ECLI:NL:TDIVTC:2025:20 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/3

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:20
Datum uitspraak: 19-06-2025
Datum publicatie: 05-02-2026
Zaaknummer(s): 2024/3
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Gegrond met schorsing
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opereren van een hond, dat hij is tekortgeschoten in het verstrekken van informatie en in de verleende nazorg, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in de euthanasie van de hond. [Klacht op meerdere onderdelen gegrond. Volgt voorwaardelijke schorsing van drie maanden met een proeftijd van drie jaar.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van:   

[klaagster],                                                klaagster,

tegen
 

de dierenarts [beklaagde],                          beklaagde.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 december 2024. Daarbij was aanwezig [naam] (hierna: de dochter), dochter van klaagster, die in deze procedure optreedt als gemachtigde van klaagster, daarbij vergezeld van haar zus. Beklaagde is met kennisgeving aan het college niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten, in hoofdzaak, dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opereren van de hond van klaagster en dat hij is tekortgeschoten bij het verstrekken van informatie en in het verlenen van nazorg, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in de euthanasie van de hond.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Teckel (reu) met de naam [naam] (hierna: de hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ongeveer zeven maanden oud.

3.2. Op 19 december 2023 heeft beklaagde de hond gecastreerd. Daarbij is de buik van de hond geopend, om een testikel die niet was ingedaald en zich in de buik zou kunnen bevinden, operatief te verwijderen. Tussen partijen is in geschil of bij het ophalen van de hond na afloop van de operatie, een afspraak is gemaakt voor een nacontrole de volgende dag. Beklaagde heeft klaagster antibiotica meegegeven, waarmee op 21 december 2023 zou moeten worden gestart.

3.3. Op 19 december heeft de hond met ingang van de middag in zijn mand gelegen en wilde niet eten, drinken, poepen of plassen.

3.4. Op 20 december 2023 had de hond nog altijd niet geplast en moest overgeven als hij iets at of dronk.  Klager is met de hond naar beklaagde gegaan en hij heeft de hond onderzocht. Aangezien de hond volgens beklaagde een iets volle blaas had, heeft hij geprobeerd een blaaskatheter in te brengen, maar dit is niet gelukt. Beklaagde heeft in aanvulling op de daags ervoor meegegeven antibiotica, pijnstillende en blaasontspannende medicatie voorgeschreven. Hij heeft de hond met klaagster mee terug naar huis laten gaan en haar geadviseerd de hond in de gaten te blijven houden.

3.5. Aangezien de hond op 21 december 2023 nog altijd niet had geplast, heeft klaagster zich gewend tot een andere dierenarts voor een second opinion. Deze dierenarts heeft gevoeld dat beide nieren van de hond vergroot waren en dat de blaas heel hard en ter grootte van een grapefruit was. Uit een verricht bloedonderzoek kwam naar voren dat de creatinine-waarde onmeetbaar hoog was en dat de SDMA-waarde en de ureum-waarde sterk verhoogd waren. De dierenarts heeft geprobeerd de hond te katheteriseren, maar dit is niet gelukt door het vastlopen van de katheter. De second opinion-dierenarts heeft het vermoeden uitgesproken dat de urinebuis afgebonden of beschadigd is geraakt bij de operatie op 19 december 2023 en heeft de hond doorverwezen naar een tweedelijnskliniek.

3.6. Op 21 december 2023 is klaagster met de hond naar de tweedelijnskliniek gegaan. Vanuit de tweedelijnskliniek is telefonisch contact opgenomen met beklaagde, die – zo staat in het patiëntendossier van de kliniek – kenbaar heeft gemaakt geen verslag op papier te hebben. In het patiëntendossier van de kliniek is opgetekend wat beklaagde heeft opgemerkt over de behandeling van de hond door hem. De tweedelijnskliniek heeft een anamnese afgenomen en onderzoek, waaronder bloedonderzoek en echografisch onderzoek van de hond’s abdomen, verricht. Met behulp van echografische begeleiding is getracht de hond de katheteriseren, hetgeen niet is gelukt, omdat de katheter niet in de blaas verscheen maar links daarvan zichtbaar werd. Er is geen testikel in de buik van de hond aangetroffen. Op de contrastopname is zichtbaar dat sprake was van een lekkage van urine uit de urinebuis in het craniale bekken, hetgeen leek te stroken met de locatie waar de katheter in het abdomen uitkwam tijdens het katheteriseren. Klaagster heeft er in overleg met de dierenarts van de tweedelijnskliniek voor gekozen de hond te laten euthanaseren, hetgeen nog diezelfde dag is uitgevoerd.

3.7. Na het overlijden van de hond is klaagster de onderhavige tuchtprocedure tegen beklaagde gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Het college vat de bezwaren van klaagster over het handelen van beklaagde als volgt samen. Beklaagde heeft de operatie van de hond niet correct uitgevoerd, omdat hij daarbij een laesie in de urinebuis van de hond heeft veroorzaakt. Verder stelt klaagster dat beklaagde tegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over de wijze waarop hij de operatie heeft uitgevoerd, waardoor informatie die van belang was voor de verdere behandeling van de hond haar is onthouden. Ook heeft beklaagde niet adequaat opgetreden met betrekking tot de klachten die de hond na de operatie liet zien. Dit alles heeft er uiteindelijk toe geleid dat het euthanaseren van de hond als optie aan de orde kwam. Bovendien is gebleken dat beklaagde geen patiëntendossier over de hond heeft bijgehouden, aldus klaagster.

5.3. Het college vat het eerste onderdeel van de klacht aldus op dat klaagster beklaagde verwijt dat hij een laesie in de urinebuis van de hond heeft veroorzaakt, wat heeft geleid tot de klachten die de hond in de dagen na de operatie is gaan vertonen. Het college overweegt dat de stukken onvoldoende steun bieden voor de conclusie dat sprake is geweest van dergelijk nalatig handelen door beklaagde. Deze conclusie kan niet worden getrokken op basis van de aard van de klachten van de hond, noch op de omstandigheid dat het telkens maar niet is gelukt om de hond te katheteriseren en evenmin op de uitkomst van de onderzoeken die door de tweedelijnskliniek zijn uitgevoerd. De second opinion-dierenarts heeft weliswaar het vermoeden uitgesproken dat de urinebuis afgebonden of beschadigd is geraakt bij de door beklaagde uitgevoerde operatie, maar daarmee is nog niet vast komen te staan dat daarvan sprake is geweest en zo ja, dat dit is veronachtzaamd door beklaagde en dat dit de hond’s klachten heeft veroorzaakt. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat er tijdens de operatie bij het onderzoeken van een dikte aan de blaashals sprake is geweest van een lekkage hieruit, maar ook dat hij deze goed heeft gesloten. Weliswaar is voor het college niet duidelijk geworden wat de precieze locatie was van deze lekkage – in het bijzonder in relatie tot de urinebuis –, maar beklaagde stelt dat deze door hem is verholpen. Na het overlijden van de hond is er geen sectie verricht die er uitsluitsel over had kunnen geven of de klachten van de hond het gevolg waren van nalatig handelen door beklaagde. Hierdoor is onvoldoende grond om te kunnen oordelen dat de hond’s klachten het gevolg zijn van tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortschieten door beklaagde bij het uitvoeren van de operatie. Dit klachtonderdeel wordt dan ook ongegrond verklaard.

5.4. Hoe de operatie aan de buik van de hond precies is verlopen, valt voor het college op basis van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting niet te achterhalen. Klaagster stelt dat beklaagde op 19 december toen zij de hond na de operatie kwam ophalen, heeft gezegd dat hij de niet-ingedaalde testikel niet heeft kunnen vinden. De volgende dag zou beklaagde volgens haar hebben verklaard dat deze testikel aan de blaas vast zat en dat hij deze heeft verwijderd. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat hij een dikte op de ventrale blaashals heeft aangetroffen die volgens hem een mogelijk veranderde vastgegroeide testikel betrof, hetgeen hij – ondanks zijn ruime ervaring als dierenarts – nog niet eerder was tegengekomen. Het college stelt vast dat hij heeft geprobeerd om de structuur los te prepareren, maar dat hij daarin niet is geslaagd, waarna hij de wond heeft gesloten. In het patiëntendossier van de hond van de tweedelijnskliniek is genoteerd dat beklaagde telefonisch heeft verklaard: “’rampscenario’ binnenbal. Gezocht naar de bal, knobbel tegengekomen zat vast aan de blaas. Bal is wel verwijderd. Konden er niks mee dus weer dicht gemaakt > puinhoop van binnen”. Of een testikel in het abdomen van de hond is aangetroffen en of deze al dan niet is verwijderd, is onduidelijk gebleven voor het college. Wel blijkt uit het voorgaande dat tijdens de operatie een afwijkende, zoniet uitzonderlijke structuur is aangetroffen ter hoogte van de blaas en dat beklaagde getracht heeft deze los te maken. Ook was er volgens beklaagde sprake van een lekkage daaruit (zie 5.3) die hij weer heeft gesloten. Het college maakt hieruit op dat de operatie in de ogen van beklaagde een op zijn minst bijzonder verloop heeft gehad. Hierover had hij klaagster na afloop van de operatie duidelijk behoren te informeren. Uit het verweer van beklaagde en de overige dossierstukken is niet naar voren gekomen dat dit is gebeurd, terwijl klaagster erover heeft geklaagd dat zij na de operatie geen informatie van beklaagde heeft gekregen anders dan dat de niet-ingedaalde testikel niet is aangetroffen. Hiermee heeft hij klaagster toen ten onrechte het idee gegeven dat de operatie zonder bijzonderheden is verlopen en dat er eigenlijk niets aan de hand was. Beklaagde is naar het oordeel van het college tekortgeschoten in zijn plicht om klaagster bij het ophalen van de hond voldoende te informeren over het verloop van de operatie. Door dit niet te doen, heeft hij klaagster belangrijke informatie over het verloop van de operatie onthouden, die nodig was om te kunnen weten waar ze alert op behoorde te zijn en om beslissingen over de verdere behandeling van de hond op te kunnen baseren, en die zodoende essentieel was ter bevordering van de kans op herstel van de hond.

5.5. Klaagster stelt dat zij het initiatief tot het consult met de hond bij beklaagde op 20 december heeft genomen: zij heeft contact met beklaagde opgenomen, omdat de hond niet wilde plassen en moest overgeven nadat hij iets had gegeten of gedronken. Beklaagde stelt dat een op 19 december bij het ophalen van de hond gemaakte afspraak tot het uitvoeren van een nacontrole door hem de aanleiding was voor dit consult. Het college overweegt dat noch de stukken van het dossier noch het verhandelde ter zitting helderheid bieden over wat de aanleiding was van het consult. Hierdoor moet in het midden worden gelaten wat de aanleiding daarvan was en kan dit geen grond vormen voor het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel aan beklaagde.

5.6. Tijdens het consult op 20 december is uit de afgenomen anamnese naar voren gekomen dat de hond sinds de operatie niet meer heeft geplast. Beklaagde heeft tijdens het onderzoeken van de hond een iets te volle blaas waargenomen. Nadat hij tevergeefs had gepoogd om de blaas van de hond met behulp van een katheter te legen, heeft hij extra medicatie voorgeschreven. Vervolgens heeft hij de hond met klaagster mee terug naar huis laten gaan. Het college is van oordeel dat beklaagde het toen niet daarbij had mogen laten en een ten onrechte veel te afwachtende houding heeft aangenomen. Beklaagde had daags ervoor nog een buikoperatie uitgevoerd bij de hond, waarbij hij naar eigen zeggen zonder succes heeft gepoogd een structuur op de ventrale blaashals los te prepareren en er ook sprake zou zijn geweest van een lekkage die hij heeft gesloten. Gelet op zijn bevindingen tijdens het consult en hetgeen toen bij hem bekend was, had beklaagde – nadat het katheteriseren van de blaas niet was gelukt – actie moeten ondernemen om te zorgen dat de gevulde blaas zou kunnen worden geledigd en zou kunnen worden onderzocht waardoor de hond niet kon plassen. Indien hij daartoe zelf niet voldoende in staat was, dan had hij klaagster met de hond daarvoor moeten doorverwijzen naar een tweedelijnskliniek. Dat beklaagde de hond onder de gegeven omstandigheden weer heeft meegeven aan klaagster met pijnstillende en blaasontspannende medicatie, acht het college volstrekt ontoereikend. Beklaagde heeft nog naar voren gebracht dat hij klaagster op het hart heeft gedrukt dat als de toestand van de hond zou verslechteren, ze tijdig weer contact zou moeten opnemen. Het komt het college voor dat de hond reeds ten tijde van het consult op 20 december in een dermate slechte toestand verkeerde, dat direct ingrijpen geïndiceerd was. De hond was niet in staat zijn blaas te ledigen en kon derhalve zijn afvalstoffen niet kwijt, hetgeen tot ernstige complicaties kan leiden. Door de hond in deze toestand met klaagster mee naar huis te laten gaan en af te wachten totdat zij zou melden dat het nog slechter gaat met de hond, is beklaagde toerekenbaar tekortgeschoten in de zorg die hij aan de hond had behoren te geven. Hieraan kan niet afdoen dat beklaagde op 21 december diverse malen geprobeerd heeft om contact op te nemen met (de familie van) klaagster om te vragen hoe het met de hond ging. Het voorgaande leidt ertoe dat het college dit onderdeel van de klacht gegrond zal verklaren.

5.7. Over het bezwaar van klaagster dat beklaagde geen patiëntendossier over de hond heeft bijgehouden, overweegt het college als volgt. Volgens klaagster heeft zij het patiëntendossier eerder opgevraagd bij beklaagde, maar heeft hij daarop verklaard dat dit er niet was. Beklaagde heeft bij zijn verweer in deze procedure, het patiëntendossier van de hond in het geding gebracht. Klaagster heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat beklaagde dit patiëntendossier eerst achteraf, vermoedelijk naar aanleiding van de door haar bij het college ingediende klacht, heeft opgesteld. Zo heeft zij erop gewezen dat beklaagde op 21 december aan de tweedelijnskliniek kenbaar heeft gemaakt geen verslag op papier te hebben (zie 3.6). Nu beklaagde dit niet heeft weersproken, houdt het college het ervoor dat hij het patiëntendossier van de hond in ieder geval niet voorafgaand aan het overlijden van de hond had opgesteld. Hierdoor heeft hij niet voldaan aan de op hem als dierenarts rustende verplichting om naar behoren verslag te doen van de uitkomsten van uitgevoerde onderzoeken, diagnostiek, eventuele behandeling en evaluatie. Evenmin is dus verslag gedaan over de informatie die na de operatie aan klaagster is verstrekt, de instructies die met betrekking tot de nazorg zijn gegeven en de medicatie die is voorgeschreven. Beklaagde heeft nalatig gehandeld door niet tijdig een patiëntendossier over de hond te hebben opgesteld.

5.8. Dit alles leidt het college ertoe te concluderen dat de klacht grotendeels gegrond zal worden verklaard, te weten ter zake van het in 5.4, 5.6 en 5.7 overwogene. Gelet op de ernst van het tekortschieten door beklaagde en het feit dat hij eerder tuchtrechtelijke is veroordeeld door het college met betrekking tot een door hem verrichte chirurgische ingreep, wordt na te melden maatregel door het college passend en geboden geacht. 

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht deels gegrond, zoals hiervoor onder 5.8 omschreven;

geeft beklaagde een voorwaardelijke schorsing van drie maanden van de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen met een proeftijd van drie jaar als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 8.31, leden 5 en 6 van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door [collegeleden] en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.