ECLI:NL:TDIVTC:2025:23 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/8

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:23
Datum uitspraak: 19-06-2025
Datum publicatie: 12-02-2026
Zaaknummer(s): 2024/8
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten dat zij de hond van klaagster op een lakse wijze heeft behandeld en daardoor het leven van de hond in gevaar heeft gebracht. Het college is er niet van overtuigd geraakt dat de dierenarts veterinair is tekortgeschoten wat betreft het door haar bij de hond verrichte onderzoek en de door haar ingezette behandeling van de hond. Klacht ongegrond, ook wat betreft het verwijt dat de dierenarts klaagster onhebbelijk zou hebben bejegend. [Klacht ongegrond]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

mw. klaagster,                                                          klaagster,

tegen

dierenarts mw. drs. beklaagde,                              beklaagde.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer en de repliek. Beklaagde heeft ervan afgezien te dupliceren. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 december 2024. Daarbij waren aanwezig klaagster, alsook beklaagde, vergezeld van de assistente van haar praktijk [naam assistente] (hierna: assistente). Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat zij de hond van klaagster op een lakse wijze heeft behandeld waardoor zij het leven van de hond in gevaar heeft gebracht, en dat zij klaagster onhebbelijk heeft bejegend.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De hond van klaagster waar het in deze zaak om gaat, is een Teckel (reu) met de naam [naam] (hierna: hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid circa een half jaar oud.

3.2. In de nacht van 9 op 10 oktober 2023 heeft klaagster rond 4.00 uur telefonisch contact opgenomen met beklaagde, die toen optrad als dienstdoende spoeddierenarts. De hond had last van diarree en buikpijn en had gebraakt, maar over zijn andere klachten en wat daarover toen aan beklaagde kenbaar is gemaakt, verschillen partijen van mening. Beklaagde heeft het niet nodig geacht hond direct voor consult langs te laten komen op de praktijk en heeft klaagster verzocht de volgende ochtend hierover contact op te nemen met de dierenarts.

3.3. Nadat klaagster op 10 oktober 2023 rond 8.30 uur telefonisch contact had opgenomen met de praktijk, is zij vervolgens rond 10.15 uur / 11.00 uur met hond op consult geweest bij beklaagde. Beklaagde heeft anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek uitgevoerd. Volgens het patiëntendossier van hond was sprake van “een vrolijke hond die wel veel darmgeluiden heeft en buikpijn”. Beklaagde heeft een gastro-enteritis waarvan de oorzaak niet duidelijk is gediagnosticeerd en een voorstel voor behandeling gedaan.

3.4. Op 11 oktober 2023 is klaagster met hond bij een andere dierarts op consult geweest. Deze dierenarts heeft hond op dezelfde dag geopereerd en daarbij een ileus (darmobstructie) verholpen.

3.5. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van hond, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. In de eerste plaats heeft klaagster betoogd dat beklaagde zich te laks heeft opgesteld als dienstdoende spoedarts nadat zij in de nacht van 9 op 10 oktober 2023 de klachten van hond aan beklaagde had voorgehouden. Beide partijen zijn het erover eens dat klaagster naar voren heeft gebracht dat hond last had van diarree en buikpijn en dat de hond had gebraakt. Blijkens de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting houden partijen er verschillende lezingen op na over of er toen nog meer klachten aan beklaagde kenbaar zijn gemaakt. Zo stelt klaagster dat hond hoorbaar gilde tijdens het nachtelijke telefoongesprek met beklaagde en dat zij toen heeft gemeld dat er bloed en slijm bij zijn ontlasting zat. Beklaagde heeft dit bestreden, terwijl de stukken geen aanwijzingen bevatten die steun bieden voor de lezing van een van beide partijen. Hierdoor is onvoldoende duidelijk geworden of gemeld is dat er bloed en/of slijm bij hond’s ontlasting zat en of hij hoorbaar heeft gegild, zodat in het midden dient te worden gelaten of daarvan sprake was en er dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt jegens beklaagde op kan worden gebaseerd. Het college overweegt dat beklaagde, uitgaande van de klachten waarvan vaststaan dat deze aan haar zijn gemeld, niet tuchtrechtelijk tekort is geschoten door rond 4.00 uur klaagster niet uit te nodigen met hond voor consult bij haar op de praktijk, maar het tot de volgende ochtend te laten aanzien en dan eventueel contact op te nemen met de dierenarts.

5.3. Klaagster heeft op 10 oktober rond 8.30 uur contact opgenomen met de praktijk van beklaagde met het verzoek voor consult langs te mogen komen met hond. Aangezien het spreekuur vol was en beklaagde een druk operatieprogramma had, heeft beklaagde aangeboden hond tussen twee operaties door te zien, van welk aanbod klaagster gebruik heeft gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat Klaagster rond 10.15 uur / 11.00 uur met hond op consult is geweest bij beklaagde. Voor zover klaagster meent dat het te lang heeft geduurd alvorens zij met hond op consult kon komen, acht het college dit geen gegronde klacht. Er waren onvoldoende aanwijzingen voor beklaagde die maakten dat zij zou moeten hebben bewerkstelligd dat hond eerder zou worden gezien.

5.4. Beklaagde heeft op 10 oktober lichamelijk onderzoek verricht bij hond. Het college constateert dat dit onderzoek vrij summier is uiteengezet in het patiëntendossier van hond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde verklaard dat zij er vanwege tijddruk – tussen twee operaties door – geen tijd voor heeft gehad uitgebreider verslag te doen van het consult, waarvoor het college begrip heeft. Beklaagde heeft ter zitting verslag gedaan van de wijze waarop zij, na anamnese te hebben afgenomen, samen met haar assistente hond heeft onderzocht, hetgeen door klaagster onvoldoende gemotiveerd is betwist. Het college verbindt hieraan de conclusie dat beklaagde een toereikend algemeen klinisch onderzoek heeft uitgevoerd bij hond, mede gelet op de klachten van de hond. Die bestonden nog steeds uit een pijnlijke buik en diarree, terwijl er verder geen sprake was van afwijkende parameters. Uit de door beklaagde afgenomen anamnese was naar voren gekomen dat het braken slechts eenmaal had plaatsgevonden, namelijk voorafgaand aan het nachtelijke telefoongesprek nadat hond gras had gegeten, en daarna dus niet meer. Partijen spreken elkaar erover tegen of ten tijde van het consult aan beklaagde is overgebracht of er bloed bij de ontlasting van hond zat, zodat het college onbeslist dient te laten of daarvan sprake was.

5.5. Klaagster heeft beklaagde verweten dat zij tijdens het consult op 10 oktober geen nader onderzoek heeft verricht. Zij stelt te hebben aangedrongen op het maken van een röntgenfoto en/of een echo, maar beklaagde heeft dit niet nodig geacht. Beklaagde heeft dit laatste beaamd, met dien verstande dat als ze de buikpijn van hond op één specifieke plek zou hebben aangetroffen, ze het wel degelijk aangewezen zou hebben geacht dat er meteen een echoscopie zou worden verricht. Daartoe zou hond dan moeten worden doorverwezen, omdat beklaagde zelf geen echo-onderzoek uitvoert. Volgens het patiëntendossier van hond heeft beklaagde aan klaagster uitleg gegeven over het uitvoeren van beeldvormend onderzoek. Het college constateert dat partijen (ook) over de locatie van de buikpijn ten tijde van het consult, verschillende lezingen erop na houden: volgens beklaagde was de hele buik van hond gevoelig, terwijl zij volgens klaagster bij het palperen van de buik zou hebben uitgesproken dat ze ‘iets voelde’, wat zou duiden op een gelokaliseerde pijnplek. Nu ook de stukken van het dossier geen steun bieden voor de lezing van een van beide partijen, valt er voor het college geen peil op te trekken welke partij op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft, zodat ook dit onbeslist dient te worden gelaten. Het college overweegt dat uit het door beklaagde uitgevoerde klinisch onderzoek van hond onvoldoende indicaties voor het uitvoeren van aanvullend beeldvormend (echo- of röntgen)onderzoek naar voren zijn gekomen. Dat beklaagde dergelijk onderzoek in dat stadium niet nodig heeft geacht, beschouwt het college dan ook niet als nalatig optreden door haar.

5.6. Beklaagde heeft op basis van haar bevindingen tijdens het consult op 10 oktober de (waarschijnlijkheids)diagnose gastro-enteritis waarvan de oorzaak niet duidelijk is gesteld. Als behandelplan heeft zij voorgesteld het dieet van hond aan te passen, de hond te ontwormen, een Giardia-test uit te voeren – met het oog waarop klaagster gedurende drie dagen de ontlasting van hond zou moeten verzamelen – en vervolgens eventueel nader onderzoek (van de pancreas of de maag) te verrichten. Beklaagde heeft Prevomax toegediend bij hond: niet ter voorkoming van braken, zo heeft beklaagde ter zitting toegelicht, maar vanwege de pijnstillende werking op de buikstreek. Het college kan begrijpen dat beklaagde voor deze wijze van behandeling heeft gekozen en ziet er geen tuchtrechtelijk tekortschieten in dat zij deze behandeling heeft ingezet. Beklaagde heeft geen opvolging kunnen geven aan de door haar ingezette behandeling van hond, omdat klaagster deze heeft afgebroken door de volgende dag naar een andere dierenarts te gaan.

5.7. Klaagster heeft zich nog beklaagd over de onhebbelijke en ongeïnteresseerde wijze waarop zij door beklaagde zou zijn bejegend. Naar vaste jurisprudentie geldt, zo overweegt het college, dat klachten over de bejegening van en de communicatie met een diereigenaar door een dierenarts buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. Het college ziet onvoldoende aanwijzingen dat van dit laatste sprake zou zijn geweest. Hierom dient de klacht over de bejegening buiten de beoordeling te blijven.

5.8. Dit alles leidt tot het oordeel dat klaagster er niet in is geslaagd het college ervan te overtuigen dat beklaagde veterinair is tekortgeschoten wat betreft het door haar bij hond verrichte onderzoek en de door haar ingezette behandeling van de hond. De enkele omstandigheid dat op 11 oktober door de opvolgende dierenarts naar aanleiding van een uitgevoerde operatie van hond een darmobstructie is vastgesteld, maakt dit niet anders. De klacht tegen beklaagde zal dan ook ongegrond worden verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.


Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. J.A.M. van Gils en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.