie van deze gegevens. Nu deze gegevens incorrect dan wel onvolledig in de visitebrieven staan, voldoen deze niet aan de eisen die gesteld mogen worden aan een adequate administratie van de Q-koortsvaccinatie. Naar het oordeel van het college is beklaagde, door de visitebrieven desondanks te ondertekenen, tekort geschoten bij het nemen van zijn verantwoordelijkheid voor deze administratie. Ook valt beklaagde aan te rekenen dat er van de in 2022 uitgevoerde vaccinatie in ieder geval tot juli 2023 geen administratiestuk voorhanden is geweest. Dit leidt ertoe dat ook het klachtonderdeel over het bijhouden van een incorrecte en onvolledige administratie door beklaagde van de geiten en schapen op het bedrijf van de dierhouder, gegrond is.
5.8. Met betrekking tot de op te leggen maatregel neemt het college het volgende in aanmerking. Beklaagde behoort zich bewust te zijn van zijn (mede)verantwoordelijkheid voor het correct uitvoeren en administreren van Q-koortsvaccinaties, hetgeen van groot belang is ter voorkoming van Q-koorts bij (kinderboerderij)dieren en – omdat Q-koorts een zoönose is – bij mensen. Beklaagde heeft verklaard dat het vaccineren van de geiten en schapen op de kinderboerderij van de dierhouder tegen deze ziekte indertijd op zijn initiatief is ingezet. Het vaccineren tegen Q-koorts was een activiteit die door beklaagde niet frequent en grootschalig werd uitgevoerd, nu hij zelf heeft verklaard dat hij in het verleden jaarlijks circa dertig dieren hiertegen vaccineerde, alleen op de kinderboerderij van de dierhouder. Vanwege grote drukte heeft hij ervoor gekozen zijn praktijk voor landbouwhuisdieren af te stoten naar een collega; in de loop van 2022 is hij gestopt met werken als landbouwhuisdierenarts en is hij doorgegaan met het behandelen van uitsluitend gezelschapsdieren. In 2023 heeft beklaagde de geiten en schapen van de dierhouder niet meer tegen Q-koorts gevaccineerd. Het college acht de kans op recidive wat betreft het tekortschietend optreden door beklaagde zoals dat in deze klachtzaak aan de orde is, dan ook vrijwel nihil. Bovendien heeft beklaagde zich tijdens het onderzoek van de NVWA toetsbaar en transparant opgesteld en is hij niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld. Hierom acht het college na te melden maatregel passend en geboden.
5.9. Het voorgaande leidt het college ertoe te beslissen als volgt.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht gegrond;
legt aan beklaagde een onvoorwaardelijke geldboete op van € 500 en een voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van twee jaar, ingaande de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel c, juncto het vijfde en zesde lid van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de
leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats
en drs. C.J. van Woudenbergh en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.