ECLI:NL:TAHVD:2025:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 240155D
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:50 |
---|---|
Datum uitspraak: | 24-03-2025 |
Datum publicatie: | 31-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 240155D |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Verweerder heeft ondanks herhaalde verzoeken en met de deken gemaakte afspraken niet de voor de ONK benodigde stukken aangeleverd en diverse -verplichte opgaven niet gedaan. De raad heeft vastgesteld dat het - gelet op de ernst van de feiten en omdat verweerder geen enkel inzicht in zijn situatie en uitleg over zijn handelen en nalaten heeft gegeven - niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent. De raad heeft verweerder de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Het hof is het eens met de beslissing van de raad. |
Beslissing van 24 maart 2025
in de zaak 240155D
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
de deken
1 INLEIDING
1.1 De deken verwijt verweerder dat hij ondanks herhaalde verzoeken en met de deken gemaakte afspraken (nog altijd) niet de voor de Opgave Nieuw Kantoor (hierna: “ONK”) benodigde stukken heeft aangeleverd en diverse -verplichte- opgaven niet heeft gedaan. De raad heeft geoordeeld dat verweerder de deken door zijn handelen en vooral nalaten op ernstige wijze in diens toezichthoudende taak heeft gefrustreerd (gedragsregel 29) en niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet. Daarnaast heeft verweerder volgens de deken in strijd gehandeld met de bepalingen in de Verordening op de advocatuur (Voda) die zien op het voeren van een gedegen kantoororganisatie en met de kernwaarden deskundigheid en integriteit (artikel 10a Advocatenwet). Naar aanleiding van de klacht van de deken heeft de raad vastgesteld dat het - gelet op de ernst van de feiten en omdat verweerder geen enkel inzicht in zijn situatie en uitleg over zijn handelen en nalaten heeft gegeven - niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent. De raad heeft verweerder de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Het hof is het - voor zover deze bij het hof voorligt - eens met de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, het dekenbewaar en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-126/DB/OB/D) een beslissing gewezen op 15 april 2024. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:54 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 15 mei 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van de deken;
- de e-mail van de deken van 10 januari 2025 met bijlagen 1 tot en met 10.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
27 januari 2025. Daar is de deken verschenen. Verweerder is – hoewel behoorlijk opgeroepen
– zonder berichtgeving niet verschenen. De deken heeft zijn standpunt nader toegelicht.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerder is op 24 januari 2007 beëdigd en tot 30 september 2018 als advocaat ingeschreven geweest. Op 22 februari 2022 is verweerder in het arrondissement Oost-Brabant herbeëdigd.
3.3 Op 1 juli 2022 is verweerder het kantoor X Advocatuur gestart.
3.4 Op 23 augustus 2022 heeft verweerder een uitnodiging ontvangen voor het doen van de ONK. Omdat verweerder aan de uitnodiging geen gevolg heeft gegeven, heeft mr. L namens de deken op 13 september 2022 telefonisch contact opgenomen met verweerder, waarbij zij verweerder op de uitnodiging heeft gewezen. Bij e-mail van 27 september 2022 heeft verweerder verzocht om telefonisch overleg, waarna mr. L vergeefse pogingen heeft gedaan om verweerder telefonisch te bereiken en hem heeft verzocht om terug te bellen. Bij e-mail van 17 oktober 2022 heeft mr. L aan verweerder medegedeeld dat er zorgen waren over verweerders bereikbaarheid en hem verzocht om de polis van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering per omgaande en de ONK uiterlijk op 21 oktober 2022 aan te leveren. Bij e-mail van 27 oktober 2022 zijn deze verzoeken herhaald. Bij e-mail van 3 november 2022 heeft verweerder een e-mail van diezelfde datum van de verzekeraar met een dekkingsbevestiging aan de deken gestuurd. Bij e-mail van 4 november 2022 heeft mr. L de ontvangst van verweerders e-mail bevestigd en aan verweerder verzocht om alsnog de ONK compleet te maken.
3.5 Op 26 januari 2023 heeft verweerder het ONK-formulier ingevuld en een aantal daarbij behorende documenten aangeleverd. Omdat de ONK nog niet compleet was heeft mr. L vergeefs geprobeerd telefonisch contact met verweerder te krijgen. Op 10 maart 2023 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen mr. L en verweerder, waarbij is afgesproken dat verweerder de ONK alsnog compleet zou maken. Omdat mr. L vervolgens niets meer van verweerder heeft vernomen, heeft zij verweerder bij e-mail van 20 maart 2023 verzocht om de nog ontbrekende gegevens voor het einde van de week aan te leveren.
3.6 In april 2023 is de website van verweerders kantoor live gegaan. De ONK was nog niet compleet.
3.7 Op 30 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de deken en verweerder, waarbij is gesproken over de ONK en de opgave Centrale controle verordening (CCV) 2022 (waaronder het te behalen aantal PO-punten). Bij e-mail van 2 juni 2023 heeft mr. L de gemaakte afspraken bevestigd, waarbij puntsgewijs is aangegeven welke stukken verweerder nog moest aanleveren en welke acties hij nog moest ondernemen (onder meer aanpassing website en BAR-registratie en aantal te behalen PO-punten). In de e-mail is aan verweerder bevestigd dat hij een en ander binnen een termijn van twee weken in orde moest maken.
3.8 Verweerder is de gemaakte afspraken niet nagekomen. Mr. L heeft diverse malen vergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met verweerder en heeft terugbelverzoeken achtergelaten.
3.9 Bij e-mail van 27 juni 2023 heeft mr. L verweerder verzocht om de gemaakte afspraken alsnog binnen acht dagen na te komen en bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke maatregelen aangezegd. Verweerder heeft hieraan geen gehoor gegeven.
3.10 Verweerder heeft van de deken een uitnodiging ontvangen voor het doen van de CCV 2022 en het verzoek om inlichtingen 2023 (hierna: “Kantooropgave”). Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken van de deken voldaan. Op 5 en 25 september 2023 heeft de deken herinneringen aan verweerder gestuurd. Op 2 oktober 2023 heeft mr. L vergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met verweerder en een terugbelverzoek achtergelaten. Omdat een reactie van verweerder is uitgebleven, heeft de deken bij e-mail van 10 oktober 2023 aan verweerder kenbaar gemaakt dat hij voornemens was om een last onder dwangsom op te leggen.
3.11 Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een zienswijze naar voren te brengen over het voornemen een last onder dwangsom op te leggen. Op 26 oktober 2023 heeft mr. L vergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met verweerder en een terugbelverzoek achtergelaten. Bij brief van 2 november 2023 heeft de deken een last onder dwangsom aan verweerder opgelegd.
3.12 Op 15 november 2023 heeft een advocaat die kantoor houdt op het adres [adres] (naar het hof begrijpt: waar ook verweerder kantoor zou houden) het poststuk teruggegeven aan de deken met de mededeling dat verweerder onbereikbaar was. Bij brief van 15 november 2023 heeft de deken verweerder bericht dat diens onbereikbaarheid reden tot zorg was en dat de deken overwoog een verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet in te dienen. De deken heeft verweerder met klem verzocht om uiterlijk op 20 november 2023 contact op te nemen met het bureau van de Orde van Advocaten. Eveneens op 15 november 2023 is de last onder dwangsom verzonden aan het in BAR geregistreerde adres in [plaats], het huisadres van verweerder. Verweerder heeft niet gereageerd.
3.13 Bij e-mail van 24 november 2023 heeft mr. L verweerder nogmaals dringend verzocht om contact op te nemen. Ook heeft mr. L diverse keren vergeefs geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met verweerder. Verweerder heeft niet gereageerd.
3.14 Bij brief van 19 december 2023 heeft de deken verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 8 januari 2024. Mr. L en mr. V, adjunct-secretaris van het bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant, wilden deze brief persoonlijk aan verweerder overhandigen op zijn huisadres in [plaats], maar hebben hem daar niet aangetroffen, waarna zij de brief in de brievenbus hebben achtergelaten.
3.15 Verweerder is op 8 januari 2024 bij de deken verschenen. Tijdens het gesprek met de deken zijn afspraken gemaakt over het aanleveren van de ontbrekende stukken. Deze afspraken zijn bij e-mail van 8 januari 2024 aan verweerder bevestigd, waarbij aan verweerder een dekenbezwaar is aangezegd indien de gemaakte afspraken niet zouden worden nagekomen. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Bij e-mail van 24 januari 2024 is een rappel aan verweerder gestuurd. Ook hierop heeft verweerder niet gereageerd.
3.16 Verweerder is op grond van de beslissing van de raad van 11 maart 2024 op het verzoek van de deken ex artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang geschorst in de uitoefening van de praktijk als advocaat.
4 DEKENBEZWAAR
4.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij:
1. de ONK niet (volledig) heeft ingediend;
2. de CCV 2022 niet (volledig) heeft ingediend;
3. de Kengetallen en Kantooropgave 2023 ondanks oplegging van een last onder dwangsom
niet heeft aangeleverd;
4. onvoldoende bereikbaar is geweest;
5. geen opvolging heeft gegeven aan de herhaalde verzoeken van de deken om gegevens
aan te leveren en de op 30 mei 2023 en 8 januari 2024 met de deken gemaakte afspraken
niet is nagekomen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft – na uiteenzetting van de uitgangspunten – het volgende overwogen over het dekenbezwaar en de opgelegde maatregel.
Beoordeling dekenbezwaar
5.2 De raad heeft geoordeeld dat uit de door de deken overgelegde stukken blijkt dat verweerder ondanks herhaalde verzoeken en met de deken gemaakte afspraken nog altijd niet de voor de ONK benodigde stukken heeft aangeleverd, geen opgave van de kengetallen en geen kantooropgave heeft gedaan, geen certificaten van behaalde opleidingspunten aan de deken heeft verstrekt en geen opgave heeft gedaan van zijn actuele kantooradres. Dit is door verweerder ook niet weersproken. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder door zijn handelen en nalaten de deken op ernstige wijze in zijn toezichthoudende taak gefrustreerd (gedragsregel 29) en niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet. Daarnaast heeft verweerder in strijd gehandeld met de bepalingen in de Verordening op de advocatuur (Voda) die zien op het voeren van een gedegen kantoororganisatie en met de kernwaarden deskundigheid en integriteit (artikel 10a Advocatenwet), aldus de raad.
5.3 Ondank dat de deken bijzonder veel geduld met verweerder heeft gehad en dat de deken en de stafjurist zich bijzonder veel moeite hebben getroost om met verweerder in contact te komen en hem te bewegen tot nakoming van zijn verplichtingen, duurt het nalaten van verweerder nog altijd voort. De raad acht voorts van belang dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden kansen en zich meestentijds onbereikbaar heeft gehouden voor de deken en de stafjurist. Ook heeft verweerder niet gereageerd op het bij de raad aangebrachte dekenbezwaar en het verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet. Hij is – zonder bericht van afmelding – niet verschenen, ofschoon hij zowel via e-mail als via (aangetekende) post op de beide in BAR geregistreerde adressen oproepingen heeft ontvangen. De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad en dat zijn handelen in strijd is met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. De raad heeft het dekenbezwaar gegrond verklaard.
Maatregel
5.4 De raad heeft geoordeeld dat verweerder niet alleen de deken ernstig heeft belemmerd in de uitvoering van zijn taak als toezichthouder, maar bovendien met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad en gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Volgens de raad rechtvaardigen de aard en de ernst van deze feiten zonder meer een zeer zware maatregel. De raad heeft daarbij de ernst van de feiten meegewogen, alsmede het feit dat verweerder geen enkel inzicht in zijn situatie toont en/of uitleg over zijn handelen en nalaten heeft gegeven. De raad is van oordeel dat het niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent. Verweerder blijkt niet in staat om aan meerdere op hem rustende (administratieve) verplichtingen te voldoen, is onbereikbaar, onttrekt zich aan het toezicht van de deken en verschijnt niet bij de tuchtrechter, aldus de raad. De raad heeft op grond van alle feiten en omstandigheden geoordeeld dat de maatregel van schrapping van het tableau de enige passende maatregel voor verweerder is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat hij zich herkent in de
klachten van de deken. Hij erkent dat hij fouten heeft gemaakt bij de inrichting
van zijn kantoor na zijn herbeëdiging en dat hij fouten heeft gemaakt in de communicatie
met het bureau van de orde. Verweerder wenst zijn beroep alleen te richten tegen de
opgelegde maatregel van definitieve schrapping.
6.2 Verweerder verwijst ter onderbouwing naar zijn moeilijke privéomstandigheden.
De vriendin van verweerder was (terminaal) ziek en is begin 2023 overleden. Op dat
moment is de situatie verweerder privé en zakelijk boven het hoofd gegroeid en is
hij geïsoleerd komen te staan . Hij heeft te laat aan de bel getrokken. Aanvankelijk
zou hij zich aansluiten bij een samenwerkingsverband van drie advocaten in een nieuw
op te richten kantoor. Hij heeft zich toen al laten herbeëdigen, terwijl zijn privésituatie
nog hectisch was. De beoogde samenwerking is uiteindelijk niet doorgegaan en verweerder
moest zijn kantoor zelf oprichten en vorm geven in een periode waarin hij dat er eigenlijk
niet bij kon hebben. Verweerder heeft – naar zijn zeggen – aanvankelijk alleen ondersteunende
werkzaamheden voor de drie andere oprichters en hun klanten verricht. Hij voerde niet
zelfstandig een eigen praktijk met eigen klanten. Inmiddels heeft verweerder hulp
gezocht, beschikt hij over kantoorruimte, met de voorzieningen van dat kantoor en
het kantoorhandboek van dat kantoor.
6.3 Verweerder verzoekt het hof hem niet definitief te schrappen van het tableau. Volgens verweerder zijn klanten, kantoorgenoten en rechters in het verleden altijd te spreken geweest over de kwaliteit van zijn werk. In de betreffende periode hebben klanten geen last gehad van zijn interne strijd. Op dit moment heeft verweerder – naar zijn zeggen – meerdere betalende dossiers gereed liggen, die hij pas kan behandelen als hij weer als advocaat mag werken. Verweerder heeft ingezien dat er veel mensen om hem heen zijn die kunnen en willen helpen, ook met de rouwverwerking. Hij gaat nu juist wel gesprekken aan, aldus verweerder.
Verweer deken
6.4 De deken heeft hiertegenover aangevoerd dat er niets aantoonbaar is gewijzigd in de situatie van verweerder. Verweerder houdt zich volgens de deken nog altijd niet aan de regels voor advocaten (en ook niet aan de regels voor geschorste advocaten). Zijn nalaten duurt onverminderd voort, aldus de deken. Verweerder heeft nog steeds niet doorgegeven op welk adres hij kantoor houdt en neemt ook geen contact met het bureau van de orde om zijn situatie te bespreken. De kengetallen over 2022 zijn nog steeds niet aangeleverd. Verweerder voldoet daarnaast niet aan zijn verplichting om de CCV over 2023 in te vullen en komt zijn toezegging om bewijsstukken van PO-punten aan te leveren niet na. De naar aanleiding van de voor het jaar 2022 opgelegde last onder dwangsom verbeurde dwangsom is door verweerder niet betaald. Dit geldt eveneens voor de jaren 2023 en 2024. Volgens de deken duren de zorgen onverminderd voort. Verweerder zet zijn woorden niet om in daden. Er is nog altijd geen concreet plan in het kader van de ONK aangeboden aan het bureau en er zijn nog altijd zorgen over de financiële situatie van het kantoor van verweerder. Bovendien is het onduidelijk of verweerder aan zijn opleidingsverplichtingen heeft voldaan, aldus de deken. Op de zitting bij het hof heeft de deken nog aangevoerd dat het nog altijd heel moeilijk is om contact met verweerder te krijgen. Ondanks dat de deken niet uitsluit dat verweerder in de toekomst wel weer het beroep van advocaat zou kunnen uitoefenen (verweerder had in 2018 toen hij zich liet uitschrijven een onberispelijke staat van dienst), is de deken van mening dat verweerder op dit moment niet in staat is om het werk van een advocaat uit te oefenen en dat de raad de juiste beslissing heeft genomen.
7 BEOORDELING HOF
Omvang hoger beroep
7.1 Verweerder richt zijn hoger beroep uitsluitend tegen de door de raad opgelegde maatregel en de motivering daarvan. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het dekenbezwaar hier niet aan de orde is en het hof enkel nog oordeelt over een passende maatregel voor door de raad vastgestelde laakbare gedragingen.
Overwegingen hof met betrekking tot de maatregel
7.2 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die (grotendeels) louter een herhaling
van eerder door verweerder ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger
beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de ernst van het gegrond
verklaarde dekenbezwaar en de daarvoor opgelegde maatregel te komen dan de raad. Voorzover
verweerder in hoger beroep heeft aangevoerd dat hij inmiddels hulp heeft gezocht en
beschikt over kantoorruimte, heeft de deken terecht opgemerkt dat hiervan niets concreet
is gebleken. Het hof acht het in dit verband onbegrijpelijk dat verweerder niet ter
zitting is verschenen om zijn standpunt toe te lichten.
Alhoewel het hof er begrip voor kan opbrengen dat een moeilijke en zeer verdrietige
privésituatie ertoe kan leiden dat een advocaat enige tijd niet aan alle administratieve
vereisten voldoet, kan verweerder het voordeel van de twijfel niet meer worden gegund.
Daarvoor is het nalaten te ernstig, langdurig en veelvuldig, waarbij komt dat verweerder
zich vrijwel onbereikbaar houdt. Het hof deelt dan ook het oordeel van de raad dat
het op dit moment niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat nog
langer uitoefent. Het hof verwerpt het beroep van verweerder en zal de beslissing
van de raad, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
Proceskosten
7.3 Omdat het hof een maatregel bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond
van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure
bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
7.4 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 15 april 2024 van de Raad van Discipline in het
ressort
‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-126/DB/OB/D;
8.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. M.S.A. van
Dam, R. Verkijk, J.H. Brouwer en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van
mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 maart 2025.