ECLI:NL:TAHVD:2025:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240140D
ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2025:49 |
---|---|
Datum uitspraak: | 24-03-2025 |
Datum publicatie: | 31-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 240140D |
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Verweerster heeft gedurende een periode van circa vijf jaar in een zeer groot aantal (circa 2500) dossiers bij de indiening van gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken louter als doorgeefluik gefungeerd, zonder dat sprake is geweest van enige inhoudelijke betrokkenheid van verweerster bij de dossiers en zonder dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen. De raad heeft geoordeeld dat verweerster met haar handelen, dat gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden, haar taak als advocaat heeft miskend en het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad en heeft een voorwaardelijke schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd. Het hof acht zeer verwijtbaar dat geen sprake is van een eenmalige fout, maar dat het verweten handelen gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden. Het ziet aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen en acht een onvoorwaardelijk deel van de schorsing aangewezen. Verweerster is weliswaar uitgeschreven als advocaat maar gelet op haar leeftijd en haar mogelijke terugkeer in de advocatuur in de toekomst acht het hof die maatregel op zijn plaats. Het hof oordeelt dat een schorsing van 12 weken, waarvan 6 voorwaardelijk passend en geboden is. |
Beslissing van 24 maart 2025
in de zaak 240140D
naar aanleiding van het hoger beroep van:
de deken
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 De deken verwijt verweerster dat zij gedurende een periode van circa vijf jaar in een zeer groot aantal (circa 2500) dossiers bij de indiening van gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken louter als doorgeefluik heeft gefungeerd, zonder dat sprake is geweest van enige inhoudelijke betrokkenheid van verweerster bij de dossiers en zonder dat zij heeft voldaan aan de op haar als advocaat rustende verplichtingen. De raad heeft de deken in zijn dekenbezwaar gevolgd en geoordeeld dat verweerster niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet en dat zij bovendien niet deskundig en niet integer heeft gehandeld in de zin van artikel 10a Advocatenwet. Verweerster heeft met haar handelen, dat gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden, haar taak als advocaat miskend en het vertrouwen in de advocatuur geschaad. De raad heeft een voorwaardelijke schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd. De deken komt in hoger beroep alleen op tegen de hoogte van de maatregel. Het hof acht zeer verwijtbaar dat geen sprake is van een eenmalige fout, maar dat het verweten handelen gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden. Het ziet aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen en acht een onvoorwaardelijk deel van de schorsing aangewezen. Verweerster is weliswaar uitgeschreven als advocaat maar gelet op haar leeftijd en haar mogelijke terugkeer in de advocatuur in de toekomst acht het hof die maatregel op zijn plaats. Het hof oordeelt dat een schorsing van 12 weken, waarvan 6 voorwaardelijk passend en geboden is.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom de deken in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-024/DB/OB/D) een beslissing gewezen op 15 april 2024. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de uitvoering van de praktijk voor de duur van 12 weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:53 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van de deken tegen de beslissing is op 2 mei 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- een e-mail van verweerster van 27 januari 2025, waarin zij onder meer aangeeft
niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
27 januari 2025. Daar is de deken verschenen. De deken heeft zijn standpunt nader
toegelicht.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Van 2019 tot eind 2023 bestond verweersters advocatenpraktijk voor het grootste deel uit echtscheidingszaken op gemeenschappelijk verzoek, waarin het mediationtraject en de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant was verzorgd door mediators, niet-advocaten. Deze mediators leverden de door hen opgestelde convenanten (en, voor zover van toepassing, ouderschapsplannen) aan verweerster aan, waarna verweerster zorgdroeg voor de indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank.
3.3 Op 9 november 2023 heeft een kantoorbezoek plaatsgevonden. Bij dit kantoorbezoek waren mr. G (lid van de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant), mr. K (stafjurist bij het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant) en verweerster aanwezig.
3.4 Op 17 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de deken, mr. G, mr. K en mr. V (adjunct-secretaris van het Bureau van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Oost-Brabant) en verweerster. Tijdens dit gesprek is gesproken over hetgeen tijdens het kantoorbezoek is geconstateerd. De deken heeft aangekondigd een dekenbezwaar in te dienen.
3.5 Het verslag van het kantoorbezoek is in concept verzonden aan verweerster, die bij e-mail van 8 januari 2024 op het concept heeft gereageerd. Verweerster heeft over de inhoud van het verslag twee opmerkingen gemaakt: een opmerking over de wijze waarop zij de identiteit van de cliënten controleert en een opmerking over het door haar gehanteerde tarief. Naar aanleiding van deze opmerkingen is het verslag aangepast.
3.6 In het verslag van het kantoorbezoek is onder meer het volgende vastgelegd:
“VI. Opmerkingen dossiers
Tijdens het kantoorbezoek wordt aangegeven dat opvalt dat op de door [verweerster] overgelegde archieflijsten voor het overgrote deel mediation dossiers staan. In 2022 zijn ongeveer 700 - 750 mediation dossiers gearchiveerd (in 2021 ongeveer 500).
[Verweerster] geeft als verklaring dat zij voor mediators convenanten indient. Mr. [G] en mw. mr. K vragen [verweerster]naar haar werkwijze in deze dossiers.
[Verweerster] geeft aan dat de mediators het echtscheidingsconvenant (en eventueel ook ouderschapsplan) opstellen en dat mediators haar vervolgens benaderen met de vraag om het verzoek tot echtscheiding met bijbehorend convenant (en eventueel ouderschapsplan) in te dienen bij de rechtbank, aangezien alleen een advocaat het verzoekschrift bij de rechtbank kan indienen.
[Verweerster] geeft aan een heel netwerk van mediators, die haar hiervoor benaderen, te hebben opgebouwd. Wij constateren, op basis van de overgelegde archieflijsten 2021 en 2022, ook dat [verweerster] heel veel zaken van verschillende mediators in behandeling heeft genomen.
[Verweerster] geeft voorts aan prettig samen te werken met de mediators die de zaken bij haar neerleggen. Ook de betrokken partijen zouden volgens [Verweerster] tevreden zijn.
[Verweerster] verricht deze werkzaamheden tegen een vast tarief van € 180,- excl. BTW. De declaratie dient zij in bij de betreffende mediator. Ook ingeval beide partijen in aanmerking komen voor een toevoeging wordt een tarief van € 180,- exclusief btw en exclusief griffierechten in rekening gebracht.
[Verweerster] geeft aan met beide partijen afzonderlijk telefonisch contact op te nemen om de afspraken in het convenant door te nemen. Er vindt geen bespreking met partijen bij haar op kantoor dan wel via teams plaats. Ze spreekt partijen ook niet gezamenlijk. Duidelijk wordt dat [verweerster] de identiteit van de partijen in de dossiers niet op de juiste wijze controleert. Tijdens het telefoongesprek dat zij met partijen afzonderlijk heeft vraagt ze de cliënt wel altijd eerst de voorletters, achternaam en geboortedatum en geboorteplaats op te noemen en vraagt ze bij welke mediator cliënt is geweest. Voor het overige aangaande de identificatie van haar cliënten ging [verweerster] ervan uit dat de mediator dit op correcte wijze reeds had gedaan.
Op de vraag of er een contactmoment is met de partijen als de beschikking is gewezen en de akte van berusting moet worden getekend, geeft [verweerster] aan dat bij de aanlevering van de stukken door de mediator in tweevoud een door partijen reeds ondertekende akte van berusting wordt meegezonden en dat de afspraak met de mediator/partijen is dat [verweerster] zelf later de datum van de beschikking invult op de akte van berusting en deze indient, zonder partijen hier nog over te spreken.
Aangegeven wordt dat zij wel optreedt namens beide partijen, hetgeen een uitzonderingssituatie betreft die met bijzondere waarborgen omkleed moet worden. Wij vragen haar of zij de stukken controleert op juridische en feitelijke juistheid omdat ze daarin een eigen verantwoordelijkheid heeft. Daarnaast wijzen we haar op de zware zorgplicht, die de tuchtrechter in dergelijke zaken hanteert en of ze zich hiervan bewust is. Ze dient zich namelijk ervan te vergewissen dat partijen de juridische inhoud en juridische consequenties van de getroffen regeling begrijpen, zeker in het geval er sprake is van overbedeling/onderbedeling. Tevens mag zij niet afgaan op een door een derde (mediator) – die formeel buiten de aan haar verstrekte opdracht staat – uitgevoerde identiteitscontrole.
[Verweerster] geeft hierop aan dat zij ervan uit gaat dat wat door de mediator op papier is gezet, dat dat klopt. Ze checkt inhoudelijk en feitelijk de stukken niet en vraagt niet naar verdere onderliggende stukken. Ze maakt geen gespreksverslagen en stuurt ook geen bevestiging aan partijen van hetgeen ze telefonisch met hen bespreekt. Er is derhalve ook geen sprake van een schriftelijke vastlegging.
[Verweerster] geeft aan erg te zijn geschrokken en zich er niet van bewust te zijn dat zij iets doet wat mogelijk niet mag. Wij geven aan dat [verweerster] gehouden is de kernwaarden van de advocatuur na te leven en dat wij op basis van dit gesprek constateren dat zij dat niet doet. [Verweerster] is zichtbaar geschrokken en ontdaan en geeft aan haar werkwijze direct te gaan aanpassen.
Op eigen initiatief laat [verweerster] een nieuw te behandelen mediation dossier zien. Hierin is een opdrachtbevestiging opgenomen, op briefpapier van [verweerster], ondertekend door partijen en de mediator. Het vaste uurtarief is hierin opgenomen. Van de partijen zijn voorts enkel de BSN-nummers vermeld. [Verweerster] geeft aan dat het format van de opdrachtbevestiging bij de mediators ligt en dat de mediator ook voor ondertekening van de opdrachtbevestiging zorgdraagt. Aan de opdrachtbevestiging zit een “checklist benodigde stukken” gehecht waarop onder andere staat dat de akte van berusting op voorhand in tweevoud, door partijen ondertekend, dient te worden aangeleverd met daarbij de vermelding dat [verweerster] zelf na de beschikking de benodigde gegevens invult.
Opvallend is dat in dit dossier de woning tegen de WOZ-waarde wordt toegedeeld aan de man. De man verdient meer dan de vrouw en uit de meegezonden alimentatieberekening blijkt dat de man de vrouw een partneralimentatie kan betalen van omstreeks € 1.000,= per maand. In het convenant heeft de vrouw daarvan afstand gedaan met een niet-wijzigingsbeding. [Mr. G] houdt [verweerster] voor dat dit soort onevenwichtige regelingen juist reden zijn om partijen hierop te wijzen en te onderzoeken waarom zij deze afspraken willen maken en hen voor te lichten over de verstrekkende gevolgen daarvan.
We geven aan het geconstateerde te gaan bespreken met de deken.”
4 DEKENBEZWAAR
4.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat zij gedurende een periode van circa vijf jaar in een zeer groot aantal (circa 2500) dossiers bij de indiening van gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken louter als doorgeefluik heeft gefungeerd, zonder dat sprake is geweest van enige inhoudelijke betrokkenheid van verweerster bij de dossiers en zonder dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen. Aldus heeft verweerster gehandeld in strijd met artikel 10a Advocatenwet, de artikelen 7.1 en 7.5 Voda en de gedragsregels 1, 2, 12, 14 en 16.
5 BEOORDELING RAAD
Beoordeling dekenbezwaar
5.1 De raad heeft vooropgesteld dat een advocaat in het belang van een goede rechtsbedeling zorg draagt voor de rechtsbescherming van zijn cliënt en dat de advocaat zich daarbij laat leiden door de vijf kernwaarden die zijn vastgelegd in artikel 10a van de Advocatenwet: onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid. Een advocaat is verplicht zich bij de aanvaarding van de opdracht te vergewissen van de identiteit van de cliënt (artikel 7.1 Verordening op de advocatuur). Krachtens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat op een advocaat, die optreedt als enige advocaat van twee partijen om op hun gemeenschappelijk verzoek een echtscheidingsconvenant op te stellen en een echtscheiding tot stand te brengen, een zware zorgplicht rust, die onder meer met zich brengt dat hij beide partijen goed voorlicht en dat hij zich ervan vergewist dat beide partijen een te treffen regeling begrijpen. Indien een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken, dan dient de advocaat zich ervan te vergewissen dat deze partij begrijpt met minder genoegen te nemen en dat deze partij een dergelijke concessie welbewust aanvaardt (HvD 9 april 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:61, HvD 7 januari 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:44 en HvD 7 december 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:3).
5.2 Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt raakt volgens de raad de kernwaarde van de partijdigheid, die uitzondering lijdt in het geval een advocaat in een echtscheidingskwestie voor beide partijen optreedt. Juist omdat het optreden voor beide partijen een uitzonderingssituatie is, dient dat optreden met bijzondere waarborgen te worden omkleed. Een advocaat die een echtscheidingsverzoek indient draagt de volle verantwoordelijkheid voor de procedure en de informatievoorziening aan zijn cliënten, ook wanneer het verzoek slechts de bekrachtiging van een reeds met tussenkomst van een mediator gesloten echtscheidingsconvenant behelst. Dat houdt in dat een advocaat ook in dat geval rechtstreeks contact zal moeten hebben met zijn cliënten en zich ervan zal dienen te vergewissen dat zijn cliënten de inhoud van de stukken begrijpt en de gevolgen van de gemaakte afspraken overzien. Om zich ervan te kunnen vergewissen dat beide partijen de inhoud en de juridische consequenties van de tussen partijen overeengekomen regeling begrijpen, dient een advocaat het convenant met beide partijen te bespreken en hen te wijzen op de juridische gevolgen daarvan, aldus de raad.
5.3 De raad heeft geoordeeld verweerster in een zeer groot aantal zaken en gedurende een periode van meerdere jaren ernstig is tekortgeschoten in haar bijstand en de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit heeft geschonden. Zij heeft erkend dat de door haar tot voor kort gehanteerde werkwijze niet voldeed aan de uit de vaste jurisprudentie voortvloeiende eisen zoals hierboven uiteengezet en heeft daarnaast erkend dat zij de identiteit van haar cliënten niet op de juiste wijze heeft vastgesteld. Voor zover verweerster naar voren heeft gebracht dat cliënten, die vaak al een langdurige mediationtraject achter de rug hadden, tevreden waren met haar voortvarende aanpak, dat de cliënten belang hadden bij een spoedige afwikkeling en dat nog geen enkele cliënt over haar optreden heeft geklaagd, miskent verweerster het belang en de achtergrond van de bijzondere waarborgen waarmee het optreden als advocaat in een echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek is omkleed, alsook van de zware zorgplicht die in dergelijke zaken op de advocaat rust. Verweerster heeft ten opzichte van haar cliënten niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden en niet uitgesloten kan worden dat cliënten hierdoor in hun belangen zijn geschaad, aldus de raad.
5.4 De raad volgt niet het standpunt van verweerster, dat zij zich er niet van bewust was dat haar werkwijze onjuist was en dat haar werkwijze overeenkwam met de werkwijze die werd gehanteerd door advocatenkantoren waar zij in het verleden werkzaam is geweest. Volgens de raad ontbrak het verweerster, die zich profileert als echtscheidingsspecialist, kennelijk aan basale kennis van de eisen die worden gesteld aan de bijstand van een advocaat in het algemeen en aan een advocaat in een echtscheidingsprocedure na mediation door een niet-advocaat in het bijzonder. Die eisen worden reeds in de beroepsopleiding van de advocatuur bijgebracht en volgen bovendien uit bestendige rechtspraak waarmee verweerster naar het oordeel van de raad bekend had moeten en kunnen zijn. Dat verweerster daarmee niet bekend was, getuigt van een gebrek aan deskundigheid en komt voor haar risico, aldus de raad. De raad heeft geoordeeld dat verweerster met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad en dat haar handelen in strijd is met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. De raad heeft het dekenbezwaar daarom gegrond verklaard.
Maatregel
5.5 De raad heeft geoordeeld dat verweerster met haar handelen, dat gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden, haar taak als advocaat heeft miskend en het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De raad acht de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk passend bij de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten en is van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van deze maatregel in de voorwaardelijke vorm. De raad heeft daarbij meegewogen dat verweerster nog niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en dat verweerster kort na het kantoorbezoek van de deken maatregelen heeft genomen en wijzigingen in haar praktijkvoering heeft doorgevoerd om soortgelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in de toekomst niet meer te laten gebeuren. Alles afwegend heeft de raad geoordeeld dat de maatregel van een voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 12 weken passend en geboden is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden deken
6.1 De deken heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat het hoger beroep zich alleen richt tegen de opgelegde maatregel en dat hij zich voor het overige volledig kan vinden in de beslissing van de raad.
6.2 Met betrekking tot de opgelegde maatregel heeft de deken aangevoerd dat de opgelegde maatregel onvoldoende recht doet aan de gegrond verklaarde verwijten. Verweerster heeft in circa 2500 gemeenschappelijke echtscheidingsverzoeken haar zware zorgplicht geschonden. Zij had zich er van moeten vergewissen dat de door mediators opgestelde convenanten volledig waren, feitelijk en juridisch klopten, alsmede moeten nagaan of partijen de inhoud hadden begrepen en daarmee akkoord waren. Met name in situaties van onderbedeling had zij zich er van moeten vergewissen dat de onderliggen de partij had begrepen dat hij/zij met minder genoegen neemt dan waar hij/zij mogelijk recht op heeft en een dergelijke concessie welbewust aanvaardt. Ook had zij volledige voorlichting moeten geven en de identiteit van cliënten op juiste wijze moeten controleren, aldus de deken. Verweerster heeft echter stukken klakkeloos aangeboden aan de rechtbank. Haar dossiers bevatten geen of slechts een beperkte hoeveelheid stukken. Ook waren er geen gespreksaantekeningen aanwezig, omdat geen gesprekken werden gevoerd. De opdrachtbevestigingen werden aan de hand van blanco exemplaren waarover de mediators beschikten ondertekend buiten verweersters aanwezigheid. Daarnaast werden de aktes van berusting vooraf (bij de mediator) getekend en achteraf vulde verweerster alleen de datum van de beschikking in. Een bespreking van de inhoud van de beschikking bleef eveneens achterwege. Verweerster rekende slechts een gering bedrag (€ 180,-) voor haar werkzaamheden, hetgeen fors lager is dan wat de Raad voor de Rechtsbijstand (in geval een toevoeging is verleend) voor die dienst betaalt aan de mediator. Zo positioneerde verweerster zich voor mediators gunstig in de markt en creëerde zij een verdienmodel voor zichzelf, aldus de deken.
6.3 Volgens de deken is verweerster met dit gedrag de naïviteit ruimschoots voorbij. Verweerster miskent met haar verweer - dat zij zich er niet van bewust was dat het niet mocht en dat zij het zo geleerd heeft op andere kantoren - dat zij een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat zij een beroepsopleiding heeft gevolgd waarin aan dit soort aspecten aandacht wordt besteed. Het lijkt er op dat verweerster haar verdienmodel, waarmee zij behoorlijke omzetten genereerde zonder veel werk, koesterde en dat zij haar financieel belang boven het belang van haar cliënten heeft gesteld. Zij moet zich er van bewust zijn geweest dat haar werkwijze onacceptabel was. Desondanks heeft zij haar werkwijze pas na een kantoorbezoek aangepast, aldus de deken. Bovendien is de deken van oordeel dat het aanpassen van haar werkwijze het minste was wat verweerster kon doen en dat dit niet weg neemt dat zij gedurende vier jaar ernstig in de fout is gegaan. Dat verweerster niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld zou evenmin mogen meewegen, aldus de deken, omdat verweerster sinds 2015 advocaat is en dat zij daarmee het grootste deel van haar werkzame leven als advocaat de kernwaarden compleet heeft genegeerd. De deken heeft tot slot aangevoerd dat een voorwaardelijke schorsing niet past bij de ernst van de gedragingen en dat een schorsing voor een langere duur met in ieder geval een onvoorwaardelijk deel beter passend zou zijn.
6.4 De deken heeft daarbij nog opgemerkt dat het aanpakken van dit soort misstanden een speerpunt is van de landelijke dekens in 2024. Er zou volgens de deken een volstrekt verkeerd signaal van uitgaan als een advocaat slechts een voorwaardelijke schorsing opgelegd krijgt als hij gedurende een groot aantal jaren in vele honderden dossiers ernstig de fout in is gegaan. Op de zitting bij het hof heeft de deken nog aangevoerd dat het feit dat verweerster zich inmiddels per 31 december 2024 heeft uitgeschreven van het tableau het voorgaande niet anders maakt. Niet alleen heeft de onvoorwaardelijke schorsing een signaalfunctie richting alle advocaten, maar bovendien kan de onvoorwaardelijke schorsing ook een rol spelen als verweerster weer terug wil keren in de advocatuur.
Verweer verweerster
6.5 Verweerster heeft in haar brief van 27 januari 2025 aangekondigd niet op de zitting te zullen verschijnen en medegedeeld dat zij zich per 31 december 2024 heeft uitgeschreven van het tableau omdat zij aankomende zomer met haar gezin emigreert naar Spanje. Zij heeft daarnaast aangegeven dat zij persisteert bij hetgeen zij bij de raad heeft aangevoerd en dat zij het betreurt dat de deken ervoor heeft gekozen in hoger beroep te gaan. De boodschap was voor haar al duidelijk en zij had haar les al geleerd.
7 BEOORDELING HOF
Omvang hoger beroep
7.1 De deken richt zijn hoger beroep uitsluitend tegen de door de raad opgelegde
maategel en de motivering daarvan. Verweerster heeft geen hoger beroep ingesteld.
Dit betekent dat gegrondverklaring van het dekenbezwaar hier niet meer aan de orde
is en het hof enkel nog oordeelt over een passende maatregel voor de door de raad
vastgestelde laakbare gedragingen. Het hof zal zich in zijn beoordeling hiertoe beperken.
Overwegingen hof met betrekking tot de maatregel
7.2 Vast staat dat verweerster in een zeer groot aantal zaken en gedurende een periode van meerdere jaren ernstig is tekortgeschoten in haar bijstand en dat zij in strijd handelde met de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit. Verweerster heeft ten opzichte van haar cliënten niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden en niet uitgesloten kan worden dat cliënten hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Haar handelen is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerster heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
7.3 Het hof rekent het verweerster zwaar aan dat het verweten handelen gedurende meerdere jaren heeft voortgeduurd en in een groot aantal dossiers heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van een eenmalige fout. Het hof ziet tegen deze achtergrond aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen. Het hof acht een onvoorwaardelijk deel van de schorsing – gelet op de leeftijd van verweerster en een mogelijke terugkeer van verweerster in de advocatuur in de toekomst – op zijn plaats. Dat verweerster zich inmiddels heeft laten uitschrijven van het tableau maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof dient desondanks te worden benadrukt dat de door verweerster gehanteerde werkwijze niet toelaatbaar is. Het hof realiseert zich daarbij dat de wetgever in mediationzaken waarin 1 of 2 toevoegingen zijn verstrekt voorziet in een zogenoemde afhechtingstoeslag die – tegenover de zware zorgplicht die een advocaat in dit soort zaken heeft - minimaal is, maar dit is geen omstandigheid die relevant is voor de tuchtrechtelijke beoordeling van de door verweerster gehanteerde werkwijze.
7.4 Het hof acht een schorsing van 12 weken, waarvan 6 voorwaardelijk passend en geboden.
Proceskosten
7.5 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel
48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het
hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
7.6 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 15 april 2024 van de Raad van Discipline in het
ressort
‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-024/DB/OB/D, voor zover daarin de maatregel
van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 12 weken voorwaardelijk
is opgelegd;
en doet opnieuw recht:
8.2 legt aan verweerster de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar die ingaat per de datum van deze beslissing;
8.3 stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de proeftijd niet
opnieuw schuldig maakt aan een gedraging als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet;
8.4 bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de maatregel niet ten uitvoer
zal worden gelegd, tenzij de Raad van Discipline later anders mocht bepalen op de
grond dat verweerder de voorwaarde niet heeft nageleefd;
8.5 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven;
8.6 bekrachtigt de beslissing van 15 april 2024 van de Raad van Discipline in het
ressort
‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-024/DB/OB/D, voor het overige;
8.7 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. M.S.A. van
Dam, R. Verkijk, J.H. Brouwer en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van
mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 maart 2025.