ECLI:NL:TDIVTC:2025:19 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/77

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:19
Datum uitspraak: 19-06-2025
Datum publicatie: 05-02-2026
Zaaknummer(s): 2023/77
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: Paard. Dierenarts wordt verweten dat zij tekort is geschoten in de diagnosestelling en behandeling van een paard, dat is komen te overlijden. [Gegrond met waarschuwing.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[klaagster],                                                    klaagster,

tegen

dierenarts [beklaagde],                               beklaagde.

-------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Partijen zijn uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 19 december 2024. Beiden hebben zich voor de zitting afgemeld. De zaak is door het college in raadkamer besproken en er is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, naar de kern genomen, verweten dat zij bij het paard van klaagster tekort is geschoten bij het stellen van een diagnose en een verkeerde behandeling heeft ingezet.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het paard van klaagster waar het in deze zaak om gaat, betrof een paard met de naam [naam] (hierna: het paard). Het paard was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid zevenentwintig jaar oud.

3.2. Op donderdag 27 april 2023 trof klaagster haar paard in de ochtend in de stal aan terwijl haar paard normaliter niet graag binnen staat. Omdat klaagster vermoedde dat er iets aan de hand was is ze bij het paard gebleven en merkte ze dat haar paard niet at, vrijwel niet dronk en niet mestte. Volgens klaagster stond haar paard sinds kort op deze locatie en omdat ze had vernomen dat beklaagde de dierenarts was die verbonden was aan deze stal heeft ze beklaagde rond 14 uur gebeld.

3.3. Volgens klaagster heeft ze tijdens dit telefoongesprek aangegeven dat ze zich zorgen maakte. Gebleken is dat beklaagde tijdens dit telefoongesprek onder meer heeft gevraagd naar de lichaamstemperatuur van het paard, waarna klaagster die heeft opgenomen. Het paard bleek een verhoogde lichaamstemperatuur te hebben van 38,9°C, naast klachten als verminderde eetlust en slomer gedrag. Beklaagde heeft een koortsremmend middel, Cronyxin (NSAID), voorgeschreven. Klaagster heeft dit middel bij de praktijk opgehaald en toegediend.

3.4. Klaagster heeft beklaagde rond 17 uur weer gebeld omdat de toestand van haar paard niet verbeterd was. Beklaagde heeft toen aangeven dat ze in verband met een andere afspraak rond 18.30 uur bij klaagster kon zijn. Omdat beklaagde eerder klaar was dan verwacht was ze rond 18 uur bij klaagster.

3.5. Beklaagde heeft het paard klinisch onderzocht, waarbij onder meer naar voren kwam dat de lichaamstemperatuur was gedaald naar 37,8 °C, de slijmvliezen bleek waren, de polsslag licht verhoogd was, en geen symptomen van koliek waren. Beklaagde heeft rectaal onderzoek uitgevoerd waarbij geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Omdat klaagster had verteld dat op het eerdere adres van haar paard een bloedworm-besmetting was geweest en dit anemie kan veroorzaken heeft beklaagde mest meegenomen voor onderzoek naar met name rode bloedworm en is, ook vanwege de bleke slijmvliezen, bloed afgenomen voor eventuele bloedonderzoek. Er is afgesproken dat beklaagde de volgende dag met klaagster zou overleggen, afhankelijk van de uitslag van het mestonderzoek, over het opsturen van het bloed naar een laboratorium. Uit de stukken is gebleken dat beklaagde een ontstekingsremmend middel Niglumine (NSAID) heeft toegediend, en het middel Ulcergold voor de behandeling en preventie van maagzweren heeft voorgeschreven. Na het vertrek van beklaagde is klaagster tot ongeveer 23 uur bij haar paard gebleven.

3.6. De volgende ochtend rond 7.15 uur heeft klaagster haar paard dood in de stal aangetroffen. Klaagster heeft beklaagde rond 8 uur telefonisch op de hoogte gebracht.

3.7. Klaagster heeft na het overlijden van het paard per e-mail vragen gesteld aan beklaagde. Beklaagde heeft per e-mail aan klaagster een toelichting gegeven op de door haar gestelde diagnose, de ingezette behandeling en het voorgestelde onderzoek.

3.8. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
 

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2. Het college stelt voorop dat er na het overlijden van het paard geen sectie is verricht, hetgeen meebrengt dat er geen zekerheid bestaat over de uiteindelijke doodsoorzaak.

5.3. Klaagster verwijt beklaagde kort gezegd dat zij op 27 april 2023 medicatie heeft voorgeschreven zonder het paard gezien te hebben, dat zij bij de visite een verkeerde diagnose heeft gesteld en dat zij in aansluiting daarop een onjuiste behandeling heeft ingezet. Volgens klaagster was haar paard er veel slechter aan toe dan waar beklaagde van uitging en had beklaagde meer moeten doen, bijvoorbeeld overleggen met een 2e lijnskliniek c.q. naar een dergelijke kliniek moeten doorverwijzen. Klaagster heeft gesteld dat beklaagde het middel Niglumine, vanwege de contra-indicaties en het feit dat er al een ander middel met dezelfde werkzame stof flunixine, te weten Cronyxin, was toegediend, niet had mogen toepassen vanwege mogelijke overdosering met flunixine. Verder verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder overleg het afgenomen bloed heeft weggegooid.

5.4. Beklaagde stelt tot haar diagnose te zijn gekomen door van klaagster te hebben vernomen over het paard’s klachten en door een klinisch onderzoek uit te voeren.

Beklaagde heeft gesteld dat ze op basis van de anamnese Cronyxin heeft voorgeschreven, en heeft gekozen voor Niglumine omdat paarden daar sneller weer door gaan eten en -omdat deze combinatie van medicatie een verhoogd risico op maagdarmulcerea met zich meebrengt- ook Ulcergold heeft voorgeschreven. Omdat beklaagde geen aanwijzingen had dat het zo slecht ging met het paard heeft ze geen andere opties, zoals doorverwijzen, voorgesteld. Klaagster heeft pas na het weekend (vier dagen later) aangegeven dat ze het bloed onderzocht wilde hebben maar toen was volgens beklaagde het bloed, dat binnen 48 uur onderzocht moet worden voor een betrouwbare uitslag, al weggegooid.

5.5. Het college stelt vast dat beklaagde Cronyxin heeft voorgeschreven zonder eerst het paard gezien te hebben. Het college gaat voorbij aan de stelling van beklaagde dat Cronyxin wel vaker wordt voorgeschreven zonder de patiënt gezien te hebben en dat zij voorafgaand een gedegen anamnese heeft uitgevoerd, omdat er mogelijk redenen waren dat dit middel contra-geïndiceerd was. Op grond van het voorgaande is het college van oordeel dat beklaagde het paard eerst gezien had moeten hebben alvorens de medicatie voor te schrijven. Door dit na te laten is beklaagde tekortgeschoten in de zorg die zij aan het paard had behoren te verlenen.

5.6. Voor zover beklaagde wordt verweten een onjuiste diagnose te hebben gesteld, stelt het college vast dat uit de patiëntenkaart niet volgt dat beklaagde op enig moment een definitieve diagnose heeft gesteld. Beklaagde heeft in haar verweer gesteld dat zij de uitslag van het mest- en bloedonderzoek nodig had voor het stellen van een diagnose en een prognose. Het college stelt vast dat beklaagde mestonderzoek heeft laten uitvoeren en bloed heeft afgenomen waarbij kennelijk is afgesproken dat klaagster en beklaagde de volgende dag (28 april 2023) overleg zouden hebben over het wel of niet opsturen van het bloed naar het laboratorium. Het college heeft begrepen dat toen klaagster op 28 april 2023 beklaagde belde om door te geven dat het paard was overleden, het opsturen van het bloed voor bloedonderzoek niet ter sprake is gekomen en dat klaagster na het weekend met beklaagde had gemaild en er toen achter was gekomen dat het afgenomen bloed door beklaagde was weggegooid. Klaagster beklaagt zich erover dat het bloed zonder overleg is weggegooid, terwijl ze het nog onderzocht had willen hebben. Naar het oordeel van het college is het begrijpelijk waarom het afgenomen bloed al was weggegooid nu het bloed niet meer geschikt was om nog op te sturen voor bloedonderzoek en het paard al was overleden.

5.7. Wat het verwijt betreft dat beklaagde de ernst van de situatie heeft onderschat overweegt het college dat beklaagde tijdens de afgelegde visite het paard voldoende klinisch heeft onderzocht en dat op dat moment geen aanwijzingen waren dat er sprake zou zijn van een levensbedreigende of acute situatie. Op basis van het klinisch onderzoek en het behandelplan is het college met beklaagde eens dat in dit geval doorverwijzing naar een tweedelijns kliniek op dat moment niet direct noodzakelijk was.

5.8. Gebleken is dat beklaagde ervoor heeft gekozen om het middel Niglumine intraveneus toe te dienen. Zowel het eerder die dag door klaagster toegediende middel Cronyxin als Niglumine bevatten de werkzame stof flunixine. In de visie van het college was er geen indicatie om Niglumine toe te dienen omdat het paard geen koorts meer had en er geen aanwijzingen waren die erop duidden dat het dier pijn had, zodat de keuze hiervoor (die neerkomt op een tweede dosering flunixine), ondanks het voorschrijven van een maagbeschermer, toch een risico met zich meebracht en tuchtrechtelijk verwijtbaar is. 

5.9. Op grond van het vorenstaande is de klacht op meerdere onderdelen gegrond. Het college acht oplegging van na te melden maatregel passend en geboden.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.


Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door [collegeleden] en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.