ECLI:NL:TDIVTC:2025:22 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/51

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:22
Datum uitspraak: 16-04-2025
Datum publicatie: 25-06-2025
Zaaknummer(s): 2023/51
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: Klachtambtenaar-zaak. Het college overweegt dat beklaagde, dierenarts, door antibiotica af te leveren aan de veehouder op de wijze zoals dat hier is gebeurd, zonder dat was voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, onvoldoende verantwoordelijkheid heeft betracht. Van hem had als 1-op-1 dierenarts mogen worden verwacht erop toe te zien dat de droogzet-injectoren selectief en restrictief en niet onnodig preventief althans niet zonder gedegen voorafgaande diagnostiek – in de vorm van een celgetalmeting op individueel koe niveau – werden toegepast, om aldus onnodig en onzorgvuldig antibioticagebruik tegen te gaan en nadelige effecten in de vorm van het resistentiegevaar voor de dier- en volksgezondheid te voorkomen. [Gegrond met berisping]

  HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van

de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15 lid 2, onderdeel b, van de Wet dieren,

hierna: de klachtambtenaar,

tegen

dierenarts X.,

hierna: beklaagde.

-------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer en de repliek. Beklaagde  heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een akte van dupliek in te dienen. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 28 november 2024. Daarbij was mr. L. Schleeper aanwezig als gemachtigde van de klachtambtenaar. Beklaagde heeft zich voor de hoorzitting afgemeld. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat er door hem of onder zijn verantwoordelijkheid antibiotica in de vorm van droogzet-injectoren aan een rundveebedrijf zijn geleverd, zonder dat was voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, waarmee risico’s zijn geschapen voor de dier- en volksgezondheid. De klachtambtenaar heeft het college verzocht om beklaagde de maatregel van een berisping op te leggen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de levering van het diergeneesmiddel Orbenin Dry Cow (REG NL 1381), een antibioticum voor intramammair gebruik tijdens het droogzetten van een koe met het oog op de behandeling van een aanwezige mastitis (uierontsteking) op het moment van droogzetten in die periode.

3.2. Op 27 juli 2022 hebben toezichthouders van de NVWA een controle uitgevoerd bij het melkveebedrijf U., V., en W. in A (hierna ook: de veehouder). De toezichthouders spraken met een van de maatschapsleden, de heer W, die verklaarde dat bijna alle koeien op het bedrijf werden drooggezet met antibiotica.

3.3. Uit gegevens verkregen via Medirund, de door de overheid aangewezen centrale databank waarin leveranties van antibiotica door een dierenarts aan een rundveehouderij worden geregistreerd. heeft de NVWA afgeleid dat beklaagde in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 27 juli 2022 in totaal 276 injectoren Orbenin Dry Cow aan de veehouder had geleverd, waarmee 69 koeien (276 / 4 injectoren per rund) konden worden drooggezet.

3.4. Niet in geschil is dat beklaagde de 1-op-1 dierenarts van het bedrijf was en

dat tussen hem en de rundveehouder een zogenoemde ‘1-op-1-overeenkomst’ gold. De 1-op-1 overeenkomst vindt haar grondslag in de regeling die door de Stichting Geborgde Dierenarts is vastgelegd in het Reglement ‘Geborgde Rundveedierenarts’ en beoogt de kwaliteit van dienstverlening door dierenartsen aan rundveebedrijven te bevorderen. De 1-op-1 overeenkomst omvat alle veterinaire diensten geleverd op het melk-/rundveebedrijf. De 1-op-1 dierenarts is eindverantwoordelijk voor de voorgeschreven diergeneesmiddelen op het bedrijf en derhalve ook voor de levering en de inzet van antibiotica. 

3.5. Beklaagde heeft voor de jaren 2019, 2020, en 2021 bedrijfsgezondheidsplannen volgens het format KoeKompas opgesteld, alsook bedrijfsbehandelplannen, die op verzoek aan de NVWA ter beschikking zijn gesteld en waaruit hieronder relevante passages worden weergegeven.

Met betrekking tot de bedrijfsgezondheidsplannen  

In het bedrijfsgezondheidsplan van 30 oktober 2019 staat onder meer:

‘Koeien die met antibiotica drooggezet worden dienen 4 weken voor het droogzetten op celgetal of met de T-pol test te worden gecontroleerd, als er geen celgetalbepaling middels de MPR gedaan wordt. Een goede registratie van de T-pol test is een vereiste. En positieve uitslag vd T-pol test 1 of meer kwartieren afwijkend binnen 4 weken voor t afkalven geeft de mogelijkheid om de koe droog te zetten met antibiotica-droogzetters (Orbenin). Zorg voor een administratie vd resultaten van de T-pol test’.

‘Het aantal dieren met verhoogd celgetal ontbreekt; het bedrijf doet niet mee melkcontrole.’

In het bedrijfsgezondheidsplan van 11 november 2020 staat onder meer:

‘Gebruik droogzetters alleen als er een individueel celgetal vd koe (max 6 weken voor t droogzetten) bekend is: voor een vaars mag een ab houdende droogzetter gebruikt worden bij een celgetal > 150, bij een koe is de norm > 50’

‘Koeien die met antibiotica drooggezet worden dienen 4 weken voor het droogzetten op celgetal of met de T-pol test te worden gecontroleerd, als er geen celgetalbepaling middels de MPR gedaan wordt. Een goede registratie door de veehouder van de T-pol test is een vereiste. Er kan ook een celgetalbepaling op de praktijk gedaan worden. Een positieve uitslag vd T-pol test 1 of meer kwartieren afwijkend binnen 4 weken voor t afkalven geeft de mogelijkheid om de koe droog te zetten met antibiotica-droogzetters (Orbenin). Zorg voor een administratie vd resultaten van de T-pol test’ .

‘Introductie van aangekochte koeien kan een hogere ziekte incidentie tot gevolg hebben, desondanks doet de koppel het goed met een productie van ongeveer 27 kg melk/koe/dag. De DDD is te hoog, dit wordt vooral veroorzaakt door antibiotica houdende droogzetters bij bijna alle koeien. Afgesproken is nu dat van de dieren die drooggezet gaan worden een individueel celgetal (maximaal 6 weken voor het droogzetten bepaald) bekend en geregistreerd moet zijn, vanwege het ontbreken van de MPR (geen melkcontrole). De celgetalmeting kan op de praktijk uitgevoerd worden. Het selectief droogzetten met antibiotica moet het huidige droogzetbeleid geleidelijk aan vervangen. Zonder een bekend celgetal mag niet met antibiotica worden drooggezet’.

In het bedrijfsgezondheidsplan van 7 december 2021 staat onder meer vermeld:

‘Gebruik droogzetters alleen als er een individueel celgetal vd koe (max 6 weken voor t droogzetten) bekend is:  voor een vaars mag een ab houdende droogzetter gebruikt worden bij een celgetal > 150, bij een koe is de norm > 50’

‘Introductie van aangekochte koeien kan een hogere ziekte incidentie tot gevolg hebben, desondanks doet de koppel het goed met een productie van ongeveer 24 kg melk/koe/dag. De DDD is te hoog, dit wordt vooral veroorzaakt door antibiotica houdende droogzetters bij bijna alle koeien. Afgesproken is nu dat van de dieren die drooggezet gaan worden een individueel celgetal (maximaal 6 weken voor het droogzetten bepaald) bekend en geregistreerd moet zijn, vanwege het ontbreken van de MPR (geen melkcontrole). De celgetalmeting kan op de praktijk uitgevoerd worden. Het selectief droogzetten met antibiotica moet het huidige droogzetbeleid geleidelijk aan vervangen. Zonder een bekend celgetal mag niet met antibiotica worden drooggezet’.

Met betrekking tot de bedrijfsbehandelplannen

In het bedrijfsbehandelplan van 1 september 2019 staat onder meer vermeld:

’het is raadzaam regelmatig een melkmonster met een te hoog celgetal naar de praktijk te brengen om deze bacteriologisch te laten onderzoeken en de gevoeligheid van de desbetreffende bacterie te achterhalen zodat een zo goed mogelijk BEDRIJFSPECIFIEK behandelplan kan worden opgesteld. Evt. koe droogzetten aan de hand van bacteriologisch onderzoek ’.

‘Volgens de Richtlijn Antimicrobiële Middelen mogen koeien met een celgetal lager dan 50000 en vaarzen lager dan 150000 niet meer met antibiotica worden drooggezet. Zorg ervoor dat de koe bij het droogzetten niet meer dan 12 liter melk per dag geeft’.

In geval van droogzetten: koe tot max 4 weken daarvoor T-pol test doen mbv 4-kwartierenschaaltje. 1 of meer kwartieren omslag (mengsel melk en T-pol verdikt tot slijm) dan mogelijk met antibiotica (Orbenin) droogzetten. Registreer en bewaar de uitslagen van de T-pol test’.

In het bedrijfsbehandelplan van 10 juli 2021 staat onder meer vermeld:

‘Volgens de Richtlijn Antimicrobiële Middelen mogen koeien met een celgetal lager dan 50000 en vaarzen lager dan 150000 niet meer met antibiotica worden drooggezet. Zorg ervoor dat de koe bij het droogzetten niet meer dan 12 liter melk per dag geeft’.

‘Antibiotica houdende droogzetters mogen alleen ingezet worden als er van de betreffende koe een recent celgetal (<, 4 weken)  bekend is of een recente test omtrent de individuele uiergezondheid van de koe in kwestie’.

In het bedrijfsbehandelplan van 25 oktober 2022 staat onder meer vermeld:

‘Volgens de Richtlijn Antimicrobiële Middelen mogen koeien met een celgetal lager dan 50000 en vaarzen lager dn 150000 niet meer met antibiotica worden drooggezet. Zorg ervoor dat de koe bij het droogzetten niet meer dan 12 liter melk per dag geeft’ .

‘Antibiotica houdende droogzetters kunnen alleen ingezet worden als er een celgetalmeting of een CMT-test binnen 4 weken van het droogzetten is verricht. Veehouder noteert de uitkomsten per koe’ .

Evaluatie 25-10-2022

‘Orbenin DC of Orbenin DC Extra kunnen alleen ingezet worden als het celgetal of een CMT test van de betreffende koe (< 4 weken voor de droogzetdatum) bekend is. Veehouder houdt de bepalingen bij zodat deze inzichtelijk zijn voor de dierenarts’.

3.6. Op 26 augustus 2022 heeft de NVWA een tweede bezoek aan het bedrijf gebracht en gesproken met de maatschapsleden W., V. en U.. Van hun zijde is verklaard dat er geen celgetalbepalingen op individueel niveau werden uitgevoerd. Tevens is verklaard dat er door de melkfabriek wel een celgetalbepaling uit de melktank werd  uitgevoerd en dat daaruit bleek dat het celgetal hoog was en dat daarom de meeste koeien werden drooggezet met behulp van antibiotica. Desgevraagd werd van de zijde van de veehouder erkend dat daaruit geen celgetalmeting per individueel dier is af te leiden.

3.7. Naar aanleiding van de controlebezoeken is beklaagde op 11 oktober 2022 gehoord, Daarnaast is er op 18 augustus en 25 en 26 oktober contact tussen de NVWA en beklaagde geweest. Beklaagde heeft bevestigd dat er droogzetinjectoren aan het bedrijf werden geleverd zonder dat er tevoren melkmonsters voor een celgetalmeting werden afgeleverd op zijn praktijk. Beklaagde gaf tijdens de contacten met de NVWA eind oktober 2022 aan stappen te hebben ondernomen om de overtredingen te beëindigen, hetgeen ook  daadwerkelijk is gebeurd.      

3.8. De beklaagde heeft tijdens zijn verhoor door de NVWA verklaard dat hij inderdaad de 1-op-1 dierenarts is en op de hoogte was van het feit dat er regelmatig droogzetters werden opgehaald bij de praktijk door de veehouder en dat er niet naar zijn herhaaldelijke adviezen in het bedrijfsbehandelplan en bedrijfsgezondheidsplan (Koekompas) werd geluisterd door de veehouder. Volgens beklaagde heeft hij de veehouder gewaarschuwd en erkent hij dat hij eerder actie had moeten ondernemen naar de veehouder. Tevens geeft hij aan geen droogzetters meer te leveren aan de veehouder.

3.9. De NVWA heeft op basis van het onderzoek geconcludeerd dat op de veehouderij nagenoeg alle koeien preventief werden drooggezet met Orbenin Dry Cow en dat beklaagde dit antibioticum aan het bedrijf is blijven leveren terwijl hij wist dat de koeien op het bedrijf zonder voorafgaande celgetalmeting werden drooggezet. Op basis van het onderzoek heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd berechtingsrapport opgemaakt. De klachtambtenaar heeft daarop besloten de onderhavige tuchtprocedure te starten.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. Aan de orde is de vraag of beklaagde in strijd heeft gehandeld met de regelgeving betrekking hebbend op het afleveren van antibiotica en daarmee is tekortgeschoten in hetgeen van hem als diergeneeskundige mocht worden verwacht, waardoor schade voor de diergezondheid kon ontstaan, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. In eerdere jurisprudentie is reeds bepaald dat het vroegere artikel 14 aanhef en onderdeel b, WUD, thans artikel 4.2 tweede lid van de Wet dieren, mede geacht moet worden betrekking te hebben op het handelen of nalaten van dierenartsen, voor zover dit implicaties heeft voor de volksgezondheid en de afzet van dierlijke producten.

5.2. Voor wat betreft de toepasselijke regelgeving wordt hierna uitgegaan van de vindplaats van de wetsartikelen in de hier in het geding zijnde periode.

Met betrekking tot het gebruik van antibiotica in de (melk)veehouderij in zijn algemeenheid

5.3. Als zijnde een antibioticum valt Orbenin Dry Cow onder de UDD-middelen (vgl. artikel 2.17 van de Regeling diergeneesmiddelen). De UDD-afleverstatus is gebaseerd op regelgeving waarmee wordt beoogd antibioticaresistentie tegen te gaan en om in dat verband zorgvuldig gebruik van antibiotica in de veehouderij te bevorderen en onnodig en overmatig gebruik te voorkomen. In dat verband geldt als hoofdregel dat antibiotica slechts door de dierenarts mogen worden voorgeschreven en toegediend (en daarom niet rechtstreeks aan de veehouder mogen worden afgeleverd) en dat de veehouder in beginsel geen antibiotica voorradig mag hebben. In eerdere jurisprudentie is reeds uitgedragen dat van de dierenarts wordt verwacht alleen dan tot de inzet van antibiotica te besluiten als daartoe een onderbouwde veterinaire noodzaak bestaat, gebaseerd op voorafgaande diagnostiek en blijkend uit een transparante en controleerbare verslaglegging. 

5.4. In afwijking van de hoofdregel mogen antibiotica onder strikte voorwaarden door de veehouder zelf onder verantwoordelijkheid van en conform het behandeladvies van de dierenarts worden toegepast en mag daartoe een beperkte voorraad antibiotica op het bedrijf aanwezig zijn (zie onder meer artikel 2.18 lid 2 onderdeel b Regeling diergeneesmiddelen in verbinding met bijlage 1, onderdeel 5 onder k en bijlage 9 van die regeling).  Daartoe moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in bijlage 9. Achterliggende gedachte is dat met een individuele curatieve behandeling door de houder zelf snel kan worden gehandeld en daarmee een uitbraak van een besmetting op afdelings- of stalniveau kan worden voorkomen.

5.5. De wetgever heeft er verder met betrekking tot de levering van antibiotica in de veehouderij voor gekozen om vrij gedetailleerd en bindend vast te leggen waar dierenartsen tezamen met houders aan moeten voldoen, zoals vastgelegd in de reeds genoemde bijlage 9 van de Regeling diergeneesmiddelen en paragraaf 3 van de Regeling diergeneesmiddelen 2022. Zo dient onder meer sprake te zijn van een 1-op-1 relatie gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst, waarbij de houder zich verplicht om alle diergeneeskundige zorg (per diersoort) bij deze dierenarts af te nemen. Ook is de dierenarts in beginsel gehouden de houder regelmatig te bezoeken waarbij de minimumfrequentie voor melkveerunderen is bepaald op eenmaal per drie maanden waarvan een visiteverslag dient te worden gemaakt en waarbij de gezondheidsstatus van de dieren dient te worden beoordeeld en het antibioticumgebruik wordt geëvalueerd. De dierenarts dient tezamen met de veehouder een jaarlijks te evalueren bedrijfsgezondheidsplan op te stellen, specifiek gericht op het bedrijf in kwestie met daarin een analyse van de gezondheidssituatie van de dieren en een evaluatie van het diergeneesmiddelen- en antibioticagebruik in het voorgaande jaar, met daarin tevens opgenomen de voorgenomen maatregelen om de diergezondheidssituatie op het bedrijf te verbeteren, waaronder in ieder geval ook maatregelen ter reductie van het antibioticagebruik. Ook dient jaarlijks een bedrijfsbehandelplan te worden opgesteld waarin onder meer wordt vermeld ten aanzien van welke aandoeningen die er op het bedrijf voorkomen er welke diergeneesmiddelen c.q. antibiotica worden ingezet.

5.6. Bij de beoordeling van de klacht neemt het college tevens tot uitgangspunt de ‘Richtlijn Antimicrobiële middelen bij het droogzetten van melkkoeien van de KNMvD’ (hierna: de Richtlijn) van oktober 2013. Ingevolge die Richtlijn mogen bij het droogzetten van koeien alleen antimicrobiële middelen worden voorgeschreven wanneer na diagnostisch onderzoek  wordt verondersteld dat de koe een uierinfectie heeft. Hierdoor dient bij koeien die met antimicrobiële middelen worden drooggezet, altijd sprake te zijn van curatief gebruik. Het preventief inzetten van antibiotica om een dergelijke infectie te voorkomen, is dan ook niet geoorloofd. Ingevolge de Richtlijn is de diagnostiek van uierinfecties gebaseerd op het individuele koecelgetal, wat als maatstaf wordt gehanteerd voor het totaal aantal cellen per milliliter melk, waarbij een verhoogd celgetal in een kwartier een betrouwbare aanwijzing vormt voor een uierontsteking. De bepaling van het celgetal dient maximaal zes weken voor het moment van droogzetten te gebeuren. Daarbij gelden de volgende afkapwaardes voor het gebruik van antimicrobiële middelen bij het droogzetten:

•           Bij vaarzen: koecelgetal >150.000 cellen/ml

•           Bij oudere kalfskoeien: koecelgetal >50.000 cellen/ml.

Het is een veehouder niet toegestaan een koe met antibiotica droog te zetten zonder dat eerst het celgetal is bepaald en bij een gebleken celgetal beneden de vastgestelde afkapwaardes mag een koe niet worden drooggezet.

Met betrekking tot de onderhavige zaak

5.7. Uit het onderzoek van de NVWA is naar voren gekomen dat gedurende de aan de klacht ten grondslag gelegde periode Orbenin Dry Cow telkens door of onder verantwoordelijkheid van beklaagde is afgeleverd aan de veehouder. Beklaagde was als de 1-op-1 dierenarts op dit bedrijf eindverantwoordelijk voor de leveringen van antibiotica en behoorde erop toe te zien en ervoor zorg te dragen dat de inzet van antibiotica op het bedrijf op verantwoorde wijze en op basis van voorafgaande diagnostiek en een veterinaire noodzaak gebeurde en dat onnodig preventief gebruik werd voorkomen.  

5.8. Het staat vast dat er op dit bedrijf droogzet-injectoren werden ingezet zonder dat er vooraf een celgetalmeting op individueel koe-niveau had plaatsgevonden. Uit de verklaringen die van de zijde van de veehouder en beklaagde tegenover de NVWA zijn afgelegd volgt dat vrijwel alle koeien werden drooggezet zonder dergelijke voorafgaande diagnostiek. Voor zover van de zijde van de veehouder tegenover de NVWA is verklaard dat er door de melkfabriek wel een celgetalbepaling van tankmelk werd uitgevoerd waaruit bleek dat dit  aan de hoge kant was en dat daarom de meeste koeien werden drooggezet, is dit voor het college geen goede beredenering want dit betrof geen celgetalmeting per individueel dier. Uit de stukken en uit de verklaring van beklaagde volgt dat de veehouder ook niet mee deed aan de melkcontrole c.q. MPR (melkproductieregistratie), waarbij individuele koemelkmonsters worden onderzocht op celgetal. 

5.9. Uit de stukken is gebleken dat beklaagde in de bedrijfsbehandelplannen van de jaren 2019, 2020 en 2021 heeft gewezen op het belang dat droogzetters alleen selectief mochten worden ingezet, waarbij ook de afkapwaardes uit de Richtlijn zijn benoemd en dat er geen koeien mochten worden drooggezet zonder voorafgaande individuele celgetalmeting. Uit de bedrijfsbehandelplannen volgt tevens dat door beklaagde is geadviseerd een zogenoemde T-pol test te verrichten en dat bij wijze van alternatief is aangeboden om melkmonsters naar de praktijk van beklaagde te laten brengen voor bacteriologisch onderzoek op uierinfecties en om te bepalen of er sprake was van een intramammaire infectie en zo ja welke antibiotica er in dat verband eventueel ingezet mochten worden.

5.10. Gebleken is dat de veehouder de instructies en adviezen van beklaagde zoals vermeld in de bedrijfsbehandelplannen niet heeft opgevolgd en dat er dus geen celgetalmetingen op individueel niveau plaatsvonden alvorens droogzetinjectoren op het bedrijf werden ingezet. Ook van het door beklaagde gedane aanbod aan de veehouder om melkmonsters op zijn praktijk te laten analyseren werd door de veehouder geen gebruik gemaakt. Beklaagde heeft erkend dat hij ervan op de hoogte was dat op dit bedrijf droogzetinjectoren werden ingezet zonder dat werd voldaan aan de door hem opgestelde geldende voorwaarden.

5.11. In deze tuchtprocedure heeft beklaagde in zijn verweerschrift nog gesteld dat op het bedrijf koeien (soms wekelijks) werden aan- en afgevoerd die afkomstig waren van melkveebedrijven waar ze waren afgedankt als melkkoe.  Een substantieel deel van de koeien op het bedrijf was volgens beklaagde geen melkkoe meer, maar werd op het bedrijf als weidekoe c.q. vleeskoe gehouden om nog een aantal maanden in de wei te groeien. In de jaren 2020 tot en met de nazomer 2022 zouden ongeveer 15 tot 20 weidekoeien per weideseizoen zijn aangevoerd, waarvan het overgrote deel werd behandeld met Orbenin Dry Cow voordat ze de weide ingingen omdat ze meestal een recent mastitisverleden hadden en ter voorkoming van een uierinfectie via de zogenoemde ‘wrangbacterie’, die door vliegen in bosrijk gebied kunnen worden gebracht.

5.12. Met de klachtambtenaar constateert het college dat dit verweer eerst in de onderhavige tuchtprocedure voor het eerst door beklaagde naar voren is gebracht. Daarover staat niets vermeld in de (eerdere) verklaringen die door de veehouder en door beklaagde tegenover de NVWA zijn afgelegd. De bedrijfsgezondheids- en bedrijfshandelplannen maken hier evenmin melding van en er zijn bijv. ook geen visitebrieven of andere documenten in het geding gebracht waaruit blijkt dat er een onderscheid was tussen de koeien en dat er naast melkkoeien met name ook weidekoeien op het bedrijf werden gehouden, noch over hun mastitisgeschiedenis. Beklaagde heeft ook niet de gelegenheid te baat genomen, bijvoorbeeld in de schriftelijke dupliekfase of ter zitting, om dit betoog met documentatie te onderbouwen of anderszins zijn afwegingen voor de inzet van droogzetinjectoren bij de genoemde weidekoeien vanwege de ‘wrangbacterie’ nader toe te lichten. Dit verweer kan door het college dan ook niet op juistheid worden getoetst, reden waarom hiermee geen rekening wordt gehouden. Terzijde geldt dat ook als dit betoog van beklaagde juist zou zijn, onduidelijk is gebleven waarom er bijvoorbeeld niet eerst maatregelen in de vorm van het gebruik van zogenoemde teatsealers of vliegenbestrijding zijn genomen. De klachtambtenaar heeft verder aangevoerd dat de inzet van antibiotica (met een beperkte werkzaamheid van enkele weken) niet logisch voorkomt bij koeien die voor enkele maanden in de wei staan en dat niet onderbouwd is gebleken van subklinische mastitis vanwege de ‘wrangbacterie’.

5.13. Het college gaat er net als de klachtambtenaar vanuit dat vrijwel alle koeien op het bedrijf in strijd met de geldende voorwaarden met antibiotica werden drooggezet, zonder voorafgaande diagnostisch onderzoek in de vorm van een celgetalmeting op individueel koe niveau. Beklaagde was hiervan op de hoogte en wist dat zijn adviezen tot selectief en curatief gebruik door de veehouder niet werden opgevolgd. Hoewel anderzijds in de bedrijfsgezondheids- en bedrijfsbehandelplannen en klaarblijkelijk ook in gesprekken met de veehouder door beklaagde meermaals is benadrukt dat deze wijze van droogzetten niet geoorloofd was, kan hem naar het oordeel van het college worden verweten dat hij niet eerder heeft ingegrepen. Beklaagde is droogzetinjectoren aan het bedrijf blijven leveren en heeft daar in een te laat stadium en overigens pas na de interventie van de NVWA daadwerkelijk actie op ondernomen om deze gang van zaken te beëindigen. Als gezegd wordt het verweer dat op het bedrijf veel weidekoeien werden gehouden als niet steekhoudend, onvoldoende (gedocumenteerd) onderbouwd en niet toetsbaar gepasseerd.  

5.14. Beklaagde heeft door antibiotica af te leveren aan de veehouder op de wijze zoals dat hier is gebeurd, zonder dat was voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, onvoldoende verantwoordelijkheid betracht. Van hem had als 1-op-1 dierenarts mogen worden verwacht erop toe te zien dat de droogzet-injectoren selectief en restrictief en niet onnodig preventief althans niet zonder gedegen voorafgaande diagnostiek -in de vorm van een celgetalmeting op individueel koe niveau- werden toegepast, om aldus onnodig en onzorgvuldig antibioticagebruik tegen te gaan en nadelige effecten in de vorm van het resistentiegevaar voor de dier- en volksgezondheid te voorkomen. 

5.15. Op grond van het voorgaande is de klacht gegrond. Met betrekking tot de op te leggen maatregel weegt het college mee dat, zoals de klachtambtenaar ook heeft betoogd, dat beklaagde tevens lid is van het Veterinair Tuchtcollege en in die zin een voorbeeldfunctie heeft. Anderzijds acht het college aannemelijk dat deze situatie, zoals beklaagde heeft gesteld, zich alleen bij dit specifieke bedrijf heeft voorgedaan en niet bij andere door hem begeleide melkveebedrijven en dat hij de veehouder meermaals heeft gewaarschuwd dat de wijze waarop op dit bedrijf koeien werden drooggezet niet was toegestaan. Dit neemt niet weg dat beklaagde de situatie naar het oordeel van het college te lang heeft laten voortbestaan en daarop niet tijdig actie heeft ondernomen. De klachtambtenaar heeft verder benoemd dat beklaagde zich tijdens de verhoren transparant en toetsbaar heeft opgesteld, dat hij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en dat hij inzicht heeft getoond en maatregelen heeft getroffen om de overtredingen te beëindigen. Alles bijeengenomen volgt het college de klachtambtenaar in de verzochte tuchtmaatregel.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

geeft beklaagde daarvoor een berisping, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel b van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door de voorzitter, en door de leden en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.