ECLI:NL:TAHVD:2025:228 Hof van Discipline 's Gravenhage 240248

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2025:228
Datum uitspraak: 10-11-2025
Datum publicatie: 11-11-2025
Zaaknummer(s): 240248
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerder heeft opgetreden voor de wederpartij van klaagster in een kortgedingprocedure met als doel het door klaagster aan de cliënt van verweerder opgelegde toegangsverbod tot een moskee ongedaan te maken. Klaagster verwijt verweerder (onder meer) dat hij zich (in de processtukken) in deze procedure onnodig grievend jegens een van de bestuursleden van de vereniging heeft uitgelaten. Het hof oordeelt dat klaagster als vereniging kan worden ontvangen in haar klacht omdat de bestuursleden werden aangesproken in hun functie van bestuurder van de vereniging en de vereniging daarmee rechtstreeks in haar belang is getroffen. Het hof oordeelt vervolgens dat de door verweerder in de kortgedingdagvaarding gebruikte bewoordingen gelet op de inzet van het kortgeding – de opheffing van een toegangsverbod – geen redelijk doel dienden en als onnodig grievend dienen te worden gekwalificeerd. Het hof sluit zich aan bij de door de raad opgelegde maatregel van waarschuwing. Bekrachtiging raadbeslissing.


Beslissing van 10 november 2025
in de zaak 240248

naar aanleiding van het hoger beroep van:


verweerder


tegen:


klaagster

1 INLEIDING

1.1 Verweerder heeft opgetreden voor de wederpartij van klaagster in een kortgedingprocedure met als doel het door klaagster aan de cliënt van verweerder opgelegde toegangsverbod tot een moskee ongedaan te maken. Klaagster verwijt verweerder (onder meer) dat hij zich (in de processtukken) in deze procedure onnodig grievend jegens een van de bestuursleden van de vereniging heeft uitgelaten. De raad heeft geoordeeld dat verweerder de vice-penningmeester heeft gekwalificeerd als “analfabeet” en dat deze kwalificatie niets toevoegt aan de zaak als zodanig en dat dit als onnodig grievend kan zijn ervaren. Verweerder had de-escalerend moeten optreden en heeft zich niet gedragen als een behoorlijk advocaat betaamt. De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.2 Het hof oordeelt allereerst dat klaagster als vereniging kan worden ontvangen in haar klacht omdat de bestuursleden werden aangesproken in hun functie van bestuurder van de vereniging en de vereniging daarmee rechtstreeks in haar belang is getroffen. Het hof oordeelt vervolgens dat de door verweerder in de kortgedingdagvaarding gebruikte bewoordingen gelet op de inzet van het kortgeding – de opheffing van een toegangsverbod – geen redelijk doel dienden en als onnodig grievend dienen te worden gekwalificeerd. Het hof sluit zich aan bij de door de raad opgelegde maatregel en bekrachtigt het oordeel van de raad.

1.3 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-238/AL/MN) een beslissing gewezen op 12 augustus 2024. In deze beslissing is de klachtonderdeel b) van klaagster gegrond verklaard en zijn de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:189 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 2 september 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klaagster;
- een brief van 23 september 2024 van verweerder;
- een brief van 24 september 2024 van verweerder met productie 12;
- een nadere reactie van klaagster van 30 september 2024 met producties 1 t/m 5;
- een aanvullende toelichting van klaagster van 4 augustus 2025 met producties (onder meer
aanvullende producties 18 tot en met 30);
- een brief van 14 augustus 2025 van verweerder met producties 13 en 14.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 september 2025. Daar zijn verweerder, zijn gemachtigde en klaagster (vertegenwoordigd door een bestuurslid) verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 De Marokkaans-Islamitische vereniging E. M. (hierna ook aangeduid als: de vereniging en/of klaagster) is gevestigd in een moskee/verenigingsgebouw in L. Aan een lid van de vereniging is door het bestuur verboden het betreffende gebouw gedurende een periode van een jaar te betreden (het pandverbod). Dit betreffende lid is het niet eens met dit pandverbod en heeft zich daarom tot verweerder gewend.

3.3 Verweerder heeft op 22 juni 2023 namens zijn cliënt aan het bestuur van de vereniging per e-mail een brief doen toekomen. In die brief stelt verweerder dat zijn cliënt ten onrechte een pandverbod is opgelegd. Het bestuur wordt verzocht om binnen een werkdag schriftelijk te bevestigen dat het pandverbod wordt ingetrokken en dat de cliënt van verweerder weer normaal toegang krijgt tot het pand, en om binnen diezelfde termijn een actuele ledenlijst van de vereniging aan verweerder toe te zenden. Verder wordt in de brief gemeld dat zo het bestuur aan dit verzoek geen gevolg geeft, er rekening mee gehouden dient te worden dat de vereniging zonder nadere aankondiging in rechte zal worden betrokken. In dat geval is de cliënt van verweerder genoopt om een kortgeding tegen de vereniging aan te spannen. Als bijlage bij de brief is de kort geding dagvaarding meegezonden.

3.4 Op 23 juni 2023 is namens het bestuur van de vereniging via e-mail aan verweerder geantwoord dat zij de e-mail met ontvangen documenten hebben doorgestuurd naar haar advocaat, dat het bestuur de volgende week een afspraak met de advocaat heeft en dat daarna inhoudelijk zal worden gereageerd op de e-mail van verweerder.

3.5 Op 23 juni 2023 heeft verweerder bij de rechtbank Midden-Nederland een datum voor het kortgeding gevraagd.

3.6 Op 26 juni 2023 heeft de griffie van de rechtbank Midden-Nederland aan verweerder bericht dat een kortgeding is bepaald op 10 juli 2023 om 15.00 uur in Utrecht.

3.7 Op 28 juni 2023 heeft verweerder via e-mail aan het bestuur van de vereniging bericht dat hij tot nu toe nog niets van de advocaat van de vereniging heeft vernomen. Verder meldt verweerder dat de deurwaarder op 26 juni jl. de kortgedingdagvaarding heeft uitgebracht en in een gesloten envelop heeft achtergelaten. Als bijlage is een afschrift van de uitgebrachte dagvaarding met zes producties meegezonden.

3.8 Op 2 juli 2023 heeft de advocaat van de vereniging aan de voorzieningenrechter een e-mail gezonden waarin hij namens zijn cliënt bezwaar maakt tegen de gang van zaken.

3.9 Op 3 juli 2023 heeft verweerder een reactie daarop gezonden aan de voorzieningenrechter.

3.10 Op 6 juli 2023 heeft de advocaat van de vereniging een vordering in reconventie (contactverbod) ingesteld.

3.11 Op 7 juli 2023 heeft de vereniging bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend.

3.12 De mondelinge behandeling in kortgeding heeft plaatsgevonden op 10 juli 2023 ten overstaan van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De voorzieningenrechter heeft direct mondeling uitspraak gedaan, welke uitspaak is vastgelegd in het van de mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal. Kort gezegd heeft de voorzieningenrechter (in conventie) de vereniging veroordeeld om het pandverbod met onmiddellijke ingang op te heffen en opgeheven te houden en om de cliënt van verweerder ongehinderd toegang te geven tot het verenigingsgebouw (moskee) en om de cliënt van verweerder binnen twee weken inzage te geven in de ledenlijst. De vordering in reconventie is ook toegewezen.


4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

(…)

b) zich onnodig grievend te hebben uitgelaten jegens de wederpartij (de bestuursleden van de vereniging):

Ter onderbouwing daarvan verwijst klaagster naar de conceptdagvaarding, waarin termen stonden als ‘paladijnen van de voorzitter’ en ‘volledig naar zijn pijpen dansen’. Ook staat daar dat iemand in het bestuur niet zou kunnen lezen of schrijven, geen Nederlands zou kunnen spreken en geen enkele kwaliteit zou hebben om van enig nut te zijn in het bestuur of voor de vereniging. De vice-penningmeester is echter geen analfabeet. De leden hebben hem geïnstalleerd en hebben vertrouwen in hem. Door hem analfabeet te noemen is verweerder ook naar de leden toe minachtend. In het antwoord op de klacht ziet klaagster wederom verwijten en uitlatingen richting het bestuur.

(…)

5 OMVANG HOGER BEROEP

5.1 Het hoger beroep van verweerder richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b). Klachtonderdeel a), te weten het zich onvoldoende hebben ingespannen een minnelijke oplossing te realiseren, en de uitbreiding van de klacht (rechtstreeks benaderen klaagster) zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.

5.2 Voor zover klaagster in haar verweerschrift nieuwe verwijten tegen verweerder heeft geformuleerd, laat het hof deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen. Klaagster heeft ter zitting bij het hof toegelicht dat deze nieuwe klachten inmiddels in een andere procedure zijn voorgelegd aan de raad.


6 BEOORDELING RAAD

6.1 De raad heeft – na uiteenzetting van het toetsingskader – het volgende overwogen over klachtonderdeel b).

klachtonderdeel b): grievende uitlatingen

6.2 De raad heeft uiteengezet dat de klacht ziet op de bewoordingen die verweerder in diverse stukken heeft gebruikt en meer specifiek dat de vice-penningsmeester is omschreven als analfabeet. De raad heeft geoordeeld dat verweerder zich niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt en dat hij daarmee klachtwaardig heeft gehandeld.

6.3 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder - los van het antwoord op de vraag of iemand die de een andere taal slecht beheerst een analfabeet is - niet duidelijk kunnen maken wat de toegevoegde waarde in de betreffende zaak is van het kwalificeren van de vice-penningmeester als analfabeet. Uit de bewoordingen in de stukken leest de raad dat deze kwalificatie door verweerder is gegeven en niet dat hij, zoals hij ter zitting betoogde, de mening van zijn cliënt weergaf. Zo heeft ook klaagster die stukken niet gelezen, aldus de raad. In de stukken staan geen bewoordingen als ‘mijn cliënt is van mening dat….’ of bewoordingen van gelijke strekking. De kwalificatie analfabeet en hetgeen daarbij verder is vermeld is naar het oordeel van de raad volstrekt onnodig, nu dit niets toevoegt aan de zaak als zodanig. De raad heeft tot slot overwogen dat hij zich goed kan voorstellen dat de gekozen bewoordingen als grievend zijn ervaren en dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij de-escalerend optreedt en algemene fatsoensnormen in acht neemt. De raad heeft geoordeeld dat klachtonderdeel b) gegrond is.

Maatregel

6.4 Met betrekking tot de op te leggen maatregel heeft de raad mede in overweging genomen of aan verweerder al eerder een maatregel is opgelegd en of het klachtwaardig handelen een kernwaarde betreft. Hoewel het eerste niet het geval is, is de raad niettemin van oordeel dat aan verweerder de maatregel van waarschuwing moet worden opgelegd, nu zijn handelen ten aanzien van het gegrond verklaarde klachtonderdeel een behoorlijk advocaat niet betaamt.

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

7.1 Verweerder heeft in zijn beroepschrift zijn standpunt gehandhaafd dat hij zich niet onnodig grievend over de vice-penningmeester van de vereniging heeft uitgelaten en dat zijn uitlating een redelijk doel had. Volgens verweerder heeft hij in de kortgedingdagvaarding van 26 juni 2023 gepoogd uit te leggen dat de vereniging op ondemocratische wijze functioneert door toedoen van het bestuur. Niet alleen voerde de voorzitter volgens verweerder feitelijk alle bestuursfuncties uit, maar daarnaast waren de overige bestuursleden aan te merken als “paladijnen” van de voorzitter. Om deze stelling toe te lichten heeft hij een aantal voorbeelden genoemd. Eén van die voorbeelden was dat er een bestuurslid was benoemd (op 12 februari 2023) dat niet kon lezen en schrijven en ook geen Nederlands spreekt. Verweerder heeft daarbij nooit de term analfabeet gebruikt. Volgens verweerder gaat het hierbij om de omschrijving van een feit en niet om een mening. De stelling dat de vice-penningmeester niet kan lezen en schrijven en ook geen Nederlands kan spreken, behoort tot het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem heeft verschaft. Zijn cliënt heeft dit ook onderbouwd (er zijn verklaringen van verschillende leden van de vereniging). Verweerder had naar zijn zeggen geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van zijn cliënt en vond dat deze feiten nodig waren om te benoemen. Het was namelijk voor de leden niet mogelijk om met de vice-penningmeester te communiceren. Als verenigingsleden een e-mail stuurden over de financiën, kregen zij antwoord van de voorzitter en niet van de vice-penningmeester. Ook is hen verteld dat de vice-penningmeester mondeling moest worden aangesproken, waaruit volgt dat hij het lezen en schrijven niet machtig is. Dit is een feitelijke constatering zonder grievende betekenis of bijbedoeling en onderbouwt dat het bestuur feitelijk werd gevoerd door de voorzitter en aldus niet democratisch functioneerde. Omdat deze uitlating het belang van zijn cliënt diende, was de uitlating niet onnodig, aldus verweerder. Van een vice-penningmeester moet kunnen worden verwacht dat hij kan lezen en schrijven om de financiën van de vereniging op transparantie, onafhankelijke en verantwoordelijke wijze te beheren. Daarnaast is volgens verweerder de eis dat een bestuurslid (van een vereniging naar Nederlands recht) de Nederlandse taal in woord en geschrift beheerst niet onredelijk.

Verweer klaagster

7.2 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8 BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid klacht

8.1 Verweerder heeft ter zitting bij het hof aangevoerd dat de grievende opmerking was gericht tot de vice-penningmeester, zodat klaagster als vereniging niet rechtstreeks in haar eigen belang is geschaad. Volgens verweerder is klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht.

8.2 De tuchtrechter dient ambtshalve te toetsen of de klacht ontvankelijk is. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen. Het persoonlijke karakter van het tuchtrecht brengt mee dat alleen diegene die onheus is bejegend over die bejegening kan klagen (HvD 2 maart 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:66).

8.3 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder met juistheid aangevoerd dat de gestelde grievende uitlating was gericht op de vice-penningmeester van de vereniging en dat hij als degene die onheus is bejegend over die bejegening kan klagen. Het hof is echter van oordeel dat in dit geval ook de verenging door de gestelde grievende uitlatingen in haar eigen belang is getroffen. Een vereniging kan immers slechts handelen door middel van haar bestuur. In het onderhavige geval heeft verweerder met de desbetreffende uitlating in de kortgedingdagvaarding van 26 juni 2023 willen aantonen dat dit bestuur (en meer specifiek haar vice-penningmeester) niet naar behoren functioneerde. Daarmee raakt de uitlating (het bestuur van) de vereniging direct en is de vereniging als zodanig (eveneens) belanghebbende. Klaagster is ontvankelijk in haar klacht.

Maatstaf

8.4 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.5 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

- klachtonderdeel b): grievende uitlatingen

8.6 Verweerder heeft in zijn kortgedingdagvaarding van 26 juni 2023 allereerst uiteengezet dat zijn cliënt door het bestuur van klaagster een pandverbod van 12 maanden opgelegd had gekregen, nadat hij op 17 juni 2023 een oproep voor een Algemene Ledenvergadering in het verenigingsgebouw (de moskee) had opgeplakt. Vervolgens heeft hij uiteengezet waarom deze Algemene Ledenvergadering noodzakelijk was. Volgens verweerder werd de vereniging al sedert jaren autocratisch, ondemocratisch en autoritair bestuurd door de voorzitter. In dit kader zijn de volgende bewoordingen gebruikt: “Sedert (…) wordt hij daarbij bijgestaan door zijn broer (….) (secretaris), (….) (vice-penningmeester) en (… ) (penningmeester), die allen zijn aan te merken als paladijnen van de voorzitter en volledig “naar zijn pijpen dansen”. Vervolgens heeft verweerder ter onderbouwing enige voorbeelden genoemd, waarbij hij – voor zover hier relevant – de volgende bewoordingen heeft gebruikt: “Het bestuur zegt wel naar uitbreiding te zoeken maar het bestuur accepteert geen voordrachten van de leden of benadert op zeer selectieve wijze mogelijke kandidaten. Zo zit er bijvoorbeeld sedert 12 februari 2023 iemand in het bestuur die niet kan lezen en schrijven en ook geen Nederlands spreekt en die overigens ook geen enkele kwaliteit heeft om van enig nut te zijn in het bestuur of voor de vereniging”.

8.7 Het hof stelt voorop dat het doel van de gevoerde kortgedingprocedure was de opheffing van het opgelegde verbod tot toegang van de moskee van de vereniging en om de cliënt van verweerder weer ongehinderd toegang te laten krijgen tot het verenigingsgebouw. Tegen de achtergrond van het doel van deze procedure, is het hof van oordeel dat de door verweerder gebruikte bewoordingen “paladijnen van de voorzitter en volledig ‘naar zijn pijpen dansen’ ” en “Zo zit er (…) iemand in het bestuur die niet kan lezen en schrijven en ook geen Nederlands spreekt en die overigens ook geen enkele kwaliteit heeft om van enig nut te zijn in het bestuur of voor de vereniging”, redelijkerwijs niets toevoegen om dit doel te bereiken en als onnodig grievend en niet functioneel moeten worden aangemerkt. De woordkeuze van verweerder, die anders dan de raad kennelijk heeft aangenomen, de term analfabeet niet heeft gebruikt in de dagvaarding, is in dit geval onnodig en schond op toelaatbare wijze de belangen van de vereniging. Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder de-escalerend had moeten optreden en dat de door hem gekozen bewoordingen hieraan niet bijdragen.

Slotsom

8.8 Het hof komt op grond van het voorgaande, evenals de raad, tot het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klachtonderdeel b) is gegrond.

9 MAATREGEL

9.1 Met betrekking tot de maatregel acht het hof evenals de raad de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Verweerder heeft een betamelijkheidsnorm overschreden waarbij een zakelijke terechtwijzing op zijn plaats is.

10 PROCESKOSTEN

10.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:

a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.

10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

10.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


11 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1 bekrachtigt de beslissing van 12 augustus 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-238/AL/MN, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

11.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

11.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2025.

griffier voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 november 2025.