ECLI:NL:TAHVD:2025:55 Hof van Discipline 's Gravenhage 240130

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2025:55
Datum uitspraak: 31-03-2025
Datum publicatie: 03-04-2025
Zaaknummer(s): 240130
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over eigen advocaat in asielrechtzaak. Bekrachtiging beslissing raad.Klachten over beroepsfouten en samenwerking met IND blijven ongegrond.

Beslissing van 31 maart 2025
in de zaak 240130

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht over een eigen advocaat in een asielrechtzaak, die door de raad ongegrond is verklaard. Klager is in beroep gekomen tegen de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.


2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: zaaknummer: 23-649/AL/MN) op 2 april 2024 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:85 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 24 april 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van 5 juni 2024;
- de aanvulling op het verweerschrift van 6 juni 2024;
- de e-mail met bijlagen van klager van 22 januari 2025.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 februari 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht. Klager heeft dat mede gedaan aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.


3 FEITEN

3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door klager gemaakte opmerkingen over de feiten betreffen een weergave van zijn klachten. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht. Het gaat om de volgende feiten:

3.2 Op 20 februari 2018 heeft klager een (derde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 8 augustus 2018 is deze aanvraag door de IND afgewezen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep op 12 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 30 juli 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank op formele gronden vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen.

3.3 Op 12 oktober 2019 heeft verweerder, als opvolgend advocaat van klager, aan de IND laten weten dat klager in afwachting van de nieuwe behandeling van zijn zaak bij de rechtbank Amsterdam rechtmatig in Nederland verblijft. Namens klager heeft hij verzocht om zijn Vreemdelingendocument (W-pasje) vanaf 1 november 2019 met een jaar te verlengen en daarop de juiste achternaam van klager te vermelden. Dezelfde dag heeft verweerder daarvan een kopie aan klager gestuurd en klager verder geschreven:

U moet zich dus wel bij uw vriendin laten inschrijven en dan snel via het loket een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van familieleven (art. 8 Evrm.)

3.4 Klager is op 28 november 2019 gehuwd met zijn Nederlandse vriendin

3.5 De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 december 2019 het beroep van klager gegrond verklaard, het besluit (van 8 augustus 2018) vernietigd en de IND opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.

3.6 Op 7 maart 2020 heeft verweerder met instemming van klager een ingebrekestelling aan de IND gestuurd met daarin een termijn tot 30 juni 2020.

3.7 Op 30 maart 2020 heeft de IND aan verweerder bericht:

Bij deze zou ik u willen informeren dat [klager] aanvullend gehoord zal moeten worden. Aangezien dit onzekere tijden zijn en nog niet duidelijk is vanaf welk moment onze klanten gehoord zullen kunnen worden wanneer zij zich in de verlengde asielprocedure bevinden kan er nog geen datum medegedeeld worden. Ik zou u daarom willen vragen of u akkoord bent met het tijdelijk stopzetten van de IGS tot het moment dat betrokkene gehoord zal zijn, omdat er eerder geen besluit kan worden genomen.

Diezelfde dag heeft klager aan verweerder per e-mail laten weten op basis van het advies van verweerder en vanwege begrip voor de lastige situatie in te stemmen met het tijdelijk stopzetten van de IGS tot maximaal 30 juni 2020.

3.8 In een e-mail van 27 juli 2020 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij contact met de IND heeft gehad, dat de ingebrekestelling vanaf 30 juni 2020 weer is gaan lopen en gemeld dat klager recht heeft op een schadeloosstelling wegens niet tijdig beslissen door de IND.

3.9 Door de Covid-maatregelen is klager pas op 26 augustus 2020 door de IND aanvullend gehoord.

3.10 Op 12 oktober 2020 heeft de IND het voornemen aangekondigd om de herhaalde asielaanvraag van klager af te wijzen. Daarop heeft verweerder aan de IND op 7 november 2020 de zienswijze van klager kenbaar gemaakt en voor onderbouwing verwezen naar alle door de vorige advocaat van klager in eerdere procedures overgelegde stukken. Vanwege het op 26 augustus 2020 plaatsgevonden aanvullend gehoor van klager heeft verweerder in zijn e-mail van 7 november 2020 namens klager ook een aanvullende zienswijze ingediend. Na ontvangst van verschillende stukken van klager heeft verweerder op 9 november 2020 bij de IND zijn aanvullende zienswijze nog aangevuld. Daarin heeft verweerder vermeld:

[Klager] heeft zijn gemachtigde te kennen gegeven dat hij persoonlijk nog een aantal zaken wil toevoegen bij de zienswijze van 7 november 2020. Na overleg met [klager] is besloten om een door [klager] opgestelde mail met bijlagen integraal op te nemen in deze aanvulling. Daardoor zullen er enkele overlappingen zijn.

3.11 Op 24 november 2020 heeft verweerder namens klager beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op diens asielaanvraag.

3.12 De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 december 2020 het beroep gegrond verklaard en de IND opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen op de asielaanvraag van klager, onder verbeurte van € 100,- per dag.

3.13 Bij besluit van 3 februari 2021 heeft de IND de asielaanvraag van klager afgewezen. Tegen het besluit heeft verweerder namens klager beroep ingesteld.

3.14 Op 24 februari 2021 heeft verweerder aan de rechtbank onder meer geschreven:

In bovenstaande zaak heeft eiser, [klager], mij opnieuw en uitdrukkelijk verzocht om, als aanvulling op de reeds ingediende gronden, zijn persoonlijke gronden tegen de gewraakte beschikking van 3 februari 2021 aan de Rechtbank kenbaar te maken.

Ik stuur U hierbij een door mij ontvangen mail waarin hij o.a. per pagina en per paragraaf uiteen zet waarom het besluit in zijn ogen niet in stand kan blijven. Hij verwijst daarbij ook naar uitspraken en naar stukken uit het dossier zoals o.a. de (…). Ik voeg aan zijn persoonlijke aanvullend gronden 2 belangrijke bijlagen toe. M.b.t. zijn angst in Turkije voor eer- en bloedwraak stukken uit de reguliere procedure van voor zijn asielaanvraag en m.b.t. de schending van art. 8 Evrm mijn schrijven van 12 oktober 2019.

3.15 In een e-mail van 9 maart 2021 heeft verweerder een klacht bij de IND ingediend over het onjuiste optreden van de IND bij de aanvraag voor klager van een W-pas en verzocht om middels een spoedprocedure de verzochte W-pas alsnog te verstrekken.

3.16 Op 11 maart 2021 heeft klager rechtstreeks papieren stukken aan de rechtbank gestuurd die zijn geweigerd in de digitale procedure. Verweerder heeft daarover diezelfde dag richting klager zijn ongenoegen uitgesproken. Ook heeft hij klager opnieuw gemeld dat alle stukken uit al zijn eerdere procedures al onderdeel van het dossier uitmaken.

3.17 De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2021 gegrond verklaard en de IND opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

3.18 Op 5 mei 2021 heeft verweerder bij de IND een verzoek tot opheffing van het aan klager opgelegde inreisverbod ingediend en onder meer geschreven:

In bovenstaande zaak is op 22 april 2021 het asielberoep van [klager] gegrond verklaard. In die zaak heb ik [klager] ook als gemachtigde bij gestaan.

In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag zittingsplaats Arnhem wordt ook gerefereerd aan het in het verleden opgelegde inreisverbod. [Klager] wordt geacht met U contact op te nemen om het inreisverbod op te heffen.

Het inreisverbod is destijds opgelegd op grond van een strafrechtelijke veroordeling. Gebleken is echter dat [klager] in de strafzaak met parketnummer […] is vrij gesproken. Concreet houdt dat in dat de grond voor het opleggen van het inreisverbod daarmee is komen te vervallen. Dit blijkt echter niet van rechtswege te zijn vervallen vandaar dat [klager] bij deze een verzoek indient om het opgelegde inreisverbod met onmiddellijke ingang op te heffen. (…)

3.19 Eveneens op 5 mei 2021 heeft verweerder de IND in gebreke gesteld omdat, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder vanaf 12 oktober 2019, geen nieuw W-pasje aan klager was verstrekt.

3.20 Op 7 juni 2021 heeft verweerder namens klager de IND in gebreke gesteld in verband met het niet (tijdig) nemen van een nieuw besluit op de asielaanvraag van klager.

3.21 Kort daarna heeft verweerder de samenwerking met klager beëindigd vanwege de met klager ontstane vertrouwensbreuk.

3.22 Op 23 juli 2021 heeft de IND het bezwaar tegen het inreisverbod gegrond verklaard, althans het inreisverbod van klager opgeheven.


4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
(…)
c. beroepsfouten te maken door:
- niet tijdig beroep in te stellen bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen door de IND;
- geen ingebrekestelling te sturen aan de IND en geen beroep in te stellen bij de rechtbank voor een W-pasje;
- niet tijdig bezwaar in te dienen tegen een inreisverbod;
d. samen te werken met de IND, waardoor de asielaanvraag van klager is afgewezen.


5 OMVANG HOGER BEROEP

Door de raad van discipline is de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Klager komt alleen op tegen de ongegrond verklaarde onderdelen c) en d). De behandeling van het hof blijft daarom beperkt tot deze onderdelen. Daarmee is de ongegrondverklaring van de onderdelen a) en b) door de raad onherroepelijk.


6 BEOORDELING RAAD

6.1 Klachtonderdeel c):

De raad heeft klachtonderdeel c) ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Verweerder heeft toegelicht waarom hij de IND pas na het verlate aanvullend gehoor van klager van augustus 2020 in gebreke heeft gesteld en ook waarom pas in december 2020 beroep is ingesteld wegens niet tijdig beslissen door de IND. Gelet op het gemotiveerde verweer van verweerder, dat ook niet is weersproken door klager, is de raad van oordeel dat verweerder daarin op deskundige wijze en met oog voor de belangen van klager heeft gehandeld. De raad heeft daarbij ook betrokken dat er destijds sprake was van Covid-maatregelen waardoor veel vertraging is ontstaan bij de IND, waar verweerder geen controle over had.
Verder is de raad gebleken, in het bijzonder uit de e-mails van verweerder aan klager van 12 oktober 2020, 9 maart 2021 en van 5 mei 2021, wat verweerder voor klager heeft gedaan om een W-pas te krijgen met daarop ook de juiste achternaam van klager. Klager heeft tijdens de zitting van de raad de stelling van verweerder bevestigd dat klager nog wel een geldige W-pas had, maar dat die beschadigd was. Volgens verweerder had klager vanwege zijn registratie bij de IND gewoon zelf een nieuwe pas kunnen aanvragen, maar dat heeft hij niet gedaan. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder ook op dit punt niet in zijn zorgplicht richting klager is tekortgeschoten.
Tegen het verwijt dat verweerder niet tijdig bezwaar en beroep zou hebben ingesteld tegen het aan klager opgelegde inreisverbod heeft verweerder gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft de raad overwogen dat het niet onbegrijpelijk is dat verweerder er vanuit ging dat het aan klager opgelegde inreisverbod deel uitmaakte van de asielprocedure en dat pas door de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2021 verweerder ermee bekend was dat het inreisverbod los stond van de asielprocedure. Vervolgens heeft verweerder op 5 mei 2021 namens klager een verzoek tot opheffing van het inreisverbod bij de IND gedaan en heeft hij aldus voldoende voortvarend voor klager opgetreden.

6.2 Klachtonderdeel d):
De raad heeft hieromtrent overwogen dat het verwijt van klager aan het adres van verweerder ernstige beschuldigingen betreft over zijn vermeende samenspanning met de IND en dat de juistheid
van dit verwijt tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder niet vast is komen te staan en daarom ook niet de gegrondheid van dit verwijt.

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

7.1 Klager heeft in zijn beroepschrift de volgende beroepsgronden aangevoerd:
Voor wat betreft klachtonderdeel c) heeft klager zich op het standpunt gesteld dat klager verweerder op 30 juni 2020 heeft verzocht beroep in te stellen bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen van de IND, maar dat verweerder dat pas in december 2020 heeft gedaan. Volgens klager gaat het argument van de Covid-maatregelen dat de raad heeft gebruikt niet op, omdat dit niet gold in asielzaken.
Daarnaast heeft klager verweerder verzocht de IND in gebreke te stellen en in beroep te gaan bij de rechtbank met betrekking tot het W-pasje van klager. Volgens klager heeft hij bij de zitting van de raad nooit bevestigd dat hij een geldig W-pasje had. Het pasje was vanaf mei 2019 helemaal kapot en onbruikbaar.
Klager stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen aanvraag heeft ingediend het inreisverbod op te heffen.
Voor wat betreft klachtonderdeel d) heeft klager aangevoerd dat verweerder met de IND heeft samengewerkt door de beslissing van de Raad van Discipline in de klachtzaak over de voormalig advocaat van klager (waarbij de klacht ongegrond was verklaard) aan de IND toe te sturen en dat daardoor de asielaanvraag van klager is afgewezen.

Verweer verweerder

7.2 Verweerder gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 De raad heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast. In deze zaak gaat het immers om een klacht tegen de eigen advocaat.
Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet geldt als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.

Overwegingen hof

8.2 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die een herhaling van eerder door klager ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.


9 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1 bekrachtigt de beslissing van 2 april 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 23-649/AL/MN.


Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. R. van der Hoeven en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2025.

griffier voorzitter

De beslissing is verzonden op 31 maart 2025.