ECLI:NL:TDIVTC:2025:21 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/67

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:21
Datum uitspraak: 19-06-2025
Datum publicatie: 05-02-2026
Zaaknummer(s): 2023/67
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Kat. Dierenarts wordt verweten nalatig te hebben gehandeld bij het euthanaseren van een kat door het euthanasiemiddel intraperitoneaal (in de buikholte) toe te dienen. [Gegrond. Volgt waarschuwing.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[klager 1] en [klager 2],                                klagers,

tegen

dierenarts [beklaagde],                               beklaagde.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2025. Daarbij waren klagers en beklaagde aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat hij nalatig heeft gehandeld bij het euthanaseren van de kat van klagers.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De kat van klagers waar het in deze zaak om gaat, draagt de naam [naam] (hierna: de kat) en was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ruim vier jaar oud.

3.2. Op 11 september 2023 heeft beklaagde zich op verzoek van klagers naar hun woning begeven om de kat te euthanaseren. De kat gezondheidsklachten waren verergerd en klagers wilden de kat verder lijden besparen. Bij zowel klagers als beklaagde bestond de wens dat de euthanasie zo diervriendelijk mogelijk zou worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de euthanasie hebben beklaagde en klagers besproken hoe deze zou gaan verlopen. Volgens klagers hebben zij verzocht de kat eerst te sederen alvorens het euthanasiemiddel toe te dienen. Beklaagde heeft uitgelegd dat hij van plan is de euthanasie uit te voeren door middel van een enkele injectie in de buik, waarna de kat langzaam onder narcose zou gaan en uiteindelijk zou komen te overlijden door een overdosis.

3.3. Beklaagde heeft de kat één injectie met euthanasiemiddel intraperitoneaal (in de buikholte) toegediend. Over wat er daarna gebeurde, lopen de lezingen van partijen uiteen. Wel zijn partijen het erover eens dat de kat is opgesprongen, geluid heeft gemaakt, het op een rennen heeft gezet, door een open raam de tuin in is gesprongen, daar heeft rondgerend en door een tuindeur terug in huis is gekomen, waar hij gestopt is met rennen. Beklaagde heeft een tweede injectie met euthanasiemiddel intraperitoneaal toegediend. Enkele minuten later heeft hij vastgesteld dat de kat was overleden.

3.4. Op enig moment hierna zijn klagers de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, of dat hij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. Klagers hebben beklaagde verweten dat hij het euthanasiemiddel zonder voorafgaande sedatie en in strijd met de bijsluiter van het middel, in de buik van de kat heeft gespoten, waardoor de kat minutenlang veel pijn heeft gehad en in stress is gestorven.

5.3. Het college stelt voorop dat de euthanasie van een dier voor eigenaren doorgaans een emotioneel belastende gebeurtenis is. Van de dierenarts mag mede daarom, maar met name ter voorkoming van onnodig leed bij het dier, worden verwacht bij de uitvoering ervan zorgvuldigheid te betrachten en daarover tevoren gedegen uitleg te geven. Dit neemt overigens niet weg dat vooraf nimmer de garantie kan worden gegeven dat een euthanasieproces probleemloos verloopt.

5.4. Het college overweegt als volgt. Het was de keuze van beklaagde om de kat te euthanaseren door éénmaal het euthanasiemiddel intraperitoneaal toe te dienen. Klagers hebben hiermee ingestemd, omdat zij vertrouwden op de door beklaagde gegeven uitleg dat de kat hierdoor langzaam onder narcose zal gaan en uiteindelijk zal komen te overlijden. Daarmee zou worden voldaan aan de wens van klagers om de kat in alle rust, stressvrij en pijnvrij te laten inslapen. Duidelijk is geworden dat het proces van inslapen van de kat helaas allerminst in overeenstemming met die wens is verlopen, hetgeen het college betreurt. Volgens klagers is dit veroorzaakt door de wijze waarop beklaagde de euthanasie heeft uitgevoerd en de manier waarop hij het euthanasiemiddel heeft geïnjecteerd. De oorzaak is volgens beklaagde evenwel gelegen in de wens van klaagster om de kat na de injectie nog op te pakken, het geschreeuw van klagers en hun onrustige gedrag. Het college constateert dat de lezingen van partijen over wat er precies is gebeurd na het toedienen van het euthanasiemiddel en wat de oorzaak is van het onder 3.3 beschreven gedrag van de kat, behoorlijk uiteenlopen. Nu het dossier geen aanwijzingen bevat die steun bieden voor één van beide lezingen, is er onvoldoende duidelijkheid over deze gang van zaken om er een tuchtrechtelijk verwijt jegens beklaagde op te kunnen baseren.

5.5. Over de wijze van toediening van het euthanasiemiddel overweegt het college als volgt. Hoofdregel is dat de voorschriften in de bijsluiter van een diergeneesmiddel dienen te worden gevolgd en dat, als daar door een dierenarts van wordt afgeweken, dit gemotiveerd en gedocumenteerd dient te geschieden, waarbij er alsdan sprake moet zijn van een veterinaire noodzaak. In dit geval is niet duidelijk geworden welk middel beklaagde heeft gebruikt voor het euthanaseren van de kat: dit kan Euthanimal 20% (REG NL 10020) of Euthasol 20% (REG NL 3956) zijn geweest. Volgens de bijsluiters van beide middelen is de wijze van toediening ervan via (snelle) intraveneuze injectie en – onder bepaalde voorwaarden – via intracardiale injectie. In geen van beide bijsluiters wordt de intraperitoneale toepassingswijze genoemd en deze is dus in principe niet toegestaan. In artikel 106 van de Verordening 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad is bepaald dat een diergeneesmiddel wordt gebruikt in overeenstemming met de voorwaarden van de handelsvergunning van dat middel. De bijsluiters van Euthanimal 20% en Euthasol 20% maken deel uit van de handelsvergunning van elk van deze middelen, zodat in geval daarvan wordt afgeweken, in strijd met de bepaling van dit artikel van de Verordening wordt gehandeld.

5.6. Nog daargelaten dat beklaagde in het onderhavige geval geen beroep heeft gedaan op bijvoorbeeld de ‘cascaderegeling’, is naar het oordeel van het college noch uit de stukken van het dossier en noch uit het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat sprake was van een zodanige veterinaire noodzaak waardoor beklaagde gerechtvaardigd zou mogen afwijken van de bijsluiter door het euthanasiemiddel per injectie via de buik van de kat toe te dienen. Het feit dat beklaagde met de door hem verkozen werkwijze positieve ervaringen heeft, doordat hij deze toedieningswijze vele jaren als de meest pijnloze en rustige methode van euthanasie bij katten heeft ervaren, vormt geen valide reden om van de bijsluiter te mogen afwijken. De door beklaagde aangevoerde omstandigheid dat deze toedieningswijze ook door zijn collega-dierenartsen naar tevredenheid is gehanteerd, maakt dit niet anders. De stelling van beklaagde dat een intraperitoneale injectie, mits rustig uitgevoerd, zeer zelden een reactie van de kat geeft, heeft hij niet gestaafd met behulp van onderzoeksbevindingen.

5.7. Beklaagde heeft daarnaast aangevoerd dat er bezwaren kleven aan andere wijzen van toediening van het euthanasiemiddel. Volgens hem is een intraveneuze injectie een stressvolle handeling die door een groot deel van de katten als onprettig wordt ervaren, hetgeen zij dan ook uiten Een intramusculaire injectie met sedativum wordt vaak als pijnlijk ervaren, waarbij de kat vocaliseert en/of probeert te vluchten, en gaat gepaard met een grote kans op braken, omdat het dier niet heeft gevast, aldus beklaagde. Hierover overweegt het college dat ook als dit waar zou zijn, dit geen rechtvaardiging kan vormen om Euthanimal 20% of Euthasol 20% in weerwil van de bijsluiter intraperitoneaal toe te dienen.

5.8. Beklaagde heeft bovendien naar voren gebracht dat bij intraperitoneale toediening van het euthanasiemiddel geen afzonderlijke injectie met sedativum nodig is, terwijl het toedienen van twee injecties het proces van afscheid door de eigenaar kan verstoren. Ook deze omstandigheid acht het college onvoldoende om tot een van de bijsluiter afwijkende toediening van Euthanimal 20% dan wel Euthasol 20% te mogen beslissen.

5.9. Verder overweegt het college dat indien een dierenarts redenen aanwezig acht om af te wijken van een bijsluiter, hij/zij een diereigenaar daarover deugdelijk behoort te informeren en de afwijkende werkwijze en de noodzaak daartoe in verslaglegging dient te verantwoorden. Gesteld noch gebleken is dat beklaagde klagers ervan op de hoogte heeft gesteld dat de wijze van toediening van het euthanasiemiddel afwijkt van de bijsluiter en wat de redenen van het afwijken zijn. Hierdoor is de informatievoorziening richting klagers naar het oordeel van het college niet voldoende geweest. Dat beklaagde in het patiëntendossier van de kat heeft opgenomen dat de gebruikte techniek van het intraperitoneaal toedienen van het euthanasiemiddel de meest diervriendelijke methode voor euthanasie is en dat bij euthanasie aan huis geen intraveneuze toediening wordt toegepast, kan daaraan niet afdoen.

5.10. Dit leidt het college ertoe als volgt te beslissen.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.


Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door [collegeleden] en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.