ECLI:NL:TADRSHE:2025:53 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 24-696/DB/OB
ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2025:53 |
---|---|
Datum uitspraak: | 24-03-2025 |
Datum publicatie: | 31-03-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-696/DB/OB |
Onderwerp: |
|
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over verweerders optreden in een tuchtrechtelijke procedure. Geen sprake van ne bis in idem. Verweerder heeft tegen klager een tuchtklacht ingediend als represaille en om als wisselgeld te gebruiken om een tegen hemzelf ingediende tuchtklacht ingetrokken te krijgen. Dat de tuchtklacht daarnaast wél kansrijke klachtonderdelen bevatte, doet eraan af dat verweerder zich in dat geval had moeten beperken tot enkel die kansrijke klachten. Door zijn klacht mede in te dienen ter vergelding, heeft verweerder misbruik gemaakt van het klachtrecht. Daarnaast heeft verweerder klager aansprakelijk gesteld voor de schade vanwege de eerder ingediende tuchtklacht. Verweerder heeft daarmee afbreuk gedaan aan het laagdrempelige karakter van het klachtrecht. Dit kan ertoe leiden dat klachten worden afgehouden uit vrees voor tegenmaatregelen. Een advocaat moet zich daar dan ook van onthouden. In beginsel kan niet worden volstaan met een berisping. Omdat verweerder zich inmiddels heeft laten coachen en niet gebleken is dat hij zou zijn teruggevallen in zijn oude gedragspatroon, volstaat de raad toch met een berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 24 maart 2025
in de zaak 24-696/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde:
en
klager
gemachtigde:
over:
verweerder
gemachtigde:
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 februari 2024 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 20 september 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|015K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 februari 2025. Daarbij waren aanwezig klager, verweerder en hun gemachtigden.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 08. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagekomen stukken van verweerder van 27 januari 2025.
2. FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is een stichting in liquidatie (hierna ook: de stichting). Klager is benoemd als de vereffenaar van de stichting.
2.3 Op 8 september 2022 heeft klager namens de stichting een tuchtklacht ingediend tegen verweerder, omdat verweerder zich tegen de wens van klagers in zou hebben uitgegeven als de advocaat van de stichting.
2.4 Op 25 oktober 2022 heeft verweerder een klacht ingediend tegen klager en mr. [S] (hierna: de tegenklacht).
2.5 Op 25 november 2022 heeft de deken aan verweerder, met klager in de cc, geschreven:
“(…) U geeft in de klachtbrief onder § 2.1 aan een zelfstandige tegenklacht in te dienen tegen [klager] en mr. [S] samen (omdat mr. [S] namens [klager] heeft geklaagd). (…) U verwijt [klager], mede namens uw cliënten, dat hij (als vereffenaar:
1. misbruik maakt van het klachtrecht omdat de tegen u ingediende klacht elke feitelijke grondslag mist en puur als een vorm van “terugslaan” is aan te merken en lichtvaardig is ingediend;
(…)”
2.6 Na afronding van de schriftelijke rondes in de tuchtklachten, heeft mr. Van R namens verweerder het voorstel gedaan om alle klachten over en weer in te trekken.
2.7 Op 19 januari 2023 heeft klager daarop aan de deken gereageerd:
“lk begreep dat [verweerder] 'bereid is' zijn klacht tegen [mr. S] en zijn twee klachten tegen ondergetekende als vereffenaar, in te trekken onder de voorwaarde dat de klacht die [mr. S] namens mij als vereffenaar heeft ingediend tegen [verweerder], wordt ingetrokken. (...)
Ook zonder die eerste klacht tegen mij zou ik omtrent de bewust - en tegen de uitdrukkelijke wil van de Stichting Beheer derdengelden - onbevoegde vertegenwoordiging hebben geklaagd. Temeer nu [verweerder] (tegen beter weten in) blijft volhouden daartoe bevoegd te zijn. Dat [verweerder] vervolgens een klacht indient tegen [mr. S] ([mr. S] zou misbruik hebben gemaakt van het klachtrecht door de klacht tegen [verweerder] in te dienen en u als deken onjuist hebben voorgelicht) is te gek voor woorden. [Verweerder] stelt dat de tegen hem ingediende klacht kansloos is, maar in plaats van over de indiening van die klacht te klagen had hij op zijn minst uw dekenstandpunt moeten afwachten. Deze handelwijze van [verweerder] lijkt zijn ‘handelsmerk' te zijn. Zoveel mogelijk onzin, ellenlange vrijwel onleesbare en chaotisch geformuleerde stukken en op ongepaste wijze trachten druk te zetten. Ik ga daarin niet mee.
Ik voel dan ook niets voor het intrekken van de klacht tegen [verweerder]. Als dat voor hem betekent dat hij daarom de klachten tegen [mr. S] en mij handhaaft dan is dat maar zo. Ik laat niet een gegronde klacht tegen [verweerder] schieten alleen maar omdat [verweerder] drie (in onze optiek kansloze) klachten heeft ingediend, waaronder een klacht over het feit dat over hem geklaagd is.
Het indienen van twee 'tegenklachten' is niet de manier voor [verweerder] om van een klacht af te komen. Ik laat niet gebeuren dat het frustreren van ‘klachtrecht' op die wijze wordt beloond. (...)”
2.8 Op 7 februari 2023 heeft verweerder zijn tuchtklachten tegen klager en mr. [S] ingetrokken.
2.9 Op 27 februari 2023 heeft de deken een dekenstandpunt ingenomen over de tuchtklacht tegen verweerder van 8 september 2022, waarbij de deken de verwachting heeft geuit dat de klacht gegrond verklaard zal worden.
2.10 Op 18 oktober 2023 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend tegen verweerder. Daarbij heeft de deken onder meer het volgende aangevoerd:
“(…) 4. De directe aanleiding om deze ambtshalve klacht aan uw raad voor te leggen is de schending door verweerder van afspraken die met ondergetekende in januari 2023 zijn gemaakt (zie hierover nader onder punt 6). (…)
5. Ter illustratie volgt hieronder allereerst een overzicht van alle klachtprocedures waarbij verweerder in de afgelopen jaren betrokken is geweest, (…) [de tegenklacht tegen klager en mr. S]
6. Vanwege het feit dat het bureau orde van advocaten Oost-Brabant en daarmee ook ondertekende als toezichthouder en eindverantwoordelijke voor de klachtbehandeling veelvuldig (en in ieder geval veel vaker dan bij andere advocaten) te maken kreeg met klachten waarbij verweerder in verschillende hoedanigheden betrokken was, hebben op diverse momenten besprekingen met verweerder plaatsgehad. De insteek van die gesprekken is steeds geweest om verweerder erop te wijzen dat diens aanpak van zaken onnodig stevig en daardoor polariserend was, waardoor die zaken regelmatig ook een tuchtrechtelijke dimensie kregen. (…)
13. Aan verweerder is in het gesprek van 17 januari 2023 door ondergetekende kenbaar gemaakt dat hij van oordeel is dat aan de zijde van verweerder wederom sprake was van gedragingen die terecht nieuwe klachten tegen hem hadden uitgelokt, terwijl verweerder zich daarnaast (wederom) schuldig had gemaakt aan lichtvaardig klagen. (…)
38. Verweerder heeft zich meer bepaald schuldig gemaakt aan:
- Verweerder heeft herhaaldelijk lichtvaardig klaaggedrag vertoond, waarbij tevens sprake is geweest van onnodig scherp taalgebruik, wat onnodig escalerend heeft gewerkt, (…)”
2.11 Bij beslissing van 11 december 2023 (ECLI:NL:TADRSHE:2023:144) heeft de raad de klacht tegen verweerder gegrond verklaard en aan hem de maatregel van berisping opgelegd.
2.12 Op 10 januari 2024 heeft verweerder hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van 11 december 2023.
2.13 Op 11 januari 2024 heeft verweerder aan mr. [Van S], de advocaat van de vereffenaar van de stichting, geschreven:
“Zoals ik het zie geldt dat de vereffenaar willens en wetens kosten maakt in de wetenschap dat er een appel aan komt. Ik zal in dat appel de mailwisseling tussen ons overleggen om uit te laten komen dat er gehandeld wordt zonder ratio. Een ander aspect is dat ik de vereffenaar bij dezen aansprakelijk houdt voor de schade die ik persoonlijk heb geleden doordat de vereffenaar een klacht tegen mij heeft ingediend. Het indienen van klachten behoort niet tot de wettelijke taak van een vereffenaar, nu ingevolge artikel 2:23c lid 1 de rechtspersoon uitsluitend herleeft ter afwikkeling van de heropende vereffening. Het indienen van klachten met behulp van zelfs een tweede advocaat behoort daar uiteraard niet toe."
2.14 Op 30 april 2024 heeft verweerder het hoger beroep tegen de beslissing van de raad van 11 december 2023 ingetrokken.
2.15 Bij beslissing van 26 februari 2024 (ECLI:NL:TADRSHE:2024:37) heeft de raad het dekenbezwaar tegen verweerder gegrond verklaard en aan hem de maatregel van schorsing voor de duur van 30 weken, waarvan 26 weken voorwaardelijk opgelegd. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.
2.16 Op 28 augustus 2024 heeft de deken een dekenstandpunt ingenomen in deze klachtzaak. Daarbij heeft de deken onder meer geschreven:
“(…) Namens [verweerder] is het standpunt ingenomen dat het verwijt van lichtvaardig klagen al door ondergetekende is meegenomen in de ambtshalve klacht die leidde tot de beslissing van de Raad van Discipline van 26 februari 2024. Dit onderdeel is in het dekenbezwaar echter niet specifiek benoemd bij het onderdeel ‘lichtvaardig klagen’. Wel is deze gedraging meegenomen in de opsomming in het dekenbezwaar van klachtkwesties waarbij [verweerder] betrokken is geweest. In zoverre heeft de gedraging indirect een rol gespeeld bij de beslissing van ondergetekende om destijds een dekenbezwaar in te dienen. (…)”
3. KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft klagers geïntimideerd en onder druk gezet om hun tuchtklacht in te laten trekken, door een tegenklacht in te dienen over de vereffenaar. Ook heeft verweerder niet het dekenstandpunt afgewacht alvorens hij de klacht wilde laten doorzenden aan de raad. Verweerder heeft daarmee misbruik van het klachtrecht gemaakt;
b) Verweerder heeft niet professioneel en niet integer gehandeld door de vereffenaar aansprakelijk te stellen voor beweerdelijk geleden schade na gegrondverklaring van de tuchtklacht.
4. VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5. BEOORDELING
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
Standpunt verweerder
5.1 Verweerders meest verstrekkende verweer is dat sprake is van ne bis in idem als bedoeld in artikel 47b, eerste lid, van de Advocatenwet. Het verwijt uit klachtonderdeel a) is al door de deken meegenomen in zijn dekenbezwaar en daarop heeft de raad onherroepelijk beslist op 26 februari 2024. Klachtonderdeel a) is volgens verweerder daarom niet-ontvankelijk.
Toetsingskader ne bis in idem
5.2 Artikel 47b, eerste lid, van de Advocatenwet luidt: Niemand kan in gevolge de bepalingen in deze paragraaf andermaal tuchtrechtelijk worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen.
Beoordeling ontvankelijkheid
5.3 Uit de beslissing op het dekenbezwaar blijkt dat dit ziet op een ander feitencomplex dan de onderhavige klacht. De deken heeft als klacht ter beoordeling voorgelegd dat verweerder herhaaldelijk lichtvaardig klaaggedrag vertoond heeft, waarbij tevens sprake is geweest van onnodig scherp taalgebruik, wat onnodig escalerend heeft gewerkt, terwijl verweerder met de deken duidelijke afspraken had gemaakt om dit niet te doen. Deze afspraken, gemaakt tijdens een gesprek met de deken op 17 januari 2023 zijn geschonden, zo luidde de klacht. Vervolgens wordt dit onderbouwd met gedrag van verweerder in juni 2023 en de indiening van een klacht door hem op 19 juni 2023. In de onderhavige zaak staat het gedrag van verweerder, voor zover het ziet op lichtvaardig klaaggedrag, van vóór 2023 centraal. Dit gedrag is niet eerder beoordeeld. De raad concludeert dan ook dat op het feitencomplex uit klachtonderdeel a) nog niet onherroepelijk is beslist door de tuchtrechter. Dat betekent dat het verweer wordt verworpen.
5.4 Wel zal de raad klaagster niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel a), omdat haar belangen niet rechtstreeks zijn betrokken bij de tegen klager ingediende tegenklacht. Dat geldt niet voor klachtonderdeel b), omdat de aansprakelijkstelling ook gevolgen had (kunnen) hebben voor de stichting. Klager is wel in beide klachtonderdelen ontvankelijk.
Beoordeling
Toetsingskader inhoudelijk
5.5 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a van de Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 van de Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.6 Gedragsregel 24 luidt: In het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen streven advocaten naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.
Klachtonderdeel a): de tegenklacht
5.7 Verweerder heeft betoogd dat de tegenklacht niet enkel was ingediend om de door klager ingediende tuchtklacht ingetrokken te krijgen, maar dat dit slechts één klachtonderdeel betrof. De andere klachtonderdelen waren weldegelijk kansrijk als zij in afgeslankte vorm en een meer zakelijke toon waren doorgezet.
5.8 De raad stelt vast dat verweerder in zoverre erkend dat zijn tegenklacht deels bedoeld was als represaille en om als wisselgeld te gebruiken. Dat de tegenklacht daarnaast ook wél kansrijke klachtonderdelen bevatte, doet er niet aan af dat verweerder zich in dat geval had moeten beperken tot enkel die kansrijke klachten. Door zijn klacht mede in te dienen ter vergelding, heeft verweerder misbruik gemaakt van het klachtrecht. Dat klager advocaat is en daarom tegen een stootje zou moeten kunnen, zoals door verweerder is betoogd, laat ook onverlet dat verweerder met dit handelen in objectieve zin wel geprobeerd heeft om klager te intimideren en onder druk te zetten. Verweerder heeft daarmee niet in overeenstemming gehandeld met de kernwaarde integriteit en gedragsregel 24. Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b): de aansprakelijkstelling
5.9 Vaststaat dat verweerder klager aansprakelijk heeft gesteld voor de schade wegens indiening van de tuchtklacht uit 8 september 2022. Die klacht was bovendien op dat moment, weliswaar nog niet onherroepelijk, gegrond verklaard door de raad.
5.10 Het is de bedoeling geweest van de wetgever om een laagdrempelig tuchtrecht voor advocaten in te stellen. Dit tuchtrecht is onder meer bedoeld om de integriteit en kwaliteit van de beroepsgroep te waarborgen. Een advocaat mag daarom in het belang van een goede uitoefening van het beroep van advocaat de toegang tot de tuchtrechter niet belemmeren. Door een klagende partij aansprakelijk te stellen voor schade die wordt geleden door een ingediende tuchtklacht, doet verweerder afbreuk aan het laagdrempelige karakter van het tuchtrecht en ondermijnt hij ook de werking daarvan. Dit kan er namelijk toe leiden dat klachten worden afgehouden uit vrees voor tegenmaatregelen. Een advocaat moet zich daar dan ook van onthouden. Slechts in zeer beperkte uitzonderingssituaties, zoals bij evident (herhaald) misbruik van het klachtrecht, zou een advocaat hiertoe kunnen overgaan. Daarvan is geen sprake geweest, zeker niet omdat de klacht van 8 september 2022 door de raad gegrond is verklaard. De raad concludeert dan ook dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde integriteit. Klachtonderdeel b) is gegrond.
6. MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit door uit represaille een tegenklacht in te dienen en een aansprakelijkstelling te versturen wegens een tegen hem ingediende tuchtklacht. Daarmee heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur aanzienlijk geschaad. Om die reden kan de raad in beginsel niet volstaan met het opleggen van een berisping. Daartegenover wordt meegewogen dat verweerder zich sinds het dekenbezwaar heeft laten coachen door zijn gemachtigde, daarvoor ook een aanzienlijke voorwaardelijke schorsing is opgelegd en dat de raad geen signalen heeft ontvangen dat die coaching niet werkt en/of dat verweerder zou zijn teruggevallen in zijn oude gedragspatroon. Ter zitting heeft verweerder daar ook nogmaals op gereflecteerd. Ook heeft hij ondubbelzinnig verklaard afstand te doen van de aansprakelijkstelling en dat hij daar ook nooit gevolg aan heeft gegeven. De raad beschouwt deze klachtzaak dan ook als een staartje van verweerders oude handelswijze, die zich niet meer zal herhalen. De raad volstaat daarom met een berisping.
7. GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klagers,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a);
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en J.A. Bloo, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 maart 2025