ECLI:NL:TDIVBC:2025:8 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/01 VBC 2025/05

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2025:8
Datum uitspraak: 07-11-2025
Datum publicatie: 07-11-2025
Zaaknummer(s):
  • VBC 2025/01
  • VBC 2025/05
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: Beroep van diereigenaar tegen een uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege op een klacht tegen twee dierenartsen. De zaken hebben betrekking op de behandeling van de kat van appellante, die uiteindelijk is geëuthanaseerd. Appellante verwijt de dierenartsen onder meer dat zij bij haar op deze euthanasie hebben aangedrongen. Het Veterinair Tuchtcollege heeft beide klachten in eerste aanleg ongegrond verklaard.

Zaaknummers: Datum uitspraak:

VBC 2025/01 en 2025/05 7 november 2025

Uitspraak op het beroep van:

[appellante], wonende te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 12 november 2024 in zaaknrs. 2023/25 en 2023/26 in het geding tussen:

appellante

(klaagster in eerste aanleg)

en

[verweerder 1], dierenarts te [plaats] (hierna: dierenarts 1) en

[verweerder 2], dierenarts te [plaats] (hierna: dierenarts 2).

1. Verloop van de procedure

Bij uitspraak van 12 november 2024 (ECLI:NL:TDIVTC:2024:36) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klachten van appellante tegen beide dierenartsen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante beroep ingesteld.


De dierenartsen hebben een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft beide zaken gelijktijdig ter zitting behandeld op 10 oktober 2025, waar partijen zijn verschenen. De dierenartsen werden daarbij vergezeld door M. Rooijmans.

2. Voorgeschiedenis


2.1 Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

    1. Het gaat in deze zaak om de kat van appellante, een vrouwelijke Europese Korthaar met de

naam [naam], die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid volgens de patiëntenkaart veertien jaar en tien maanden oud was (hierna: 'kat').

    1. Appellante is op 11 augustus 2022 met haar kat op consult geweest bij dierenarts 1

wegens onder andere een tic, te weten het heen en weer schudden van haar kop. Dierenarts 1 heeft tijdens haar onderzoek geconstateerd dat er een zwelling in de bek van de kat zat. Zij vermoedde dat dit een kwaadaardige tumor was. Aangezien de zwelling ook een ontsteking zou kunnen zijn, heeft dierenarts 1 geadviseerd te starten met het behandelen van de bult alsof het een ontsteking was. Appellante heeft een flesje Metacam en zeven tabletten Clavaseptin meegekregen. Tijdens dit consult is ook euthanasie als optie ter sprake gekomen voor het geval de medicijnen niet zouden aanslaan en de conditie van de kat niet zou verbeteren. Dierenarts 1 heeft appellante geadviseerd opnieuw contact op te nemen met de praktijk als het niet beter ging met de kat.

    1. Op 19 augustus 2022 heeft een telefoongesprek van dertig minuten plaatsgevonden tussen

appellante en dierenarts 1. Appellante liet tijdens dit telefoongesprek weten dat haar kat was opgebloeid en makkelijker at en dronk sinds de medicatie, maar dat de bult in de bek/neus wat meer uitpuilde naar buiten. Tijdens het telefoongesprek is afgesproken om een afspraak te maken voor een punctie en om de antibioticakuur en pijnstilling te verlengen.

2.5 Op 26 augustus 2022 heeft dierenarts 2 een punctie genomen van de bult in de bek van de kat.

2.6 De verkregen uitstrijkjes zijn gestuurd naar IDEXX Laboratories (hierna: het laboratorium). Het laboratorium stelde de diagnose: cytologisch beeld passend bij plaveiselcelcarcinoom. De verantwoordelijke dierenarts heeft in het rapport van het laboratorium geadviseerd om een excisiebiopt in te sturen voor additioneel histologisch onderzoek ter bevestiging van de diagnose.

2.7 Dierenarts 2 heeft op 1 september 2022 appellante gebeld om de uitslag van de punctie door te geven. Zij heeft meegedeeld dat de zwelling een kwaadaardige tumor was. Dierenarts 2 heeft met appelante gesproken over mogelijk aanvullend onderzoek en de reden om het aanvullend onderzoek niet te laten uitvoeren. Dierenarts 2 heeft geadviseerd de kat binnen twee weken te laten inslapen. Appellante heeft hier uiteindelijk tijdens het telefoongesprek mee ingestemd. Zij heeft hierbij te kennen gegeven dat zij de euthanasie graag aan huis wilde. Tijdens een telefoongesprek op 5 september 2022 hebben dierenarts 2 en appellante afgesproken de euthanasie op 9 september 2022 uit te voeren op de praktijk. Dierenarts 2 heeft appellante in het belang van de kat ten zeerste afgeraden de afspraak af te zeggen.

2.8 Dierenarts 2 heeft de kat op 9 september 2022 in het bijzijn van appellante ge-euthanaseerd.

3. Procedure in eerste aanleg


De klacht
3.1 Appellante heeft dierenarts 1 in eerste aanleg, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat:

  1. zij al tijdens het eerste consult erop heeft aangedrongen de kat te laten euthanaseren;
  2. appellante erop moest aandringen dat dierenarts 1 medicatie zou voorschrijven.
    1. Aan dierenarts 2 heeft appellante verweten dat:
  1. zij erop heeft aangedrongen de kat te laten euthanaseren;
  2. zij appellante niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid tot het uitvoeren van een excisiebiopt ter bevestiging van de diagnose, zoals genoemd in het onderzoeksresultaat van het laboratorium.

Ook vindt klaagster dat de nazorg door de dierenartsenpraktijk onvoldoende is geweest.


De beslissingen van het Veterinair Tuchtcollege
3.2 Het Veterinair Tuchtcollege heeft beide klachten in alle onderdelen ongegrond verklaard.

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden
4.1 Appellante is het niet eens met de beslissingen van het Veterinair Tuchtcollege. De verwijten uit eerste aanleg heeft zij in beroep herhaald.

Verweer

    1. De dierenartsen stellen zich – samengevat – op het standpunt dat zij veterinair juist en in

het belang van het welzijn van de kat hebben gehandeld.

5. Beoordeling van de beroepen

Algemeen

5.1 De vraag die het Veterinair Beroepscollege moet beantwoorden, is of het Veterinair

Tuchtcollege de klachten van appellante terecht ongegrond heeft verklaard. In dat kader dient te worden beoordeeld of de dierenartsen tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenarts hadden behoren te betrachten ten opzichte van de kat van appellante. Bij die beoordeling gaat het er volgens vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar of de dierenarts als redelijk bekwaam en redelijk handelende dierenarts heeft gehandeld.

Ten aanzien van dierenarts 1

    1. Het Veterinair Tuchtcollege heeft in de overwegingen 5.2 en 5.3 van de uitspraak van

12 november 2024 duidelijk gemotiveerd hoe het tot de ongegrondverklaring van de klacht tegen dierenarts 1 is gekomen. Daarin is door het Veterinair Tuchtcollege onder meer betrokken dat de dierenarts, ondanks het feit dat zij bij het eerste consult al vermoedde dat de bult in de bek van de kat een kwaadaardige tumor was, heeft geadviseerd de bult eerst te behandelen als een ontsteking, omdat appellante nog niet toe was aan euthanasie. Omdat de behandeling niet aansloeg heeft dierenarts 1 vervolgens een punctie geadviseerd. Het Veterinair Tuchtcollege heeft geoordeeld dat deze handelwijze niet onjuist is. Daarnaast heeft het Veterinair Tuchtcollege geoordeeld dat de dierenarts niet onjuist heeft gehandeld door al tijdens het eerste consult euthanasie ter sprake te brengen. Aangezien de kans groot was dat de kat een kwaadaardige tumor in zijn bek had, achtte het Veterinair Tuchtcollege euthanasie een realistische optie.

Ten aanzien van dierenarts 2

5.3 In de overwegingen 5.4 en 5.5 van de uitspraak is het Veterinair Tuchtcollege ingegaan op de klachten tegen dierenarts 2. Samenvattend heeft het Veterinair Tuchtcollege geoordeeld dat de redenering van dierenarts 2 om geen aanvullend onderzoek te verrichten, omdat nader onderzoek enkel de diagnose zou bevestigen en de behandeling niet zou veranderen, terwijl de kat langer pijn zou lijden, te volgen is. Verder is overwogen dat de dierenarts terecht heeft aangedrongen om de kat op korte termijn te euthanaseren, omdat uit de stukken voldoende blijkt dat de kat ernstig ziek was en behandeling niet meer mogelijk was. Dat de dierenarts zou hebben aangedrongen op een euthanasie omdat zij met vakantie zou gaan, zoals klaagster stelt, is door het Veterinair Tuchtcollege onwaarschijnlijk geacht.

Oordeel
5.4 Het oordeel van het Veterinair Tuchtcollege en de daaraan ten grondslag liggende

overwegingen worden door het Veterinair Beroepscollege volledig onderschreven. Op basis van de bevindingen (zowel van de punctie als van het onderzoek door de dierenartsen zelf) bestond voor de dierenartsen geen enkele aanleiding om te twijfelen aan het bestaan van een kwaadaardige tumor in de bek, waarvan de kat in toenemende mate pijn en hinder zou ondervinden. Hoe verdrietig ook voor appellante, aanvullend onderzoek zou geen uitkomst hebben geboden en enkel onnodig belastend voor de kat zijn geweest. Met het laten inslapen van de kat op korte termijn is de kat verder lijden bespaard.

5.5 Omdat in deze tuchtprocedure alleen een oordeel kan worden gegeven over de zorg die de dierenartsen aan de kat hebben gegeven, kan de klacht van klaagster over de (niet) verleende nazorg na de euthanasie verder onbesproken blijven.

5.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de dierenartsen hebben gehandeld zoals van hen verwacht mocht worden. Dit betekent dat het Veterinair Tuchtcollege de klachten terecht ongegrond heeft verklaard en dat de beroepen van appellante moeten worden verworpen.


6. Beslissing

Ten aanzien van dierenarts 1 (VBC 2025/05):

Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Ten aanzien van dierenarts 2 (VBC 2025/01):

Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Aldus gewezen op 7 november 2025 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. R.H. Broekhuijsen en mr. J.C.W. Rang (jurist-leden), drs. F. Kahlmann en drs. W.A. Breukers (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.

mr. E.A. Minderhoud mr. M.D. Moeke

Voorzitter Secretaris