ECLI:NL:TADRSHE:2025:54 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-113/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2025:54
Datum uitspraak: 01-04-2025
Datum publicatie: 01-04-2025
Zaaknummer(s): 25-113/DB/LI
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. De voorzitter verklaart de klacht, voor zover deze ziet op het verwijt dat verweerster niet coöperatief is geweest, hetgeen heeft geleid tot een door haar opgestarte procedure bij de rechtbank Limburg, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzitter verklaart de klacht voor het overige ontvankelijk en, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond omdat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden.

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 1 april 2025

in de zaak 25-113/DB/LI


naar aanleiding van de klacht van:


klager


over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline, hierna: “de voorzitter”, heeft kennisgenomen van de brief van 14 februari 2025 met kenmerk K24-093 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.


1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager is gehuwd geweest met mevrouw A, hierna: “de vrouw”. Uit het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. In 2020 is de echtscheiding uitgesproken. In verband met de echtscheiding hebben diverse gerechtelijke procedures plaatsgevonden. De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van klager en de vrouw beëindigd en bepaald dat het gezag over de kinderen alleen aan de moeder toekomt.

1.2 Bij beschikking van 14 oktober 2022 heeft de rechtbank de bij beschikking van 23 december 2020 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen gewijzigd.

1.3 Op 7 februari 2024 heeft verweerster namens de vrouw een aangetekende brief aan klager gestuurd, waarin zij onder meer het volgende aan klager heeft medegedeeld:

“Het contact met uw beider kinderen heeft u niet kunnen herstellen, sterker nog u bent inmiddels bij beschikking d.d. 9 september 2022 van de rechtbank Oost-Brabant uit het gezag ontheven en de rechtbank heeft bepaald dat het gezag voortaan alleen toekomen aan mijn cliënte. Verder is de situatie qua omgang niet gewijzigd nu vaststaat (gezien uw persoonlijkheidsontwikkeling) dat het voor u lastig is aan te sluiten bij de behoeften van beide kinderen. U kunt daardoor geen veilig klimaat bieden waarin de beide kinderen op een fijne en onbelaste manier omgang met u zouden kunnen hebben. Dat is jammer, maar een gegeven. Gezien het vorenstaande dient de zorgkorting dan ook aangepast te worden en op nihil gesteld te worden. (…) Gezien deze wijziging van omstandigheden dienen de bijdragen van beide kinderen te worden aangepast ingaande 5 februari 2024. Om te kunnen nagaan wat ieders aandeel in de behoefte is, heb ik uw inkomensgegevens nodig. Deze zijn: uw aangifte en aanslag Inkomstenbelasting 2023, jaaropgave 2023 en de meest recente salarisspecificaties van 2024. Ik verzoek u dan ook deze beschikbaar te stellen uiterlijk vóór dan wel op vrijdag 16 februari a.s. (….)
Er is nog een ander aspect dat ik aan u voorleg. U bent per 8 september 2022 ontheven van uw gezag over beide kinderen. Dat betekent dat u rekening en verantwoording dient af te leggen aan mijn cliënte van het vermogen/financiën van uw beider kinderen. (….) U heeft de andere helft aan spaargelden beheerd. U dient daarover thans rekening en verantwoording af te leggen. Tevens dient er een naamswijziging te worden doorgevoerd naar de naam en van cliënte op de bankrekeningen waarop het geld voor beide kinderen zich bevindt, zodat cliënte verder het spaargeld van de kinderen kan beheren. Ik zie dan ook graag voornoemd formulier ingevuld retour onder overlegging van de juiste financiële bescheiden zoals een afschrift van de bankrekening alwaar de spaargelden van de kinderen zich bevinden. Mocht er van u geen rekening en verantwoording worden ontvangen op voornoemde datum, dan zal ik genoodzaakt zijn een procedure aanhangig te maken waarin ik allereerst medewerking vorder van u aan de wijziging tenaamstelling van de beide bankrekeningen van de kinderen naar de tenaamstelling van cliënte dan wel de spaarbedragen vorder terug te betalen aan cliënte. Ik hoop dat zulks niet nodig zal zijn.”


1.4 Bij e-mail van 9 februari 2024 heeft klager aan verweerster medegedeeld dat zijn advocaat op verweersters brief zou reageren.

1.5 Op 17 februari 2024 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken. Klager verweet verweerster dat zij de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid had overschreden, doordat zij in haar brief van 7 februari 2024 bewust gebruik had gemaakt van onjuiste informatie en zich onnodig grievend had uitgelaten over klager. Verder verweet klager verweerster, dat zij had geweigerd met klager te communiceren en direct had gedreigd met procedures, waardoor een minnelijke regeling niet meer mogelijk was. Bij beslissing van 27 september 2024 (kenmerk 24-620/DB/LI) heeft de voorzitter van de raad de klachten met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld, dat ter mondelinge behandeling van de raad van 10 februari 2025 is behandeld. Bij beslissing van 24 maart 2025 (kenmerk 24-620/DB/LI) heeft de raad het verzet ongegrond verklaard.

1.6 Bij e-mail van 22 februari 2024 heeft verweerster aan klager medegedeeld:
“Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 9 februari jl. (en uw herinnering van 14 februari jl. welke tijdens mijn afwezigheid is binnengekomen op kantoor) het volgende:
Ik heb helaas niets van uw advocate vernomen n.a.v. mijn schrijven aan u. De termijn hierin is inmiddels verstreken met als gevolg dat ik een procedure zal instellen (…).”

1.7 Op 4 april 2024 heeft verweerster namens de vrouw een verzoek tot wijziging kinderalimentatie tevens verzoek ex artikel 1:253I BW jo. 1:253a BW ingediend bij de rechtbank Limburg. Aan dit verzoekschrift waren onder meer als productie gehecht een berekening van het inkomen van de man in 2022, loonspecificaties van de vrouw, draagkrachtberekeningen en een afschrift van de GBA-inschrijving van de minderjarige dochter van partijen. In het verzoekschrift heeft verweerster onder meer namens de vrouw gesteld:

“De man is op 7 februari 2024 aangeschreven en verzocht zijn inkomensgegevens te overleggen. De man werpt allerlei bezwaren op en werkt daarin helaas niet mee. (…) De man heeft zijn recente financiële gegevens niet overgelegd (….) De man is kenbaar gemaakt dat als er geen recente inkomstengegevens van hem worden overgelegd dat zijn huidige inkomen over 2024 geschat dient te worden gezien de jaarlijkse toename van zijn inkomen en de functie die de man heeft. (…)”

1.8 Klager heeft een advocaat, mr. O, in de arm genomen. Op 15 mei 2024 heeft mr. O telefonisch contact opgenomen met verweerster. Verweerster en mr. O hebben gesproken over een mogelijke minnelijke regeling. In de periode mei en juni 2024 hebben verweerster en mr. O met elkaar gecorrespondeerd en financiële gegevens uitgewisseld. Aan verweersters verzoeken om de IB aangifte of aanslag 2023 van klager te verstrekken werd (aanvankelijk) niet voldaan.


1.9 Bij e-mail van 19 juni 2024 heeft mr. O verweerster verzocht om overleg. Bij e-mail van 19 juni 2024 heeft verweerster mr. O bericht dat zij op 24 juni 2024 beschikbaar zou zijn voor overleg. Op 24 juni 2024 heeft mr. O verweerster vergeefs gebeld en haar vervolgens bij e-mail van diezelfde dag verzocht om overleg, bij gebreke waarvan zij een verweerschrift zou moeten indienen. Daarop heeft verweerster aan mr. O aangegeven in te stemmen met een uitstel voor het indienen van het verweerschrift. Op 25 juni 2024 hebben verweerster en mr. O gecorrespondeerd over een door mr. O opgestelde draagkrachtberekening en de daarin aan te brengen aanpassingen. Op 25 juni 2024 heeft mr. O de aangifte IB 2023 van klager aan verweerster verstrekt. Het is niet gelukt om overeenstemming te bereiken over een regeling.

1.10 Op 23 augustus 2024 heeft klager opnieuw tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.


2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid overschreden en bewust gebruik gemaakt van onjuiste informatie.

2.2 Toelichting:
Verweerster is bekend met het plegen van fraude door haar cliënte ten aanzien van de berekening van de kinderalimentatie. Verweerster heeft een medeplegende rol bij de totstandkoming van de onjuiste draagkracht van haar cliënte bij de rechtbank Limburg. Verweerster is niet coöperatief geweest en deze houding heeft geleid tot een door haar opgestarte procedure bij de rechtbank Limburg. Verweerster is hierbij meerdere keren niet beschikbaar geweest en heeft geweigerd contact te onderhouden met de advocaat van klager. Verweerster heeft bewust onjuiste informatie (loonstroken) aangeleverd en gehanteerd. Verweerster is niet volledig geweest met het verstrekken van informatie aan klager, terwijl deze informatie wel bij de rechtbank naar voren is gebracht. Verweerster draagt kennis van adresfraude, heeft ondanks herhaalde verzoeken niet de inkomstenbelastinggegevens van 2023 van haar cliënte verstrekt en heeft een print screen als bewijs ingediend terwijl dit geen officieel bericht betreft.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Ontvankelijkheid

In artikel 47b lid 1 Advocatenwet is bepaald dat niemand ingevolge de bepalingen in deze paragraaf andermaal tuchtrechtelijk kan worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Vast staat dat klager zich er in de vorige klachtprocedure (kenmerk 24-620/DB/LI) reeds over heeft beklaagd dat verweerster had geweigerd met klager te communiceren en direct had gedreigd met procedures, waardoor een minnelijke regeling niet meer mogelijk was. Bij beslissing van 27 september 2024 (kenmerk 24-620/DB/LI) heeft de voorzitter van de raad van discipline deze klacht met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaard en bij beslissing van 24 maart 2025 (kenmerk 24-620/DB/LI) heeft de raad het verzet van klager ongegrond verklaard. In de onderhavige klachtprocedure beklaagt klager zich er opnieuw over dat verweerster niet coöperatief is geweest, hetgeen, aldus klager, heeft geleid tot een door haar opgestarte procedure bij de rechtbank Limburg. De voorzitter stelt dan ook vast dat de onderhavige klacht, voor zover deze ziet op het verwijt dat verweerster niet coöperatief is geweest, met een gerechtelijke procedure tot gevolg, reeds is beoordeeld in de tuchtprocedure die heeft geleid tot de genoemde beslissing van de raad van 24 maart 2025 (kenmerk 24-620/DB/LI). Over dit verweten handelen is dus al onherroepelijk beslist. Gelet op het bepaald in artikel 47b lid 1 Advocatenwet is de klacht in zoverre niet-ontvankelijk. Voor het overige kan klager wel in de klacht worden ontvangen.

4.2 Beoordeling

De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. De voorzitter overweegt dat de advocaat van de wederpartij een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

4.3 De voorzitter overweegt voorts dat de advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden en dat van hem een bepaalde mate van terughoudendheid mag worden verwacht, juist omdat ook andere belangen dan de belangen van partijen in de procedures een grote rol kunnen spelen, met name de belangen van de kinderen. In dat verband mag van een advocaat een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, alsmede in het entameren van procedures. Dit is bij uitstek het geval als de strijdende partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over een minderjarig kind zijn belast. Eerder dan in andere geschillen is het in dergelijke geschillen denkbaar dat een advocaat (nog) niet mag overgaan tot het entameren van een procedure voor zijn cliënt. Daarbij zal van geval tot geval moeten worden afgewogen het belang dat de cliënt van de advocaat heeft bij het voeren van een procedure, het belang van de wederpartij en dat van de betrokken minderjarige(n) bij het voorkomen daarvan, het verloop van het geschil tot dan toe en de kans op succes van een procedure.

4.4 De voorzitter overweegt als volgt. De ernstige verwijten aan het adres van verweerster, dat zij bekend is met het plegen van fraude door haar cliënte ten aanzien van de berekening van de kinderalimentatie en dat zij kennis draagt van adresfraude, zijn naar het oordeel van de voorzitter door klager volstrekt onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. De voorzitter heeft voor de juistheid van deze ernstige verwijten, die uitdrukkelijk door verweerster zijn weersproken, geen aanknopingspunten gevonden in de overgelegde stukken. De feitelijke grondslag van deze klachtonderdelen ontbreekt dan ook.

4.5 Verweerster heeft de verwijten dat zij onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en een medeplegende rol heeft gehad bij de totstandkoming van de onjuiste draagkracht van haar cliënte uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij de meest recente stukken heeft overgelegd en dat zij (nog) niet alle stukken tot haar beschikking had. Verweerster heeft verder naar voren gebracht dat klager ondanks herhaalde verzoeken niet heeft meegewerkt aan het verstrekken van de benodigde stukken en informatie heeft achtergehouden. Ook heeft verweerster naar voren gebracht dat zij klager erop heeft gewezen dat, als hij geen inkomensgegevens zou overleggen, er gerekend zou moeten worden met een fictief inkomen en het aan klager zou zijn om middels overlegging van de benodigde gegevens aan de rechter aan te tonen dat zijn inkomen lager was dan het geschatte fictief inkomen.

4.6 De voorzitter volgt verweerster in haar verweer. Het was de taak van verweerster om de belangen van haar cliënte te behartigen en in dat verband in de procedure die standpunten naar voren te brengen en die stukken in het geding te brengen waarmee naar haar oordeel de belangen van haar cliënte het beste werden gediend. Dat verweerster daarbij de belangen van klager nodeloos heeft geschaad, is de voorzitter niet gebleken. Verweerster kon enkel die stukken overleggen en enkel die informatie verschaffen die zij tot haar beschikking had. Verweerster heeft gebruik gemaakt van het feitenmateriaal dat haar cliënte haar had verschaft en niet is gebleken dat verweerster aanleiding had om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

4.7 Indien en voor zover klager het met de door verweerster naar voren gebrachte standpunten en ingediende stukken niet eens was of deze naar de mening van klager feitelijke onjuistheden bevatten of onvolledig waren, konden hij en zijn advocaat daarop in de civiele procedure reageren. Het was aan de civiele rechter, en thans niet aan de tuchtrechter, om te oordelen over de geschilpunten die partijen in het civielrechtelijke geschil verdeeld hebben gehouden.


4.8 Voor wat betreft het verwijt dat verweerster meerdere keren niet beschikbaar is geweest en heeft geweigerd contact te onderhouden met de advocaat van klager overweegt de voorzitter als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er over en weer contact is geweest tussen verweerster en mr. O, in welk verband zij financiële gegevens hebben uitgewisseld, contact hebben gehad over berekeningen en hebben gesproken over een mogelijk minnelijke regeling. Dat verweerster op 19 en 24 juni 2024 telefonisch niet bereikbaar was voor klagers advocaat is geen reden voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan het adres van verweerster. Advocaten zijn vanwege onder andere besprekingen en zittingen nu eenmaal niet altijd bereikbaar. Dat verweerster onvoldoende bereikbaar is geweest en daardoor klagers belangen heeft geschaad is geenszins gebleken.

4.9 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.


BESLISSING

De voorzitter verklaart:
- de klacht, voor zover deze ziet op het verwijt dat verweerster niet coöperatief is geweest, hetgeen heeft geleid tot een door haar opgestarte procedure bij de rechtbank Limburg, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- de klacht voor het overige ontvankelijk en, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.


Griffier Voorzitter


Verzonden op: 1 april 2025