ECLI:NL:TAHVD:2025:53 Hof van Discipline 's Gravenhage 240301
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:53 |
---|---|
Datum uitspraak: | 31-03-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | 240301 |
Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
Beslissingen: | Beklag |
Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Beroepstermijn verstreken, geen redelijke kans van slagen. |
Beslissing van 31 maart 2025
in de zaak 240301
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 22 oktober 2024. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager niet de informatie heeft verstrekt waarom is verzocht, dat de zaak geen redelijke kans van slagen heeft en dat het verzoek is ingediend drie dagen voor het verstrijken van de beroepstermijn.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 22 oktober 2024 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Verder bevat het dossier het verweer van de deken.
1.4 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit
het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 De kantonrechter te Dordrecht heeft op 26 september 2024 uitspraak gedaan in een kort geding van klager tegen een woningstichting. Klager vorderde kort gezegd dat de woningstichting hem een woning ter beschikking zou stellen. Klager legde aan die vordering ten grondslag dat de woningstichting hem een huurwoning heeft aangeboden, hem in de gelegenheid heeft gesteld bepaalde documenten ter beschikking te stellen, maar het aanbod heeft ingetrokken voordat de termijn was verstreken waarbinnen de documenten moesten worden aangeleverd. De documenten zijn door klager binnen de gestelde termijn aangeleverd.
2.2 De kantonrechter heeft de vordering van klager afgewezen, kort weergegeven, omdat hij niet aannemelijk achtte dat de bodemrechter zal oordelen dat tussen partijen een huurovereenkomst is tot stand gekomen na acceptatie van het aanbod door klager en de indiening van stukken. De procedure van de woningstichting omvat meer stappen. Een openstaande huurschuld, waarvan de kantonrechter het bestaan aannemelijk vond, was de reden voor de woningstichting om het aanbod in te trekken.
2.3 Klager werd in het kort geding bijgestaan door een advocaat. Deze advocaat was niet bereid voor klager hoger beroep aan te tekenen tegen het kort geding vonnis. Klager heeft de deken desgevraagd medegedeeld dat de advocaat weinig kans van slagen zag in hoger beroep.
2.4 Klager heeft op vrijdag 18 oktober 2024 om 16.53 uur bij de deken Midden-Nederland een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat. Dit verzoek is op maandagmiddag 21 oktober 2024 doorgeleid naar de deken, omdat de hoger beroepsprocedure moest worden ingesteld in Den Haag. Klager heeft ook zelf zijn verzoek op 21 oktober 2024 alsnog bij de deken ingediend.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert
daartoe de volgende gronden aan:
1. door klagers verzoek af te wijzen wordt zijn toegang tot het recht, gewaarborgd
in artikel 6 EVRM, ontoelaatbaar beperkt;
2. klager hoeft niet te onderbouwen waarom het advies van zijn voormalige advocaat
niet juist is. Het belang van toegang tot de rechter moet zwaarder wegen dan een subjectieve
beoordeling van de slagingskans;
3. er is geen wederhoor toegepast en er is klager geen mogelijkheid geboden voor
een mondelinge toelichting;
4. ondanks de korte termijn heeft klager zijn zaak met spoed behandeld en eerst
zelf advocaten benaderd. Het argument dat de termijn te kort is, is daarom onredelijk.
5. de orde had toegezegd contact op te nemen met de voormalige advocaat. Dat
had men dus kunnen doen. Daarom is het onredelijk als afwijzingsgrond te hanteren
dat klager de informatie niet heeft aangeleverd.
Verweer
3.2 De deken heeft primair aangevoerd dat klager geen belang meer heeft bij zijn beklag, omdat de beroepstermijn inmiddels is verstreken.
3.3 Subsidiair stelt de deken dat zij het verzoek van klager terecht heeft afgewezen.
Over de door klager aangevoerde gronden heeft zij het navolgende aangevoerd:
Ad 1. de deken is niet verplicht om een advocaat aan te wijzen voor een zaak
die onvoldoende kans van slagen heeft en/of voor een zaak waarin een advocaat reeds
heeft geadviseerd dat er onvoldoende kans van slagen is;
Ad 2. gelet op het negatieve advies van klagers voormalige advocaat had het op
de weg van klager gelegen om aan te geven waarom de zaak naar zijn mening wel kans
van slagen had;
Ad 3. klager is in de gelegenheid gesteld een webformulier met toelichting en
aanvullende stukken aan te leveren. Klager was er ook door de orde Midden-Nederland
al twee keer op gewezen dat hij een webformulier moest indienen. Klager heeft niet
(volledig) voldaan aan de verzoeken van de stafjurist. Bovendien bleek de termijn
voor hoger beroep binnen enkele dagen te verstrijken, zodat de deken ervoor gekozen
heeft direct te beslissen. Onjuist is de stelling dat klager in de gelegenheid moet
worden gesteld zijn verzoek mondeling toe te lichten.
Ad 4. de appeltermijn is vier weken. Klager had zijn verzoek eerder kunnen indienen
dan drie dagen voor het eind van de termijn.
Ad 5. Er is contact met de voormalig advocaat van klager geweest, maar die voelde
zich niet vrij zonder expliciete toestemming van klager informatie te verstrekken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Aangezien de termijn voor het hoger beroep inmiddels (ruimschoots) is verstreken, heeft klager geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat. Reeds om die reden is het beklag ongegrond.
4.3 Het hof voegt hier nog aan toe dat de gronden die klager voor zijn beklag heeft aangevoerd, niet tot een andersluidende beslissing hadden geleid indien de beroepstermijn niet was verstreken. De deken is niet verplicht om een advocaat aan te wijzen als de gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft. Het gaat hier om een in eerste instantie afgewezen vordering, waarvan de voormalig advocaat van klager het instellen van hoger beroep had afgeraden en waarvan klager geen inhoudelijke argumenten heeft aangeleverd waarom hij zelf wél mogelijkheden in hoger beroep zag. Bovendien was de nog resterende appeltermijn bij de indiening van het verzoek aan de deken zo kort, dat er redelijkerwijs geen mogelijkheid meer was om zowel hierover nadere informatie op te vragen, als een advocaat de gelegenheid te geven zich inhoudelijk in de zaak te verdiepen.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 22 oktober 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. R. van der Hoeven
en
H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 31 maart 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 31 maart 2025.