ECLI:NL:TDIVBC:2025:11 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/09

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2025:11
Datum uitspraak: 12-12-2025
Datum publicatie: 12-12-2025
Zaaknummer(s): VBC 2025/09
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: Beroep van een diereigenaar tegen een uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege op een klacht tegen een dierenarts. De klacht heeft betrekking op de kat van appellante, die door de dierenarts is geëuthanaseerd. In eerste aanleg heeft appellante de dierenarts onder meer verweten de euthanasie zonder haar toestemming en op onjuiste wijze te hebben uitgevoerd. De klacht is door het Veterinair Tuchtcollege deels gegrond verklaard en daarvoor is aan de dierenarts een waarschuwing opgelegd. De klacht is ongegrond verklaard wat betreft het zonder toestemming uitvoeren van de euthanasie. Tegen dit gedeelte van de uitspraak richt het beroep van appellante zich.

Zaaknummer: Datum uitspraak:

VBC 2025/09 12 december 2025

Uitspraak op het beroep van:

[appellante], wonende te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 12 mei 2025 in zaaknr. 2023/81

in het geding tussen:

appellante,

klaagster in eerste aanleg,

en

[verweerder], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts of ook verweerster).

1. Verloop van de procedure

Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van appellante tegen de dierenarts deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen (een deel van) de ongegrondverklaring heeft appellante op 4 juli 2025 beroep ingesteld, welk beroep appellante bij brief van 1 september 2025 heeft aangevuld.


De dierenarts heeft bij brief van 22 oktober 2025 verweer gevoerd en gevraagd het beroep ongegrond te verklaren.

Met instemming van partijen heeft het Veterinair Beroepscollege de zaak zonder zitting behandeld.

2. Voorgeschiedenis


2.1 Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2 Het gaat in deze zaak om de kat van appellante, een Maine Coon met de naam [naam] (hierna: de kat), die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid bijna één jaar oud was.

2.3 Op 22 oktober 2022 is appellante met de kat bij een dierenarts geweest, omdat de kat

verminderde eetlust had. Deze dierenarts heeft een algemeen klinisch onderzoek uitgevoerd,

waaruit naar voren kwam dat de kat een versnelde ademhaling en koorts had. Op basis hiervan

concludeerde deze dierenarts dat er vermoedelijke sprake was van een virale luchtweginfectie

en is een medicamenteuze behandeling met Duplocilline en Metacam ingezet.

2.4 Op 26 oktober 2022 heeft appellante wederom contact gezocht met deze

(eerstelijns)praktijk, omdat zij zich zorgen maakte over de gezondheid van de kat en zij een

bloedonderzoek wilde laten uitvoeren. Appellante is uitgenodigd met de kat naar de praktijk te

komen, alwaar zij op consult is geweest bij een collega van de dierenarts die de kat op 22 oktober 2022 had behandeld. Na een algemeen klinisch onderzoek heeft deze dierenarts

getracht bloed bij de kat af te nemen. Omdat de kat erg gestrest raakte en begon te hoesten en

te 'neusvleugelen', is dit niet gelukt. Vervolgens heeft deze dierenarts röntgenfoto's van de

thorax gemaakt. Daaruit bleek dat sprake was van liquothorax. Deze dierenarts heeft de kat verwezen naar de kliniek waar verweerster werkzaam is voor een thoraxpunctie en verdere diagnostiek van het longvocht.

2.5 Na dit consult is appellante met de kat naar de tweedelijnskliniek van verweerster gegaan.

Verweerster heeft de patiëntenkaart van de verwijzend dierenarts gelezen en de bijgevoegde

röntgenfoto's bekeken en een algemeen klinisch onderzoek verricht, waaruit blijkens de

patiëntenkaart naar voren kwam dat de kat nog altijd een versnelde, pendelende ademhaling

had en daarnaast suf was. Verweerster heeft de kat meegenomen naar de opname-afdeling om

met gebruikmaking van echoapparatuur een thoraxpunctie uit te voeren. Volgens verweerster werd de kat tijdens de thoraxpunctie — ondanks het toedienen van zuurstof — benauwder en moest zij de ingreep daarom staken. Het vocht dat tot dat moment uit de thorax was afgenomen, was geel en dradentrekkend.

2.6 Op basis van de haar toegezonden patiëntinformatie van de verwijzend dierenarts en haar

eigen onderzoeksbevindingen, is verweerster uitgegaan van feline infectieuze peritonitis (FIP).

Daarop heeft zij appellante geadviseerd de kat te laten inslapen. Over de wijze waarop

het consult vervolgens is verlopen, lopen de lezingen uiteen. Duidelijk is dat appellante na deze

mededeling erg emotioneel werd en verweerster heeft gevraagd om behandeling en verder

onderzoek en dat verweerster hieraan geen gehoor heeft gegeven. Verweerster stelt dat zij heeft

uitgelegd dat de kat — ondanks de door de eerdere dierenarts ingestelde medicamenteuze

behandeling met Duplocilline en Metacam — alleen maar benauwder was geworden, dat het bij

de eerstelijns-dierenarts niet was gelukt om bloed af te nemen, dat ook de thoraxpunctie moest

worden gestaakt, dat het afzuigen van vocht enkel voor de korte termijn verlichting zou bieden

en dat het daarom niet reëel zou zijn de kat nog verdere onderzoeken of behandelingen te laten

ondergaan. Daarop zou appellante volgens verweerster met euthanasie hebben ingestemd. Deze

weergave van de gang van zaken wordt door appellante betwist. Zij stelt dat zij door de diagnose

en de ter sprake gebrachte euthanasie volledig in shock is geraakt, verweerster heeft gesmeekt

nader onderzoek te doen en de kat te behandelen en alleen in algemene zin heeft verklaard

dat, indien zij een keuze moest maken tussen 'laten stikken' en 'euthanasie', zij voor dat laatste

zou kiezen, maar dat zij per saldo alleen maar heeft gezegd 'ik wil dit niet, ze mag niet

ingeslapen worden'.

2.7 Verweerster heeft de kat vervolgens geëuthanaseerd.

3. Procedure in eerste aanleg


De klacht
3.1 Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt dat als klachtonderdelen zijn vastgesteld: het stellen van de diagnose FIP zonder labonderzoek, het uitvoeren van

euthanasie zonder toestemming, het niet aanbieden c.q. weigeren van zorg en een onjuiste manier van uitvoeren van euthanasie.


De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2 Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard voor zover het betreft het niet met appellante bespreken van de mogelijkheid om te trachten de kat middels een symptomatische behandeling comfortabel te krijgen, zodat klaagster meer tijd zou hebben om met de diagnose en de te nemen beslissing in het reine te komen, alsmede het uitvoeren van de euthanasie zonder toediening van premedicatie. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden
4.1 Appellante is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege voor zover het de ongegrondverklaring betreft van het klachtonderdeel dat verweerster de euthanasie van de kat zonder appellantes toestemming heeft uitgevoerd. Appelante stelt zich onverminderd op het standpunt dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de euthanasie. Dit blijkt volgens haar ook uit de verklaring van ooggetuige [naam ooggetuige].

Verweer

4.2 Volgens de dierenarts is de kat ingeslapen zonder dat daarover discussie plaatsvond en heeft zij de kat niet zonder instemming van appellante geëuthanaseerd. De dierenarts heeft om die reden verzocht het beroep van appellante ongegrond te verklaren.

5. Beoordeling van het beroep

5.1 Het beroep heeft enkel betrekking op de vraag of appellante toestemming heeft gegeven voor de euthanasie van de kat. De vraag die het Veterinair Beroepscollege daarbij dient te beantwoorden, is of het Veterinair Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat de feiten hierover niet kunnen worden vastgesteld.

5.2 Net als het Veterinair Tuchtcollege constateert het Veterinair Beroepscollege dat de lezingen van partijen over de toestemming van appellante uiteenlopen. Zoals ook door het Veterinair Tuchtcollege overwogen, is het vaste tuchtrechtspraak dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel over de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Wanneer de onderliggende feiten niet kunnen worden vastgesteld, kan de betreffende klacht dan ook niet slagen.

5.3 Volgens appellante was zij geëmotioneerd toen verweerster over euthanasie begon en heeft zij daarvoor geen toestemming gegeven. Deze lezing wordt bevestigd door haar vriendin

[naam ooggetuige], die bij het betreffende consult aanwezig was. Weliswaar zou appellante volgens deze vriendin op enig moment gezegd hebben “ok, doe het dan maar, als dat echt het beste is”, maar vervolgens zou zij alsnog gezegd hebben “ik wil het echt niet, ik wil het echt niet, ik wil dat je haar helpt”. Volgens verweerster is appellante echter wel degelijk akkoord gegaan met de euthanasie, na de uitleg van verweerster dat dat het beste was voor de kat. Ter zitting in eerste aanleg heeft verweerster hierover verklaard dat klaagster logischerwijze moest huilen, maar dat er echt toestemming was. Appellante wilde volgens haar op dat moment het beste voor haar kat en haar niet laten lijden. In het dossier staat enkel vermeld: “Advies is om haar in te laten slapen. [Naam kat] is rustig ingeslapen en gaat met mevrouw mee naar huis.”

5.4 Voor het college is duidelijk dat appellante aanvankelijk niet wilde dat de kat werd geëuthanaseerd, dat zij hierover geëmotioneerd was en dat zij ook gevraagd heeft naar mogelijke alternatieven, waarover vervolgens tussen partijen is gesproken. Voor het college is op basis van de beschikbare gegevens echter niet te reconstrueren hoe uiteindelijk tot de euthanasie is gekomen. De uiteenlopende verklaringen en het dossier geven daarover onvoldoende uitsluitsel. Gelet hierop komt het Veterinair Beroepscollege tot de conclusie dat het Veterinair Tuchtcollege terecht heeft geoordeeld dat de feiten in zoverre niet kunnen worden vastgesteld.

Slotsom

5.5 Voorgaande betekent dat de klacht van appellante wat betreft de toestemming voor euthanasie terecht ongegrond is verklaard en dat het beroep van appellante moet worden verworpen.


6. Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Aldus gewezen op 12 december 2025 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. G. Tangenberg en mr. J.C.W. Rang (jurist-leden), drs. F. Kahlmann en drs. E.C. de Ruijter (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.

mr. E.A. Minderhoud mr. M.D. Moeke

Voorzitter Secretaris

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025