ECLI:NL:TDIVBC:2025:10 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/03

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2025:10
Datum uitspraak: 21-11-2025
Datum publicatie: 21-11-2025
Zaaknummer(s): VBC 2025/03
Onderwerp: Klachtambtenaarzaken
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: Beroep van dierverloskundige tegen een uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege op een door de klachtambtenaar ingediende klacht. Het verwijt betreft het onbevoegd uitvoeren van bepaalde diergeneeskundige handelingen (uitvoeren keizersneden bij runderen en de toediening/afgifte van bepaalde medicijnen). Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan de dierverloskundige een voorwaardelijke schorsing opgelegd voor de duur van één jaar met een proeftijd van drie jaar.

Zaaknummer: Datum uitspraak:

VBC 2025/03 21 november 2025

Uitspraak op het beroep van:

[appellant], dierverloskundige, wonend te [plaats]

appellant (hierna: de dierverloskundige),

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 11 december 2024 in zaaknr. 2023/63

in het geding tussen:

[appellant], dierverloskundige

en


de klachtambtenaar, bedoeld in artikel 8.15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet dieren

1. Verloop van de procedure

Bij uitspraak van 11 december 2024 (ECLI:NL:TDIVTC:2024:40) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van de klachtambtenaar tegen de dierverloskundige gegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de dierverloskundige op 10 februari 2025 beroep ingesteld.


De klachtambtenaar heeft op 12 maart 2025 een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2025, waar de klachtambtenaar, vertegenwoordigd door mr. L. Schleeper, en de gemachtigde van de dierverloskundige, drs. H.J. Ronner, zijn verschenen.

2. Voorgeschiedenis


2.1 De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA) heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van een op 25 augustus 2021 ontvangen formulier dubieuze VKI (Voedsel Keten Informatie) aangaande een slachthuisbevinding ten aanzien van een rund met verdachte spuitplekken in de melkaders. Uit vooronderzoek naar deze melding via de sectorale databank Medirund is gebleken dat de dierverloskundige op 19 augustus 2021 50 cc/ml Depocilline (REG NL 4259) had afgeleverd aan de veehouderij waar het betreffende rund van afkomstig was. Deze informatie heeft geleid tot een onderzoek naar de werkwijze van de dierverloskundige. Er heeft op 26 augustus 2021 een inspectiebezoek door de NVWA plaatsgevonden bij de veehouderij waar het betreffende rund vandaan kwam. De echtgenote van de veehouder heeft, gevraagd naar de werkzaamheden van de dierverloskundige, onder meer verklaard dat hij een keizersnede heeft gedaan bij een vaars, aan die vaars Depocilline heeft toegediend, dat hij voorzover zij weten aangesloten is bij een dierenartsenpraktijk zodat hij diergeneesmiddelen kan afleveren en dat hun dierenarts ervan op de hoogte is dat hij bij hen op het bedrijf komt.

2.2 De NVWA heeft bij Zuivel NL alle medicijnleveranties opgevraagd die de dierverloskundige had geregistreerd in de databank Medirund. Daaruit bleek dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot 14 juni 2022 onder meer de volgende diergeneesmiddelen had toegepast:
404 keer Depocilline REG NL 4259,
405 keer Pronestesic REG NL 117141,
247 keer Geomycine schuimtablet REG NL 2398.
Depocilline en Geomycine zijn antibiotica en hebben de UDD-kanalisatiestatus. Pronestesic (oplossing voor injectie) heeft eveneens de UDD status en wordt gebruikt voor lokale anesthesie met langdurig anesthetisch effect, infiltratieanesthesie en perineurale anesthesie.

2.3 De NVWA heeft daarnaast vier getuigen, allen veehouders, en de dierenarts van een van deze veehouders, gehoord en inzage gehad in facturen en bonnen. Uit de verklaringen van de veehouders komt onder meer naar voren dat de dierverloskundige op hun bedrijven meerdere keren is geweest om keizersneden te verrichten. Op de facturen van de dierverloskundige worden verschillende bedragen onder de vermelding van ‘arbeid’ in rekening gebracht aan deze veehouders. De dierenarts van een van de veehouders heeft verklaard dat de dierverloskundige zelf de runderen verdooft en de keizersneden uitvoert, en dat als de dierverloskundige niet kan, hij de keizersnede uitvoert of een van zijn collega’s.

2.4 Bij het berechtingsrapport bevindt zich een op 4 mei 2023 opgestelde veterinaire verklaring van een toezichthoudend dierenarts van de NVWA. Deze concludeert op basis van de informatie uit de databank Medirund dat het antibioticum Depocilline en het anestheticum Pronestesic (dat wordt gebruikt om de plaats van een incisie lokaal te verdoven) frequent op eenzelfde datum op eenzelfde bedrijf werden ingezet en dat in samenhang met de inhoud van het opgemaakte proces verbaal en de eigen kennis en ervaring bij deze toezichthoudend dierenarts de overtuiging bestond dat de dierverloskundige in de periode van 1 januari 2020 tot 14 juni 2022 circa 400 keizersneden had verricht.

2.5 Op 23 februari 2023 heeft de NVWA het bedrijf, tevens woonadres van de dierverloskundige, bezocht. Na een introductie en de melding dat de reden van het bezoek een controle betrof, heeft de dierverloskundige geweigerd hieraan mee te werken. De dierverloskundige is vervolgens schriftelijk uitgenodigd voor een verhoor op 16 maart 2023. Blijkens het berechtingsrapport is de dierverloskundige toen gehoord, maar hij heeft daarbij enkel verklaard: “Ik weet van niets en ik wil niets verklaren”.

2.6 De onderzoeksbevindingen van de NVWA zijn neergelegd in een berechtingsrapport van 18 juli 2023 en een aanvullend berechtingsrapport van 14 september 2023 die zijn toegezonden aan de klachtambtenaar, die heeft besloten de procedure bij het Veterinair Tuchtcollege te starten.

3. Procedure in eerste aanleg


De klacht
3.1 De dierverloskundige wordt verweten dat hij veterinaire handelingen heeft verricht waartoe hij als dierverloskundige niet bevoegd was. Het gaat daarbij om het onbevoegd uitvoeren van keizersneden en de toepassing c.q. afgifte van UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen. Hiernaast worden de dierverloskundige administratieve tekortkomingen verweten. De klachtambtenaar heeft, na in het klaagschrift aanvankelijk om een onvoorwaardelijke schorsing te hebben verzocht voor de duur van één jaar, bij repliek verzocht de dierverloskundige een gehele ontzegging op te leggen voor wat betreft de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen als dierverloskundige.


De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2 Het Veterinair Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de dierverloskundige onbevoegd keizersneden heeft uitgevoerd en UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen heeft ingezet in het kader van keizersneden. Het Veterinair Tuchtcollege is tevens van oordeel dat de dierverloskundige ook in zijn administratieve verantwoording van zijn werkzaamheden is tekort geschoten.
Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en de dierverloskundige voorwaardelijk geschorst voor wat betreft de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen als dierverloskundige voor de duur van één jaar met een proeftijd van drie jaar. Aan die schorsing is de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat de dierverloskundige zich binnen de proefperiode niet opnieuw als dierverloskundige in het Diergeneeskunderegister registreert en dat bij het overtreden van deze bijzondere voorwaarde – en vanaf dat moment – de voorwaardelijke schorsing ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van één jaar, een en ander overeenkomstig artikel 8.31, eerste lid, onderdeel e, van de Wet dieren, in combinatie met het vijfde en zesde lid van dat artikel.

3.3 Een ter zitting gedaan wrakingsverzoek ten aanzien van de vier leden dierenartsen heeft de voorzitter, na een schorsing, afgewezen. In de uitspraak is hierover opgemerkt dat op grond van artikel 6.1 van het Besluit diergeneeskundigen geldt dat bij ‘ontstentenis’ (het ontbreken of de afwezigheid) van benoemde leden van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, dierenartsen in hun plaats zitting kunnen nemen in het college, hetgeen hier het geval is geweest. Voorts heeft de dierverloskundige weliswaar het standpunt ingenomen dat de collegeleden dierenartsen ondeskundig zijn, maar hij heeft niet expliciet gesteld dat zij ook vooringenomen en partijdig zouden zijn. Het Veterinair Tuchtcollege heeft de in de diergeneeskunde universitair geschoolde leden dierenartsen voldoende deskundig geacht om onbevooroordeeld op de klacht te beslissen.

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden
4.1 De dierverloskundige is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege en voert het volgende aan:

4. Het door de klachtambtenaar verhogen van de eis bij repliek is onrechtmatig;

5. De noodzaak tot voortzetting van de klachtprocedure in het algemeen belang ontbreekt;

7. Het wrakingsverzoek is ten onrechte afgewezen;

10. De dierverloskundige en de dierenarts verrichtten de keizersneden doorgaans in elkaars gezelschap, uitsluitend in spoedgevallen werd daarvan afgeweken;

14. De door de NVWA opgestelde getuigenverklaringen van de veehouders zijn niet rechtsgeldig;

19. De in Medirund opgeslagen informatie is niet rechtsgeldig en onbetrouwbaar;

25. De uitschrijving uit het Diergeneeskunderegister bij het staken van de werkzaamheden is wettelijk niet verplicht.

Verweer
4.2 De klachtambtenaar heeft verzocht de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege te bekrachtigen en de opgelegde maatregel in stand te laten.

5. Beoordeling van het beroep

Het Veterinair Beroepscollege overweegt hierover het volgende.


Ten aanzien van de eisvermeerdering bij repliek door de klachtambtenaar (1)

5.1 De dierverloskundige stelt dat het door de klachtambtenaar verhogen van de eis bij repliek, op basis van gewijzigde inzichten, onrechtmatig en buitenproportioneel is. De dierverloskundige betwist de door het Veterinair Tuchtcollege gevolgde redenering in overweging 5.3 van de bestreden uitspraak.

5.2 De klachtambtenaar stelt dat de eis van de klachtambtenaar, het standpunt over de op te leggen maatregel, en het in uitzonderlijke gevallen onderbouwd wijzigen daarvan, vormvrij en rechtmatig is. Het daadwerkelijk opleggen van een eventuele maatregel is voorbehouden aan de tuchtrechtelijke colleges.

5.3 Het Veterinair Beroepscollege is net als het Veterinair Tuchtcollege van oordeel dat het aan de klachtambtenaar is om aan op te leggen maatregel(en) te vragen wat hij nodig acht. In die rolverdeling ligt besloten de mogelijkheid om deze ‘eis’ gedurende de tuchtrechtelijke procedure te wijzigen. De tuchtrechter is niet gebonden aan enig voorstel van de klachtambtenaar, hij beslist zelfstandig over de zwaarte van de eventueel op te leggen maatregel. Het Veterinair Tuchtcollege heeft het voorstel voor de verhoging van de eis overigens niet gevolgd.

De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de voortzetting van de klachtprocedure in het algemeen belang (2)

5.4 De dierverloskundige betwist het oordeel van het Veterinair Tuchtcollege dat het in het algemeen belang noodzakelijk zou zijn om de klachtprocedure voort te zetten, ondanks dat hij zijn werkzaamheden heeft gestaakt.

5.5 De klachtambtenaar heeft ter zitting nogmaals uiteengezet dat, hoewel er nog slechts een gering aantal dierverloskundigen in de praktijk werkzaam is, geconstateerd is dat er in deze beroepsgroep bovengemiddeld sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag voor wat betreft het onbevoegd uitvoeren van keizersneden en de toepassing c.q. afgifte van UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen. Dit onderstreept de noodzaak van normstelling en -handhaving, aldus de klachtambtenaar.

5.6 Het Veterinair Beroepscollege onderschrijft deze stellingname van de klachtambtenaar. Met het Veterinair Tuchtcollege is het van oordeel dat het algemeen belang door de klachtambtenaar voldoende is toegelicht, namelijk dat de klacht is ingediend ter speciale preventie om de dierverloskundige in te laten zien dat zijn werkwijze een schending van zijn zorgplicht inhoudt en hem ertoe te bewegen zijn werkwijze voor de toekomst aan te passen, maar daarnaast ook ter generale preventie, opdat de beroepsgroep van dierverloskundigen kennis neemt van het van toepassing zijnde wettelijk kader waarbinnen zij hun praktijk uitoefenen en zicht krijgen op de grenzen en beperkingen daarvan.


Ten aanzien van de wraking (3)

5.7 De dierverloskundige stelt dat het Veterinair Tuchtcollege zijn wrakingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. De vier leden-deskundigen dierenartsen van het Veterinair Tuchtcollege oefenen geen dierverloskunde uit. Een beroep op ‘ontstentenis’ van in het Veterinair Tuchtcollege benoemde dierverloskundigen is niet rechtmatig.

5.8 Het Veterinair Beroepscollege wijst erop dat de Hoge Raad heeft overwogen dat een partij die een wrakingsverzoek heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, de mogelijkheid heeft om in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven, omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter(s) geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (ECLI:NL:HR:2022:1738, rechtsoverweging 3.2). Het Veterinair Beroepscollege ziet niet in dat dit in een tuchtrechtelijke procedure als hier aan de orde anders is en zal daarom inhoudelijk ingaan op deze beroepsgrond.

Het Veterinair Beroepscollege is het eens met het Veterinair Tuchtcollege dat, bij ontstentenis (het ontbreken of de afwezigheid) van leden die dierverloskundige zijn, universitair geschoolde dierenartsen voldoende deskundig worden geacht om de vraag te beoordelen of de dierverloskundige al dan niet zijn wettelijke bevoegdheden als dierverloskundige heeft overschreden. Ook in beroep heeft de dierverloskundige gesteld noch onderbouwd dat sprake zou zijn van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

5.9 Voor zover de dierverloskundige heeft bedoeld te betogen dat de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege door het ontbreken van een dierverloskundig in dat college ongeldig is, strandt dit betoog op het bepaalde in artikel 6.1 van het Besluit diergeneeskundigen, waarin is bepaald dat bij ontstentenis van benoemde leden van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, dierenartsen zitting kunnen nemen in het veterinair tuchtcollege, dan wel het veterinair beroepscollege.


De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van het uitvoeren van keizersneden samen met een dierenarts (4)

5.10 De dierverloskundige stelt ten aanzien van de overweging van het Veterinair Tuchtcollege onder 5.8 van de bestreden uitspraak dat hij en de dierenarts de keizersneden doorgaans verrichtten in elkaars gezelschap; uitsluitend in spoedgevallen werd daarvan afgeweken.

5.11 Het Veterinair Beroepscollege stelt vast dat voor deze stelling geen steun is te vinden in het dossier. Ook naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege kan uit de verklaringen van de gehoorde veehouders, in combinatie met de informatie uit Medirund, de facturen en bonnen worden geconcludeerd dat de dierverloskundige zeer frequent zelfstandig keizersneden uitvoerde en dat niet blijkt dat hij daarbij, of onverwijld daarna, de dierenarts heeft betrokken. Het Veterinair Beroepscollege is het eens met wat het Veterinair Tuchtcollege hierover heeft overwogen onder 5.10 en 5.15 van de bestreden uitspraak.


Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de getuigenverklaringen (5)

5.12 De dierverloskundige stelt dat de door de NVWA opgestelde, niet ondertekende, getuigenverklaringen van de veehouders niet rechtsgeldig zijn. De overweging van het Veterinair Tuchtcollege onder 5.9 dat de dierverloskundige de verklaringen inhoudelijk niet heeft betwist, is onjuist. Hij heeft de verklaringen wel inhoudelijk betwist door te stellen dat deze, door hem genoemde ‘ fake-verklaringen’, niet rechtsgeldig zijn. De verklaringen van de veehouders zijn volgens hem niet consistent en tegenstrijdig, de verklaringen van de dierenartsen worden gekenmerkt door onwetendheid, en de verklaring van de NVWA dierenarts door ondeskundigheid.

5.13 De klachtambtenaar stelt dat de getuigenverklaringen juist en rechtsgeldig zijn. De dierverloskundige geeft geen inhoudelijke onderbouwing waarom die verklaringen te betwisten zijn, daarmee is onduidelijk wat er onjuist is aan die verklaringen. Het ontbreken van de handtekeningen doet niet af aan de in vrijheid afgelegde verklaringen die zijn neergelegd in ambtsedige processen-verbaal.

5.14 Het Veterinair Beroepscollege ziet net als het Veterinair Tuchtcollege in wat de dierverloskundige heeft gesteld over de verklaringen van de veehouders geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen. Uit het berechtingsrapport volgt dat de veehouders zijn gehoord over de werkwijze van de dierverloskundige. De dierverloskundige heeft de inhoud en de juistheid van hun verklaringen niet concreet betwist. Zijn stelling dat de verklaringen van de veehouders elkaar tegenspreken heeft hij niet onderbouwd. Dat de verklaringen niet zijn ondertekend doet niet af aan de juistheid en rechtsgeldigheid van de verklaringen. Het Veterinair Beroepscollege wijst er op dat de verklaringen zijn afgelegd tegenover een toezichthouder van de NVWA, die daarvan verslag heeft gelegd in een ambtsedig opgesteld berechtingsrapport. In het door dierverloskundige aangevoerde heeft het Veterinair Beroepscollege geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe het Veterinair Tuchtcollege is gekomen. Het Veterinair Beroepscollege kan zich geheel verenigen met wat het Veterinair Tuchtcollege onder 5.9 en 5.10 heeft overwogen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de in Medirund opgeslagen informatie (6)

5.15 Volgens de dierverloskundige is de in Medirund opgeslagen informatie niet rechtsgeldig in tucht- en strafzaken, omdat het een kwaliteitsborgingssysteem is met een andere doelstelling en inrichting. Ook is Medirund niet beveiligd tegen onbevoegd gebruik en is de informatie onbetrouwbaar. De gegevens kunnen niet geverifieerd worden.

5.16 De klachtambtenaar stelt dat de gegevens in Medirund, de centrale registratie van antibioticagebruik bij runderen, geschikt zijn voor de onderbouwing van tuchtrechtelijke procedures, waarbij juist dit verantwoorde gebruik ter discussie staat. Dat er in algemene zin sprake is van een onveilig systeem is niet relevant en onvoldoende onderbouwd.

5.17 Het Veterinair Beroepscollege overweegt dat Medirund, de databank voor de centrale registratie van antibiotica in de rundveesector, tot doel heeft het bijdragen aan transparant en verantwoord antibioticagebruik. De gegevens daaruit mogen worden gebruikt door de klachtambtenaar, de bewijslast is vormvrij. In het (veterinair) tuchtrecht geldt als uitgangspunt de vrije bewijsleer, waarbij de klachtambtenaar in beginsel niet beperkt is in het gebruik van bewijsmiddelen en de tuchtrechter die onder meer beoordeelt op basis van de relevantie en het belang voor de zaak. Het Veterinair Beroepscollege ziet geen reden waarom de gegevens uit Medirund niet mogen worden gebruikt. De dierverloskundige heeft verder niet onderbouwd welke gegevens in Medirund - die hij zelf heeft ingevoerd - worden betwist, en waarom de gegevens onbetrouwbaar zouden zijn. De dierverloskundige heeft alleen gewezen op een algemene mogelijkheid tot frauderen, maar niet concreet gesteld dat daarvan sprake is geweest. Het Veterinair Beroepscollege ziet daarom, net als het Veterinair Tuchtcollege, in hetgeen de dierverloskundige heeft gesteld over Medirund geen aanleiding om de informatie uit Medirund uit te sluiten van het bewijs. Het Veterinair Beroepscollege kan zich eveneens verenigen met hetgeen het Veterinair Tuchtcollege onder 5.12 van de bestreden uitspraak heeft overwogen.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de opgelegde maatregel (7)

5.18 De dierverloskundige stelt dat de uitschrijving uit het Diergeneeskunderegister bij het staken van de werkzaamheden wettelijk niet verplicht is en dat sommige dierenartsen en dierverloskundigen vergeten zich uit te schrijven. Daarmee is het verwijt dat de dierverloskundige zich niet had laten uitschrijven betwistbaar.

5.19 De klachtambtenaar stelt dat het uitschrijven uit het register niet verplicht is maar wel een logische en aangewezen stap bij staking van de werkzaamheden, ook al zijn er anderen die dat niet doen.


5.20 Het Veterinair Beroepscollege is van oordeel dat de uitschrijving de dierverloskundige er niet van hoeft te weerhouden om zich opnieuw als dierverloskundige in het register in te schrijven en een praktijk als dierverloskundige te hervatten, al dan niet in samenwerking met anderen en ondanks zijn gevorderde leeftijd. De maatregel is in dat licht gezien proportioneel, mede gelet op de hierboven onder 6.3 beschreven generale preventie die met de maatregel is gediend.


De beroepsgrond deelt daarmee het lot van de overige beroepsgronden en slaagt evenmin.

5.21 Gelet op het vorenstaande en op de in hoger beroep onbestreden gebleven overwegingen van de bestreden uitspraak – in het bijzonder de overwegingen 5.13 en 5.14 – heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht terecht en op goede gronden gegrond verklaard. De dierverloskundige heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de vele door hem onbevoegd uitgevoerde keizersneden zonder dat daartoe een dwingende veterinaire noodzaak bestond, het onbevoegd toedienen en achterlaten van de UDD-gekanaliseerde diergeneesmiddelen en de ontoereikende administratieve verantwoording van de toepassing en verstrekking van diergeneesmiddelen.

5.22 Het Veterinair Beroepscollege kan zich voorts verenigen met hetgeen het Veterinair Tuchtcollege in de uitspraak onder 5.17 en 5.18 heeft overwogen over de op te leggen maatregel.

Alles afwegende acht het Veterinair Beroepscollege de maatregel van een voorwaardelijke schorsing passend en geboden.

Dat betekent dat deze maatregel met de uitspraak van het Veterinair Beroepscollege van heden onherroepelijk worden.


6. Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege:

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen op 21 november 2025 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.L.W. Aerts en mr. J.D. Streefkerk (jurist-leden), drs. J.G. van Schaik (dierenarts-lid) en A.A. Bos (dierverloskundige-lid), in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. Zandvliet als secretaris.

mr. E.A. Minderhoud mr. drs. M.H. Zandvliet

Voorzitter Secretaris

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025