ECLI:NL:TDIVTC:2025:17 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2022/63 2022/65 2022/66 2022/98

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2025:17
Datum uitspraak: 19-06-2025
Datum publicatie: 05-02-2026
Zaaknummer(s):
  • 2022/63
  • 2022/65
  • 2022/66
  • 2022/98
Onderwerp: Honden, subonderwerp: -
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenartsen wordt allen verweten dat zij met betrekking tot de hond van klaagster onvoldoende hebben geluisterd – in het bijzonder toen klaagster haar vermoeden uitte dat de klachten van haar hond het gevolg waren van de door een van de dierenartsen verkeerd uitgevoerde operatie –, en in plaats daarvan hun eigen plan hebben getrokken, dat te lang heeft geduurd en waarbij onnodig veel medicijnen zijn voorgeschreven, wat tot de dood van de hond heeft geleid. [Klachten ongegrond dan wel niet-ontvankelijk.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraken in de zaken van:   

klaagster ,                                                                   klaagster,

tegen

dierenarts [beklaagde sub 1] ,                                 beklaagde sub 1 (2022/63),

dierenarts [beklaagde sub 2] ,                                 beklaagde sub 2 (2022/65),

dierenarts [beklaagde sub 3] ,                                 beklaagde sub 3 (2023/57),

dierenarts [beklaagde sub 4] ,                                beklaagde sub 4 (2022/66),

dierenarts [beklaagde sub 5] ,                                 beklaagde sub 5 (2022/98),

                                                                                   hierna tezamen: beklaagden.

-------------------------------------------------------------------------------------------------

  1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer van beklaagde sub 1, de repliek daartegen van klaagster, het verweer van beklaagde sub 2, de repliek daartegen van klaagster, de dupliek van beklaagde sub 2, de inhoudelijke uitlating namens beklaagde sub 3, het gezamenlijke verweer van beklaagden sub 4 en sub 5, de repliek daartegen van klaagster en de gezamenlijke dupliek van beklaagden sub 4 en sub 5. Beklaagde sub 1 heeft ervan afgezien te dupliceren.

Aangezien de klachten op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben, heeft het college besloten tot een gevoegde mondelinge behandeling, die plaatsvond op 30 januari 2025. Klaagster en beklaagde sub 1 hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt daarbij niet aanwezig te zullen zijn. Beklaagde sub 2 was wel daarbij aanwezig. Beklaagde sub 3 was niet daarbij aanwezig, maar wel haar gemachtigde [hierna: gemachtigde beklaagde sub 3]. Beklaagde sub 4 was aanwezig bij de mondelinge behandeling, evenals zijn gemachtigde dhr. mr. K.J. Breedijk. Zowel beklaagde sub 4 als dhr. mr. K.J. Breedijk traden op als gemachtigde van beklaagde sub 5, die niet aanwezig was bij de behandeling. Na de zitting zijn de zaken in raadkamer besproken en is uitspraak bepaald.

  1. DE KLACHTEN

Beklaagden wordt allen verweten dat zij ten onrechte onvoldoende hebben geluisterd naar klaagster – in het bijzonder toen zij haar vermoeden uitte dat de klachten van haar hond het gevolg waren van de door beklaagde sub 1 verkeerd uitgevoerde operatie –, maar in plaats daarvan hun eigen plan hebben getrokken wat betreft de behandeling van de hond, die te lang heeft geduurd en in het kader waarvan zij onnodig veel medicijnen hebben voorgeschreven, wat tot de dood van de hond heeft geleid.

  1. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De hond van klaagster waar het in deze zaak om gaat is een Engelse buldog (teef) met de naam [naam] (hierna: de hond). De hond was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid circa zeven jaar oud.

3.2. Op 18 oktober 2021 heeft beklaagde sub 1 de hond geopereerd en een ovariohysterectomie (verwijdering van de baarmoeder en eierstokken) uitgevoerd, nadat hij een pyometra (baarmoederontsteking) bij de hond had gediagnosticeerd.

3.3. Volgens klaagster had de hond de dag na de operatie veel last van diarree en wilde de hond slecht tot niet eten. Zij heeft hierover contact opgenomen met beklaagde sub 1. Hij heeft begin november 2021 behandeling met medicatie ingezet met het oog op indigestie dan wel symptomen van Giardia. Vervolgens is klaagster nog tweemaal in november 2021 met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 1 vanwege terugkerende diarreeklachten en voortdurende vermagering. Beklaagde sub 1 is daarop (verder) gaan behandelen met medicatie. Tijdens het laatste consult van eind november 2021 heeft beklaagde sub 1 de mogelijkheid van een immuungemedieerde chronische inflammatoire enteritis (IBD) genoemd en het uitvoeren van verder onderzoek daarnaar.

3.4. Op 31 december 2021 heeft klaagster zich gewend tot de praktijk van beklaagden sub 2 en sub 3 voor een second opinion, omdat de hond nog steeds darmklachten/diarree had en verzwakt was. Beklaagde sub 3 heeft op die dag tijdens een consult anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek uitgevoerd en een behandelplan/-advies besproken met klaagster. Op 3 januari 2022 is klaagster met de hond op (herhalings)consult geweest. Beklaagde sub 3 heeft de uitslag van een uitgevoerd bloedonderzoek en de verdere behandeling van de hond besproken met klaagster. Op 4 januari 2022 heeft beklaagde sub 2 een echoscopie gemaakt van de hond’s buik. Beklaagde sub 3 heeft haar vermoedens over de oorzaken van de klachten uiteengezet en met klaagster de verdere behandeling van de hond besproken, waarna een ontlastingsonderzoek is opgestart. Op 7 januari 2022 heeft beklaagde sub 3 telefonisch gesproken met klaagster over de uitslag van het ontlastingsonderzoek en de voeding van de hond. Op 10 januari 2022 heeft beklaagde sub 3 tijdens een (herhalings)consult anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek uitgevoerd en een behandelplan/-advies besproken met klaagster, waarna de behandeling met (aangepaste) medicatie en dwangvoeren is voortgezet. Op 11 januari 2022 heeft klaagster nog contact opgenomen met de praktijk om duidelijkheid te krijgen over de toe te dienen medicatie, welke – na overleg met beklaagde sub 3 – is gegeven.

3.5. Op 16 januari 2022 heeft klaagster zich gewend tot de praktijk van beklaagden sub 4 en sub 5, volgens het patiëntendossier van de hond van deze praktijk voor een third opinion, vanwege ontevredenheid over de behandeling door de dierenartsen van de vorige twee praktijken. Op 17 januari 2022 is klaagster met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 5, die anamnese heeft afgenomen en lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd. De hond is vervolgens opgenomen op de praktijk. Later op de dag is de hond met toestemming van klaagster geopereerd door beklaagde sub 5, waarbij een geïnfecteerde baarmoederstomp is verwijderd. Volgens het patiëntendossier was de situatie van de hond na de operatie stabiel, maar zeer slecht. Op 18 januari 2022 is er medicatie voorgeschreven voor de hond en is euthanasie aan de orde geweest, maar daar was klaagster toen niet aan toe. Op 19 januari 2022 heeft beklaagde sub 5 geadviseerd de hond te laten inslapen. Op 20 januari 2022 is de hond geëuthanaseerd.

3.6. Vanwege haar onvrede over het handelen van beklaagden, is klaagster op enig moment hierna de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Op de verweren van beklaagden zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins zijn tekortgeschoten in de uitoefening van hun beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend. De maatstaf is dus niet of het handelen van ieder van beklaagden beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zijn opgetreden.

5.2. De klachten zien op het optreden van beklaagden die verbonden zijn aan de drie dierenartsenpraktijken waarbij de hond achtereenvolgens in behandeling is geweest. Het college zal de klachten tegen ieder van beklaagden zoveel mogelijk per afzonderlijke praktijk bespreken.

Ten aanzien van beklaagde sub 1

5.3. Klaagster stelt dat beklaagde sub 1 de operatie van de hond verkeerd heeft uitgevoerd, gezien de klachten die de hond in de daaropvolgende periode is gaan vertonen en de uiteindelijk geconstateerde geïnfecteerde baarmoederstomp, en dat hij de klachten van de hond niet goed heeft behandeld, waarbij hij niet goed heeft geluisterd naar klaagster en haar heeft afgescheept met medicijnen.

5.4. Het college beoordeelt deze klacht op basis van de stellingen van partijen – en bij gebreke van het patiëntendossier van de hond, waarover beklaagde sub 1 niet langer beschikte – als volgt. Beklaagde sub 1 heeft aangevoerd dat de op 18 oktober 2021 door hem uitgevoerde ovariohysterectomie een reguliere ongecompliceerde ingreep was met een normaal postoperatief herstel, hetgeen niet is weersproken door klaagster. De geïnfecteerde baarmoederstomp waaraan de hond later is geopereerd, vormt een bekende complicatie van een ovariohysterectomie en hoeft er niet op te duiden dat deze ingreep incorrect is uitgevoerd. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verminderde eetlust van de hond, de diarreeklachten en de vermagering van de hond het gevolg zijn van de ovariohysterectomie door beklaagde sub 1. Het college overweegt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de ovariohysterectomie verkeerd is uitgevoerd door hem.

5.5. Uit de stukken van het dossier is het volgende beeld naar voren gekomen over de wijze waarop beklaagde sub 1 de klachten van de hond heeft behandeld. Begin november 2021 heeft hij met het oog op indigestie dan wel symptomen van Giardia, behandeling met het antibioticum Spizobactin (gedurende vijf dagen) en voedingsregulering ingezet. Medio november is klaagster met de hond op consult geweest bij beklaagde sub 1 vanwege recidiverende diarreeklachten en vermagering. Beklaagde heeft daarop opnieuw een vijfdaagse behandeling met Spizobactin ingezet. Eind november is klaagster weer op consult geweest met de hond, omdat de hond nog steeds diarreeklachten had en verder vermagerd was. Beklaagde sub 1 heeft toen de mogelijkheid van een immuungemedieerde chronische inflammatoire enteritis (IBD) genoemd en van het uitvoeren van verder onderzoek daarnaar. Hij heeft behandeling van de hond ingezet met corticosteroïden en het antibioticum Metronidazol gedurende tien dagen; na veertien dagen zou er overleg tussen klaagster en beklaagde sub 1 moeten plaatsvinden. Dit overleg heeft niet plaatsgevonden en pogingen van beklaagde sub 1 om in contact te komen met klaagster waren niet succesvol. 

5.6. Het college overweegt als volgt. Uit de beschikbare stukken valt slechts beperkt af te leiden op basis van welke overwegingen is beslist tot de hierboven uiteengezette behandeling van de hond. Daaruit is niet naar voren gekomen dat beklaagde sub 1 onderzoek (van het bloed en/of de ontlasting en een echo) heeft verricht. Volgens de anamnese van 31 december 2021 zoals weergegeven in de hond’s patiëntendossier van de praktijk van beklaagden sub 2 en 3, heeft beklaagde sub 1 wel urineonderzoek uitgevoerd, maar geen bloed- en ontlastingsonderzoek. Het had voor de hand gelegen dergelijk onderzoek uit te voeren naar aanleiding van de diarreeklachten bij deze vermagerende hond, alvorens tot driemaal toe antibiotica voor te schrijven. Maar als de hierboven (in 5.5) genoemde behandeling van de hond met medicatie op zichzelf wordt beschouwd, dan komt deze het college niet zonder meer als verkeerd voor. In ieder geval kan het college op grond daarvan klaagster niet volgen waar zij stelt dat beklaagde sub 1 haar heeft afgescheept met medicijnen. Evenmin geeft de wijze waarop de hond is behandeld er blijk van dat beklaagde sub 1 onvoldoende heeft geluisterd naar klaagster, terwijl zij dit niet verder heeft toegelicht. Tijdens het consult van eind november heeft beklaagde sub 1 overleg na veertien dagen over de toestand van de hond in het vooruitzicht gesteld. Hij heeft geen opvolging kunnen geven aan de door hem ingezette behandeling van de hond, omdat klaagster de behandeling zonder enige kennisgeving aan hem heeft afgebroken. Onder deze omstandigheden oordeelt het college dat klaagster tegenover hetgeen over de behandeling van de hond door beklaagde sub 1 naar voren is gekomen, er niet in is geslaagd het college ervan te overtuigen dat hij daarbij is tekortgeschoten. De klacht tegen beklaagde sub 1 zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van beklaagden sub 2 en sub 3

5.7. Klaagster heeft erover geklaagd dat beklaagden sub 2 en sub 3 niet goed hebben geluisterd toen zij haar vermoeden uitte dat de klachten van de hond het gevolg waren van de door beklaagde sub 1 incorrect uitgevoerde operatie. In plaats van daarop te acteren, hebben zij allerlei tijdrovende onderzoeken in gang gezet en zijn zij de hond gaan behandelen met medicijnen die niet hebben geholpen. Ten onrechte heeft beklaagde sub 3 het vermoeden uitgesproken dat de hond IBD of een tumor had en heeft zij de hond met het oog daarop willen doorverwijzen naar een specialist. Bovendien had beklaagde sub 3 niet mogen voorstellen dat het wellicht beter zou zijn de hond te laten inslapen, aldus klaagster.

5.8. Het college overweegt dat over de wijze waarop beklaagden sub 2 en sub 3 de hond hebben behandeld, uit het patiëntendossier het volgende naar voren is gekomen. Op 31 december 2022 heeft beklaagde sub 3 geconcludeerd dat de hond er slecht aan toe was en dat de kans aanwezig was dat de hond een tumor heeft. Ook heeft ze de mogelijkheid van euthanasie aan de orde gesteld. Om de hond te kunnen behandelen zouden de nodige onderzoeken nog moeten worden verricht, wat toen (op oudejaarsdag) niet mogelijk of zinvol was; op 3 januari zou daarmee kunnen worden begonnen. Voor de tussentijd is beklaagde sub 3 de hond symptomatisch gaan behandelen om de eetlust terug te krijgen en de diarree te remmen, in het kader waarvan de voorgeschreven medicatie is aangepast. Op 3 januari is klaagster met de hond op (herhalings)consult geweest bij een andere dierenarts van deze praktijk, die anamnese heeft afgenomen, lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd en bloedonderzoek heeft verricht. Later op die dag heeft beklaagde sub 3 de uitslag van het bloedonderzoek besproken met klaagster en heeft ze haar geadviseerd om met de hond, waarmee het steeds slechter ging, naar een specialist te gaan. Klaagster heeft daarvan – om financiële redenen – afgezien, zo ook van de door beklaagde sub 3 genoemde optie van euthanasie van de hond, waarna ervoor is gekozen om de hond verder te onderzoeken door het uitvoeren van een echoscopie en nader bloedonderzoek. Op 4 januari heeft beklaagde sub 2 een echo-onderzoek van de buik van de hond verricht en heeft beklaagde sub 3 in het patiëntendossier opgenomen wat er wel, wat er niet en wat er onduidelijk op de echo te zien was. Beklaagde sub 3 heeft diverse vermoedelijke oorzaken van de hond’s klachten genoemd en met klaagster besproken dat om het vermoeden van een ontsteking ter hoogte van de operatiestompen te staven, een operatie (exploratieve laparotomie) nodig was. Nadat klaagster daarvan had afgezien, is beklaagde sub 3 de hond in overleg met klaagster verder gaan behandelen met het oog op de diarree, door de medicatie aan te passen, ontlastingsonderzoek uit te voeren en voedingsadvies te geven en op controle te komen in geval van tussentijdse verslechtering. Op 7 januari heeft beklaagde sub 3 de uitslag van het ontlastingsonderzoek telefonisch gemeld aan klaagster. Op maandag 10 januari is klaagster met de hond op (herhalings)consult geweest bij beklaagde sub 3, die de (differentiaal)diagnose “ernstige MDK ontsteking (IBD/lymfoom/chronische enteritis/ulceraties) met bloedverlies” heeft gesteld. Nadat klaagster de optie van euthanasie heeft afgewezen, heeft beklaagde sub 3 met haar besproken dat de hond die week een laatste kans zou worden gegeven, door met medicatie – die werd aangepast – en dwangvoeren door te blijven gaan. Nadat beklaagde sub 3 op 11 januari via een praktijkgenoot met wie klaagster contact had opgenomen, duidelijkheid heeft verschaft over de dosering van de toe te dienen medicatie, is er geen contact meer geweest over de behandeling van de hond; klaagster heeft niet gereageerd op een op 18 januari op haar voicemail door beklaagde sub 3 ingesproken terugbelverzoek om te informeren hoe het met de hond gaat. Klaagster heeft deze informatie uit het patiëntendossier van de hond niet weersproken.

5.9. Het college overweegt dat het op 4 januari uitgevoerde echo-onderzoek van de hond’s buik het enige door beklaagde sub 2 verrichte diergeneeskundig handelen met betrekking tot deze hond betreft. Klaagster heeft zich niet bij het college beklaagd over de uitvoering van dit onderzoek. Gesteld noch gebleken is dat beklaagde sub 2 betrokken is geweest bij overige onderzoeken van de hond dan wel bij de behandeling van de hond met medicijnen. Beklaagde sub 2 heeft naar voren gebracht dat zij klaagster heeft geadviseerd, omdat aan de hand van de gemaakte echo niet met voldoende zekerheid viel vast te stellen wat zich in de buik van de hond bevond, terwijl de toestand van de hond zwak was, om met de hond naar een internist in Ommen te gaan voor een herhaling van de echo. Beklaagde sub 2 achtte het een te groot risico om de hond te opereren zonder dat hierover de nodige duidelijkheid was verkregen. Volgens beklaagde sub 2 heeft klaagster dit advies niet willen opvolgen vanwege de kosten die daarmee gepaard zouden gaan. Het echo-onderzoek en het naar aanleiding daarvan gegeven advies komen het college niet onredelijk voor in het kader van de behandeling van de hond. Het college zal de klacht tegen beklaagde sub 2 ongegrond verklaren.

5.10. Uit het in 5.8 overwogene komt naar voren dat beklaagde sub 3 verantwoordelijk was voor het overgrote deel van de diergeneeskundige zorg die aan de hond is verleend in de periode waarin de hond is behandeld door de praktijk waaraan zij verbonden is. Volgens het patiëntendossier van de hond heeft beklaagde sub 3 meermaals uitgebreide anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht en over haar bevindingen en de door haar geadviseerde behandeling overleg gehad met klaagster. Beklaagde sub 3 heeft daarbij meermaals diverse opties met klaagster besproken, waaronder doorverwijzing naar een specialist en het uitvoeren van een exploratieve laparotomie, waarvan klaagster vanwege de kosten heeft afgezien. Ook heeft beklaagde sub 3 enkele keren, gelet op de slechte gezondheidstoestand van de hond, de mogelijkheid van euthanasie aan de orde gesteld bij klaagster, maar klaagster wilde die niet. Dit heeft er telkens toe geleid dat ervoor is gekozen de symptomatische behandeling van de hond die op 31 december was ingezet, voor te zetten. Tegen de achtergrond hiervan kan het college de wijze waarop beklaagde sub 3 de hond heeft behandeld goed volgen. Het college acht de daarbij door haar ingezette – en diverse malen aangepaste – medicatie niet onbegrijpelijk. Hieraan doet de door klaagster genoemde omstandigheid dat de hond ondanks de medicatie niet beter is geworden, niet af. Beklaagde sub 3 heeft het uitvoeren van bloed- en ontlastingsonderzoek en een echoscopie nodig geacht om te kunnen achterhalen wat de oorzaak was van de hond’s klachten. Deze handelwijze komt het college logisch voor en niet is gebleken dat het uitvoeren van die onderzoeken onnodig veel tijd heeft gekost. Ook als ervan zou worden uitgegaan dat klaagster beklaagde sub 3 op de hoogte heeft gesteld van haar vermoeden dat de hond’s klachten het gevolg zijn van de door beklaagde sub 1 uitgevoerde operatie, had beklaagde sub 3 gerechtvaardigd kunnen kiezen voor een behandeling van de hond zoals zij heeft gedaan. Het college zal de klacht tegen beklaagde sub 3 dan ook ongegrond verklaren.

Ten aanzien van beklaagden sub 4 en sub 5

5.11. Klaagster heeft gesteld dat beklaagde sub 4 niet bevoegd was om medicatie toe te dienen aan de hond, omdat hij toen tuchtrechtelijk was geschorst om diergeneeskundige handelingen te verrichten. Beklaagde sub 4 heeft dit bevestigd – en heeft weersproken dat hij de hond diergeneeskundig heeft behandeld –, waaraan hij de gevolgtrekking heeft verbonden dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht tegen hem. Ter zitting heeft mr. Breedijk gewezen op de uitspraak van het Veterinair Beroepscollege van 21 november 2024 (ECLI:NL:TDIVBC:2024:24), die is gedaan in een procedure waarin beklaagde sub 4 (ook) de beklaagde dierenarts was en waarin is geoordeeld over zijn handelen in een periode waarin hij wegens een tuchtrechtelijke schorsing was uitgeschreven uit het Diergeneeskunderegister. Het college constateert dat het thans door klaagster aan haar klacht ten grondslag gelegde veterinair handelen door beklaagde sub 4, heeft plaatsgevonden in de in die uitspraak genoemde periode van uitschrijving. Het Veterinair Beroepscollege heeft in die uitspraak overwogen dat uit de Wet dieren volgt dat slechts een dierenarts die is ingeschreven in het Diergeneeskunderegister onderworpen is aan het tuchtrecht. Dit leidt ertoe, zo overweegt het college, dat voor zover beklaagde sub 4 veterinaire handelingen heeft verricht bij de hond, die handelingen als gevolg van zijn uitschrijving uit het Diergeneeskunderegister wegens zijn schorsing, niet aan het veterinair tuchtrecht onderworpen kunnen zijn. Hierom zal klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard in haar klacht tegen beklaagde sub 4.

5.12. Aangezien klaagster geen concreet verwijt heeft geuit over het veterinair optreden van beklaagde sub 5, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar klacht tegen deze beklaagde. Klaagster heeft met betrekking tot de behandeling door alle beklaagde dierenartsen opgemerkt dat de hond onnodig veel medicijnen heeft moeten slikken en dat er niet naar haar is geluisterd. Het college merkt daarover slechts op dat de in de hond’s patiëntendossier van de praktijk van beklaagde sub 5 genoemde medicatie, zonder nadere toelichting door klaagster van het tegendeel, niet het beeld oproept dat deze zonder noodzaak is voorgeschreven. Beklaagde sub 5 heeft in het patiëntendossier vermeld dat klaagster het idee heeft dat er iets mis is gegaan na de operatie die vanwege een pyometra heeft plaatsgevonden. Dat beklaagde sub 5 vervolgens een behandeling heeft ingezet zoals hierboven in 3.5 is uiteengezet, duidt voor het college niet op een tekortschieten door haar.

5.13. Dit alles leidt het college ertoe als volgt te beslissen op de klachten.

6. DE BESLISSING
 

Het college:
 

in de zaak met nummer 2022/63, tegen dierenarts [beklaagde sub 1]:

verklaart de klacht ongegrond;

in de zaak met nummer 2022/65, tegen dierenarts [beklaagde sub 2]:

verklaart de klacht ongegrond;

in de zaak met nummer 2023/57, tegen dierenarts [beklaagde sub 3]:

verklaart de klacht ongegrond;

in de zaak met nummer 2022/66, tegen dierenarts [beklaagde sub 4]:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht tegen beklaagde sub 4;

in de zaak met nummer 2022/98, tegen dierenarts [beklaagde sub 5]:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht tegen beklaagde sub 5 .

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage [collegeleden] en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.