ECLI:NL:TDIVTC:2025:18 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/70
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-06-2025 |
| Datum publicatie: | 05-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 2023/70 |
| Onderwerp: | Katten |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kat. Dierenarts wordt verweten te zijn tekortgeschoten bij de behandeling van een kat, de urgentie van de gezondheidsklachten niet te hebben onderkend en niet tijdig in actie te zijn gekomen toen klager zich met zijn kat op de praktijk had gemeld. [Klacht niet-ontvankelijk c.q. ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[klager], klager,
tegen
dierenarts [beklaagde], beklaagde.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2025. Daarbij waren klager en beklaagde, bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E.J. Brouwer-van Vliet, aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten, zakelijk weergegeven, dat zij is tekortgeschoten bij het behandelen van de kat van klager en dat zij vervolgens de urgentie van de klachten van de kat niet heeft onderkend en zij niet tijdig in actie is gekomen toen klager zich met zijn kat op de praktijk had gemeld.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klager, een Europese Korthaar met de naam [naam] (hierna: de kat), geboren op 22 april 2022.
3.2. Op 11 oktober 2023 is klager met de kat op consult geweest bij een collega-dierenarts van beklaagde die voor dezelfde praktijk werkzaam is. Klager had de dag ervoor geconstateerd dat de kat zich afwijkend gedroeg – de kat liep vreemd rond en miauwde anders dan gebruikelijk – en dat het dier tijdens het lopen druppels urine verloor en overal probeerde te plassen. De collega-dierenarts heeft een redelijk gevulde en gespannen blaas gevoeld, deze manueel geleegd en een urineonderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan heeft de collega-dierenarts een aandoening aan de urinewegen (FLUTD met struviet) gediagnosticeerd, behandeling met medicatie voorgeschreven, voedingsadvies gegeven en met klager besproken om drie tot vier weken later opnieuw een urineonderzoek te laten uitvoeren. Beklaagde heeft gesteld dat tijdens dit consult, waarover zij door haar collega was bijgepraat, aan klager kenbaar is gemaakt dat hij goed in de gaten diende te houden of de kan plaste en als daarvan geen sprake zou zijn, hij direct contact zou moeten opnemen met de praktijk. Klager heeft verklaard dat hij zich dat laatste niet kan herinneren.
3.3. In de ochtend van 12 oktober 2023 was de toestand van de kat niet verbeterd en circa tien minuten na de toediening van de medicijnen braakte de kat. Klager zag hierin onvoldoende aanleiding direct contact op te nemen met de praktijk en is naar zijn werk gegaan. Na thuiskomst van zijn werk zag klager dat de kat achteruit was gegaan en een balvormige massa ter grootte van een tennisbal in zijn buik had. Klager heeft contact opgenomen met de praktijk van beklaagde en de assistente heeft hem uitgenodigd om aan het einde van het spreekuur, om 19.00 uur, met de kat naar de praktijk te komen. Klager is op eigen initiatief eerder naar de praktijk afgereisd en heeft met de kat in de wachtkamer plaatsgenomen.
3.4. Tijdens het wachten ging de kat volgens klager zienderogen achteruit, hetgeen hij aan de assistente heeft gemeld. Omdat de kat ook begon te braken en slap was geworden, is klager naar de behandelkamer gelopen. Volgens klager werd er toen geen patiënt meer behandeld en waren beklaagde en haar assistente bezig met een verslag van de vorige patiënt. Klager is vervolgens teruggelopen naar de wachtruimte om de kat op te halen. De kat stortte op de behandeltafel vrijwel direct in. Volgens beklaagde heeft zij de blaas gepalpeerd, die soepel aanvoelde, en de kat geïntubeerd en hartmassage toegepast. Dit heeft niet mogen baten en de kat is overleden.
3.5. Op enig moment hierna is klager de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover
nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
5.1. Klager heeft ter toelichting op zijn klacht betoogd dat de kat al tijdens het consult op 11 oktober had moeten worden gekatheteriseerd en het bloed op ontstekingswaarden had moeten worden gecontroleerd en dat hij op 12 oktober, na telefonisch contact met de praktijk te hebben opgenomen, had moeten worden uitgenodigd om direct met de kat naar de praktijk te komen en dat zijn in nood verkerende kat met voorrang had moeten worden behandeld.
5.2. Het college stelt vast, zoals door klager ter zitting ook is bevestigd, dat de klacht uitsluitend is gericht tegen beklaagde en niet tegen haar collega die de kat tijdens het consult op 11 oktober heeft onderzocht en behandeld. Beklaagde is niet bij dat consult betrokken geweest. In het veterinair tuchtrecht geldt als uitgangspunt dat een dierenarts alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen en niet voor dat van collega’s. Dit leidt het college ertoe te oordelen dat klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het onderdeel van zijn klacht dat ziet op de behandeling op 11 oktober.
5.3. Het college gaat over tot het behandelen van de verwijten van klager die zien op het consult op 12 oktober. Beoordeeld dient te worden of beklaagde toen is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat, of dat zij anderszins is tekortgeschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van beklaagde beter had gekund, maar of zij in de gegeven omstandigheden en in retrospectief bezien als redelijk handelend en redelijk bekwaam is opgetreden.
5.4. Volgens klager heeft hij op 12 oktober na thuiskomst van zijn werk – tussen 16.30 uur en 17.00 uur – geconstateerd dat zijn kat achteruit was gegaan ten opzichte van de toestand waarin het dier verkeerde voordat hij naar zijn werk was gegaan en dat hij een massa ter grootte van een tennisbal in zijn buik aantrof. Klager heeft vervolgens omstreeks 18.15 uur telefonisch contact opgenomen met de praktijk van beklaagde en met een assistente gesproken. Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat de assistente tijdens het telefoongesprek overeenkomstig het praktijkbeleid met haar overleg heeft gehad en daarbij heeft gemeld dat het niet goed ging met de kat en dat klager bij de kat een massa in de buik had gevoeld. Als wordt uitgegaan van deze doorgekregen informatie, die niet direct wees op een acute noodsituatie, acht het college niet onredelijk het gedane aanbod om met de kat om 19.00 uur, drie kwartier nadien, voor onderzoek naar de praktijk te komen.
5.5. Over de toestand van de kat na aankomst op de praktijk bestaat onduidelijkheid en lopen de lezingen uiteen. Het standpunt van klager komt erop neer dat de kat in een acute noodsituatie verkeerde, maar beklaagde heeft daartegenover gesteld dat de assistente de kat na binnenkomst heeft geobserveerd en dat de kat in de wachtkamer aanvankelijk rechtop in zijn mand zat en slechts eenmalig had gebraakt, waarbij het braaksel door de assistente en klager samen is opgeruimd. Het college kan er op basis van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting, niet de vinger op leggen wie van partijen op dit vlak het gelijk aan zijn/haar zijde heeft. Als van de lezing van beklaagde zou worden uitgegaan, dan kan het college volgen dat zij de gezondheidssituatie niet als zodanig ernstig en urgent heeft ingeschat dat eerder actie had moeten worden ondernomen en dat de kat niet onmiddellijk en met voorrang is onderzocht. Duidelijk is in ieder geval wel dat de kat niet veel later sterk achteruitging, dat het braken verergerde, dat de kat slap werd en nadat klager zich op eigen initiatief in de behandelkamer had gemeld en de kat had opgehaald, het dier volledig instortte en is komen te overlijden.
5.6. De oorzaak van de plotselinge achteruitgang en de fatale onverwachte afloop is voor het college op geen enkele manier duidelijk geworden en nu er ook geen sectie is verricht blijft dit ongewis. Gelet op de verschillende lezingen over de conditie van de kat tijdens het maken van de afspraak voor een consult en tijdens het verblijf in de wachtkamer, kan door het college niet worden geconcludeerd dat beklaagde op basis van de informatie die zij van de assistente kreeg een tuchtrechtelijk verwijt treft waar klager niet eerder naar de praktijk is uitgenodigd en de kat niet eerder is onderzocht toen hij in de wachtruimte verbleef. Aldus is voor het college niet komen vast te staan dat er aan de zijde van beklaagde sprake is geweest van een veterinair tekortschieten dat een tuchtmaatregel rechtvaardigt. Dit klachtonderdeel zal ongegrond worden verklaard.
5.7. Dit leidt het college ertoe als volgt te beslissen.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht voor zover deze ziet op de behandeling van zijn kat op 11 oktober 2023;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door [collegeleden] en uitgesproken in het openbaar
op 19 juni 2025.