ECLI:NL:TAHVD:2025:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 250080

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2025:52
Datum uitspraak: 27-03-2025
Datum publicatie: 02-04-2025
Zaaknummer(s): 250080
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Verwijzing
Inhoudsindicatie: Afwijzende verwijzing. Deken is niet wettelijk gehouden is om een conclusie van vooronderzoek te geven.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline

van 27 maart 2025

in de zaak 250080

naar aanleiding van het verzoek van:



klagers

tegen:

verweerster

1 HET VERZOEK


1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar de brief van klagers van 3 maart 2025.

1.2 Volgens klagers heeft verweerster in strijd met de regels over klachten tegen advocaten gehandeld door geen conclusie van het vooronderzoek in hun klachtzaak tegen mr. E te geven. Onder verwijzing naar de zaaknummers 2363798 en 2363800 handelt verweerster volgens klager keer op keer in strijd met de regels en is daarmee partijdig jegens klagers. Klagers willen dat zowel hun klacht tegen verweerster als hun klacht tegen mr. E door een andere deken wordt behandeld.


2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 Klagers hebben op 17 december 2024 bij verweerster een klacht ingediend tegen mr. E. Verweerster heeft onderzoek gedaan naar deze klacht en heeft dat onderzoek afgesloten met de brief van 24 februari 2025. In deze brief heeft verweerster het onderzoek gesloten en aangegeven dat klagers hun klacht -na betaling van het griffierecht- kunnen voorleggen aan de raad van discipline.

2.3 Klagers hebben vervolgens op 3 maart 2025 een klacht ingediend tegen verweerster.
Deze klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerster heeft nagelaten een conclusie van het vooronderzoek te geven. Volgens klagers handelt verweerster in strijd met de toepasselijke regelgeving. Ook stellen klagers dat verweerster partijdig is. Klagers willen dat zowel hun klacht tegen verweerster als hun klacht tegen mr. E door een andere deken wordt behandeld.

2.4 De voorzitter overweegt dat het indienen van een klacht tegen een deken geen middel is om een conclusie van vooronderzoek door een andere deken te verkrijgen.
Vooropgesteld wordt dat een deken niet wettelijk gehouden is om een conclusie van vooronderzoek te geven. Dat dit in voorkomende gevallen wel gebeurt maakt dat niet anders. Nadat het onderzoek is gesloten, geeft een deken aan dat de klacht kan worden kan worden voorgelegd aan de Raad van Discipline waarbij klager een griffierecht van € 50,- dient te voldoen, zoals verwoord in art. 46e Advocatenwet. Verweerster heeft in lijn met deze bepaling gehandeld in haar brief van 24 februari 2025 aan klagers.

2.5 De door klagers geuite wens om, vanwege hun bezwaren tegen verweerster, de klacht tegen mr. E (ook) door een andere deken te laten onderzoeken, valt buiten het bestek van de onderhavige (non-)verwijzingsbeslissing. Ter voorlichting van klagers zij wel vermeld dat artikel 46c van de Advocatenwet geen grondslag biedt om het onderzoek naar de klacht tegen mr. E door een andere deken dan verweerster te laten verrichten.

2.6 Als klagers het griffierecht voldoen, kunnen zij hun klacht tegen mr. E voorleggen aan de Raad van Discipline Amsterdam en zo hun klacht inhoudelijk laten toetsen door de tuchtrechter. In die procedure kunnen klagers dan ook de inhoud van het door de deken uitgevoerde dekenonderzoek aan de orde stellen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat verweerster geen deel uitmaakt van deze Raad van Discipline en ook niet betrokken is bij diens inhoudelijke behandeling van de zaak, noch bij enige beslissing die de raad neemt.

2.6 Op basis van het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klagers tegen verweerster daarom niet verwijzen.


3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

3.1 wijst het verzoek tot verwijzing af.


Deze beslissing is gewezen op 27 maart 2025 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.


Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 27 maart 2025