ECLI:NL:TADRSHE:2025:55 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-127/DB/LI
ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2025:55 |
---|---|
Datum uitspraak: | 04-04-2025 |
Datum publicatie: | 04-04-2025 |
Zaaknummer(s): | 25-127/DB/LI |
Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klager heeft zich op 19 juni 2024, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 19 juni 2024 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts gesteld noch gebleken. De klacht is niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 4 april 2025
in de zaak 25-127/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 21 februari 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8. Voordat de deken het klachtdossier op 21 februari 2025 aan de raad heeft doorgezonden, heeft klager op 4 februari 2025 een e-mail gestuurd aan de deken, met de griffie van de raad in de cc. Omdat van klager geen dossier bekend was, heeft de raad dit e-mailbericht niet in behandeling genomen. Nadat de raad het klachtdossier van de deken had ontvangen, heeft de griffie van de raad klager bij e-mail van 21 februari 2025 gevraagd of klager met de toezending van het e-mailbericht van 4 februari 2025 gebruik wenste te maken van de eenmalige mogelijkheid om stukken in te dienen als bedoeld in artikel 2.4.1 van Landelijk Procesreglement voor klachten bij de raden van discipline, in welk geval het e-mailbericht zou worden toegevoegd aan het dossier en zou worden doorgestuurd aan verweerster. Omdat klager niet op het e-mailbericht van de griffie van 21 februari 2025 heeft gereageerd, is het e-mailbericht van klager aan de deken van 4 februari 2025 niet toegevoegd aan het dossier.
1. FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn echtgenote hebben zich begin 2018 voor rechtsbijstand gewend tot verweersters kantoor. Verweerster heeft klager en zijn echtgenote vervolgens bijgestaan in een geschil met CW. Verweersters kantoorgenoot mr. H heeft klagers vader bijgestaan in een (andere) gerechtelijke procedure tegen CW.
1.2 CW heeft klager en zijn echtgenote op 9 april 2018 gedagvaard. Op 27 juni 218 heeft verweerster namens klager en zijn echtgenote een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ingediend. Bij vonnis in incident van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant zich relatief onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank Limburg. In de procedure bij de rechtbank Limburg heeft verweerster op 24 oktober 2018 een conclusie van antwoord ingediend. Op 7 november 2018 heeft de advocaat van CW een akte vermeerdering van eis ingediend, waarop verweerster bij antwoordakte na vermeerdering van eis van 2 januari 2019 heeft gereageerd. Verweerster heeft klager vervolgens bijgestaan tijdens de comparitie na antwoord op 1 maart 2019. Tijdens deze comparitie is een minnelijke regeling tot stand gekomen, inhoudende dat klager en zijn echtgenote aan CW een bedrag van € 130.000,00 dienden te betalen.
1.3 Op 6 maart 2019 heeft verweerster een brief gestuurd aan klager.
1.4 Klager heeft zich op enig moment voor rechtsbijstand gewend tot mr. D, advocaat. Op 18 oktober 2022 heeft mr. D kennis genomen van een in de procedure tussen CW en klagers vader gewezen vonnis van 21 september 2022.
1.5 Mr. D heeft verweerster namens klager aansprakelijk gesteld voor de met een door verweerster gemaakte beroepsfout samenhangende schade. Deze aansprakelijkstelling d.d. 27 februari 2024 is op 28 februari 2024 per deurwaardersexploit aan verweerster betekend. Bij e-mail van 6 maart 2024 heeft verweerster op de aansprakelijkstelling gereageerd.
1.6 Op 19 juni 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2. KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft klagers belangen niet naar behoren behartigd doordat zij geen overeenkomst van opdracht heeft opgesteld, onvoldoende en ontoereikend verweer heeft gevoerd, subsidiair geen verweer heeft gevoerd betreffende de wanprestatie van de wederpartij en heeft nagelaten om klager te informeren over de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep.
3. VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4. BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op vermeend handelen of nalaten van verweerster tussen maart 2018 en maart 2019, zijnde de periode waarin verweerster aan klager rechtsbijstand heeft verleend.
4.2 De voorzitter overweegt dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het klaagschrift wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennis genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het nalaten of handelen van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.
4.3 Klager heeft zich op 19 juni 2024, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 19 juni 2024 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts gesteld noch gebleken. Ten overvloede overweegt de voorzitter dat het feit dat mr. D op 18 oktober 2022 kennis heeft genomen van een in de procedure tussen CW en klagers vader gewezen vonnis van 21 september 2022 niet maakt dat sprake is van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie. Als al zou komen vast te staan dat de gevolgen van het verweten handelen of nalaten pas op 18 oktober 2022 (of kort daarna) bij klager bekend zijn geworden, dan zou de termijn waarbinnen klager een klacht kon indienen op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet een jaar na 18 oktober 2022 (of kort daarna) zijn verlopen. Ook in dat geval zou klager, door zich op 19 juni 2024 met een klacht tot de deken te wenden, te laat hebben geklaagd.
4.4 De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 4 april 2025