ECLI:NL:TADRSHE:2025:51 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 24-671/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2025:51
Datum uitspraak: 24-03-2025
Datum publicatie: 31-03-2025
Zaaknummer(s): 24-671/DB/LI
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in penitentiaire beklagzaken. Verweerster heeft al vanaf het begin met klager afgesproken dat zij enkel zijn strafzaak en een beperkte lijst aan beklagzaken zou behandelen voor hem. Zij heeft zich echter gesteld bij de RSJ voor alle zaken van klager. Daarmee is zij in beginsel ook verantwoordelijk voor de behandeling van alle zaken van klager bij de RSJ. Vervolgens heeft zij namens klager pro-formaberoep ingediend in een aantal zaken. Het lag vervolgens op de weg van verweerster om klager te informeren over die beroepen, bijvoorbeeld wanneer de RSJ hem in de gelegenheid stelde om het motiveringsgebrek te herstellen. Als verweerster met klager zou hebben afgesproken dat zij de motivering niet voor hem zou indienen, had zij dit schriftelijk moeten bevestigen aan hem. Dat klager wekelijks twee klachten indiende, ontslaat verweerster ook niet van die plicht. Juist in die situatie is het aan de advocaat om duidelijk te zijn richting de cliënt wat zij wel en vooral niet voor hem doet, en om dit vervolgens schriftelijk vast te leggen. Klacht in zoverre gegrond. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 24 maart 2025

in de zaak 24-671/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

gemachtigde:

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 24 juni 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 10 september 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K23-095 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 februari 2025. Daarbij waren klager en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1-1 tot en met 7. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagekomen stukken van verweerster van 24 september 2024 en van klager van 9 oktober 2024. Klager heeft daarnaast, in afwijking van de eenmalige mogelijkheid om nadere stukken in te dienen uit artikel 2.4.1 van het Procesreglement, twee brieven ingediend op 12 oktober en 2 november 2024. De raad zal de brief van 12 oktober 2024 slechts meenemen in de beoordeling voor zover verweerster daarop ter zitting heeft kunnen gereageerd. De raad zal geen kennisnemen van de brief van 2 november 2024, omdat deze niet voldoet aan de eisen uit artikel 2.4.1 van het Procesreglement en verweerster niet over deze brief beschikte, zodat zij daarop ter zitting niet heeft kunnen reageren.

2. FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klager was gedetineerd. Hij heeft zich tot verweerster gewend voor bijstand in zijn strafzaak en bij penitentiaire beklagzaken. Verweerster heeft klager vanaf begin 2023 bijgestaan als advocaat.

2.3 Op 25 januari 2023 heeft verweerster namens klager bij de commissie van toezicht een beklag ingediend wegens plaatsing op de PPC-afdeling en in een isoleercel en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) verzocht om opschorting van die beslissingen.

2.4 Op 27 januari 2023 heeft verweerster aan de RSJ geschreven:

Tot mij wendde zich [klager]. Hij verzocht mij om hem bij te staan in al zijn penitentiaire beroepszaken, met name de zaak over de arbeidsongeschiktheid. Zou u kunnen aangeven welke zaken cliënt momenteel heeft lopen? Ik zou mij dan graag stellen.”

Diezelfde dag heeft de RSJ gereageerd welke zaken zij van klager hadden en dat zij de stelbrief van verweerster graag tegemoetzien.

2.5 Op 23 februari 2023 heeft verweerster een opdrachtbevestiging verstuurd aan klager:

Onlangs heb ik uw strafzaak in hoger beroep en penitentiaire beklagzaken overgenomen van mr. [K.] Hierbij stuur ik u een opdrachtbevestiging. (…) U heeft mij verzocht om rechtsbijstand te verlenen in zowel uw strafzaak in hoger beroep als in verschillende beklagzaken. Ik heb een lijst bijgevoegd van uw lopende beklagzaken.

Ik zal u in de strafzaak bijstaan en heb dit ook laten weten aan het openbaar ministerie en het Gerechtshof. Voor wat betreft de beklagzaken sta ik bij de CvT en de RSJ geregistreerd als uw vaste raadsvrouw. Zoals besproken hanteert de raad voor rechtsbijstand een criterium van zelfredzaamheid en worden er alleen toevoegingen verstrekt voor de zaken waarin uw persoonlijke integriteit is aangetast. Dit betekent dat ik u niet in alle beklagzaken volledig kan bijstaan.

(….)

2. We hebben afgesproken dat ik u ga bijstaan in deze zaken. (…)

Voor wat betreft de strafzaak heb ik in overleg met u als onderzoekswens opgegeven dat u een aanvullend onderzoek wenst van het NIFP. Ik heb u uitgelegd dat dit alleen in uw voordeel zal werken wanneer u ervoor open staat om mee te werken. Mee te werken aan het onderzoek en op een later moment aan eventuele voorwaarden. U gaf aan dit te willen en wij spraken af dat ik het aanvullend onderzoek als onderzoekswens zou indienen.

Ik zal mijn uiterste best doen om een zo goed mogelijk resultaat te behalen in al uw zaken. Ik kan echter geen uitkomst garanderen.

Financiën

Omdat u in detentie verblijft, kan ik een toevoeging voor u aanvragen zonder dat hieraan een eigen bijdrage vast hangt. (…)”

2.6 Op 28 februari 2023 heeft de RSJ verweerster in de gelegenheid gesteld om in de zaken 23/32338/GA en 23/32339/GA het gebrek aan motivering te herstellen.

2.7 Uit de urenregistratie van verweerster van 17 maart 2023 volgt: “

“Bezoek cliënt PI, in strafzaak maar ook andere zaken besproken i.v.m. vele vragen uit brieven. Client opnieuw gewezen op zelfredzaamheid in beklagzaken. Niet alle beklagzaken kansrijk.”

2.8 Op 20 maart 2023 heeft de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht een mondelinge behandeling gehouden. Klager en verweerster waren daarbij niet aanwezig, zoals vooraf aangekondigd. Het beklag is nadien ongegrond verklaard.

2.9 Op 21 maart 2023 heeft verweerster, onder verwijzing naar de e-mail van de RSJ van 27 januari 2023, aan de RSJ geschreven:

Hierbij bericht ik u dat ik de lopende beklagzaken (zie onderstaande mailwisseling) heb overgenomen van mr. [P] en stel ik mij als raadsvrouw. (…)”

2.10 Op 28 maart 2023 heeft de RSJ verweerster in de gelegenheid gesteld om in de zaken 23/32828/GA en 23/32842/GA het gebrek aan motivering te herstellen.

2.11 Op 31 maart 2023 en 1 april 2023 heeft klager brieven geschreven verweerster.

2.12 Op 2 april 2023 heeft verweerster namens klager gemotiveerd beroep ingesteld tegen de beslissing tot ongegrondverklaring van een het bezwaar tegen plaatsing in een PPC.

2.13 Op 7 april heeft klager een brief geschreven aan verweerster.

2.14 Op 14 april 2023 heeft klager aan verweerster geschreven:

In uw brief heeft u mij laten weten dat u mij bijstaat in beklagzaken en de strafzaak. Ik ben erg onder de indruk van u expertise en vind het dan oprecht jammer deze in de andere gevallen te missen. Aan de telefoon liet u ook weten géén klachten in te dienen bij DJI. Ik wil u vragen of hiermee niet tekortgedaan word? Daarnaast heb ik u een aantal keer gesproken maar is mij toch nog niet alles duidelijk. Ik som de punten hieronder nogmaals op en wil u vragen dit te verhelderen.

* TBS- Dwang: Welke mogelijkheden zijn er als een nieuw onderzoek niet het gewenste resultaat leverd?

(…)”

2.15 Op 25 mei 2023 heeft verweerster een aanvullende motivering ingediend in de zaak 23/32828/GA.

2.16 Op 24 juni 2023 heeft klager zich tot de deken gewend met een klacht over verweersters onbereikbaarheid.

2.17 Op 26 juni 2023 heeft er een incident plaatsgevonden waardoor klager zich in de persoonlijke integriteit geschaad heeft gevoeld. Bij brief van onbekende datum heeft klager aan verweerster geschreven:

Op 26 juni 2023 is er een incident geweest waarbij ik, als cliënt, blijvend letsel heb opgelopen en ben geschonden in mijn recht en lichamelijke integriteit. Aanvullend hierop is een vraag neergelegd en is dezelfde dag telefonisch contact geweest met [verweerster] Aanvullend hierop wil ik graag de volgende vragen stellen:

* In het telefoongesprek heeft u genoemd op vakantie te gaan, waarom heeft u de kwestie niet voorgelegd aan uw collega?

* U heeft gezegd een machtiging nodig te hebben voor het doen van aangifte of bijstand hierbij, waarom heeft u deze niet gezonden?

* U heeft aangegeven een machtiging nodig te hebben voor inzage in het zorgdossier. Waarom heeft u deze niet gezonden?

* Waarom heeft u na uw vakantie géén rechtshulp verleend?

* Waarom heeft u niet gewezen op mogelijkheden zoals een onderzoek van de nationale ombudsman of een verzoekschrift bij het Ehrm te Staatsburg?”

2.18 Op 27 juli 2023 heeft de RSJ een uitspraak gedaan op een door verweerster namens klager ingesteld beroep. Daarbij heeft de RSJ overwogen:

“(…) Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet kan tegen de uitspraak van de beklagcommissie een beroepschrift worden ingediend dat met redenen omkleed dient te zijn. Het beroepschrift van de raadsvrouw voldoet niet aan die eis. Klagers raadsvrouw is bij e-mailbericht van 28 maart 2023 in de gelegenheid gesteld om binnen een daarvoor gegeven termijn de gronden van het beroep alsnog schriftelijk mede te delen. Van die mogelijkheid is geen gebruikt gemaakt binnen de gegeven termijn. De beroepsrechter zal klager daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep. (…)”

2.19 Op 3 juli 2023 heeft klager telefonisch contact geprobeerd te leggen met verweerster, Verweerster was op dat moment op vakantie, maar volgens een voortgangsrapportage van DJI heeft klager wel iets kunnen doorgeven.

2.20 Op 7 augustus 2023 hebben klager en verweerster elkaar gesproken. Verweerster heeft de uitlatingen van klager in dit gesprek als bedreigend ervaren.

2.21 Op 8 augustus 2023 heeft verweerster aan klager geschreven:

Hierbij bericht ik u dat ik uw verdediging neerleg en mij onttrek als advocaat in verband met het ontstaan van een vertrouwensbreuk.

Gisteren d.d. 7 augustus 2023 om 16.44 uur heeft u mij gebeld omdat de PI Vught uw poststukken niet wilde versturen. U wilde dat ik dit voor u zou regelen en u gaf daarbij aan dat u alleen maar winnaars in uw team wilt en geen verliezers. Ik gaf u hierop aan dat ik u op deze manier, met deze houding en manier van spreken, niet kon helpen waarop u reageerde dat u of uw vrienden mij dan thuis zouden komen opzoeken.

Wij hebben eerder al gesprekken gehad waarbij wij niet op een lijn zaten. Bovenstaand gesprek is voor mij de druppel geweest. Dergelijke dreigende uitspraken kan ik niet accepteren. Nu er sprake is van een vertrouwensbreuk kan ik u niet langer bijstaan in uw zaken.

Ik zal de instanties waar ik momenteel gesteld sta als uw advocaat laten weten dat ik mij onttrek als uw advocaat. Het betreft de volgende instanties:

  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, strafzaak met parketnummer (…)
  • Commissie van toezicht (CvT), penitentiaire zaken
  • De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), penitentiaire zaken

Bij de Commissie van Toezicht stond ik in het systeem automatisch gekoppeld als uw advocaat. Dit komt te vervallen.

In uw stafzaak (…) staat op 29 augustus 2023 om 12.15 uur een pro-formazitting gepland bij het Gerechtshof in Arnhem. Het is mijns inziens van belang dat u zich hierbij laat bijstaan door een advocaat. Ik raad u dan ook dringend aan om voor deze zaak zo snel mogelijk een nieuwe strafrechtadvocaat te zoeken. Indien nodig zal ik deze advocaat op de hoogte stellen van de stand van zaken van die zaak zodat hij/zij alles snel kan oppakken. Ik realiseer mij dat de zitting al over drie weken staat gepland maar ik ben van oordeel dat gezien de ernst van uw uitspraken (thuis komen opzoeken) en het feit dat het een pro-formazitting betreft, u niet onredelijk wordt geschaad door mijn onttrekking. U heeft voldoende tijd om een nieuwe advocaat te zoeken. Indien u dat niet lukt, kunt u altijd contact opnemen met de lokale deken (Orde van Advocaten). (…)

Ik verzoek u om geen contact meer met mij of met kantoor op te nemen tenzij strikt noodzakelijk voor uw zaken.”

Diezelfde dag heeft verweerster aan de RSJ geschreven:

Eerder heb ik mij gesteld in de zaken van [klager]. Hierbij bericht ik u dat ik cliënt niet langer bij sta om mij moverende redenen. Kunt u dit aanpassen in uw systemen?”

2.22 Op 28 augustus 2023 heeft klager zijn klacht bij de deken aangevuld.

2.23 Op 27 september 2024 heeft de RSJ aan klager geschreven:

(…) In uw brief stelt u een aantal vragen met betrekking tot [verweerster]. Bij brief d.d. 1 mei 2024 (24/39632/OO) is u bericht dat de RSJ een stelbrief heeft ontvangen van [verweerster]. Deze stelbrief voeg ik volledigheidshalve bij. In andere zaken heeft [verweerster] direct namens u beroep ingesteld. Daar is dan verder geen stelbrief voor nodig. Eén en ander blijkt immers uit de tekst van het beroepschrift zelf.”

2.24 Op 21 oktober 2023 heeft klager zijn klacht bij de deken aangevuld.

2.25 Op 23 oktober 2023 heeft verweerster(s kantoor) klager verwezen naar de klachtenfunctionaris van het kantoor. Klager heeft hiervan geen gebruik willen maken.

2.26 Op 23 oktober 2023 heeft de RSJ aan klager geschreven:

Hierbij bevestig ik de ontvangst op 31 augustus 2023 van uw brieven van 16 augustus 2023 naar aanleiding van de uitspraken van de beroepsrechter op 9 augustus 2023 inzake uw beroepen, bekend onder kenmerk 23/32338/GA en 23/32339/GA. In uw brieven verzoekt u de beroepsrechter om de uitspraken te herzien. U geeft aan dat u niet wist dat in uw beroepen een verzoek om motivering naar uw raadsvrouw was gestuurd. In dat kader verzoek u de beroepsrechter om u in de gelegenheid te stellen om de beroepen alsnog van gronden te voorzien. Tot slot verzoekt u de beroepsrechter om u de onderliggende stukken in uw beroepen te doen toekomen.

In reactie hierop bericht ik u namens de beroepsrechter als volgt. (…) Conform de procedure bij de RSJ is (alleen) uw raadsvrouw, die zich overigens op 8 augustus 2023 heeft teruggetrokken in uw lopende zaken bij de RSJ, in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 20 maart 2023 de beroepen van gronden te voorzien.”

2.27 Op 30 oktober 2023 heeft klager zijn klacht bij de deken aangevuld.

2.28 Op 9 november 2023 heeft de RSJ aan klager geschreven:

(…) In uw brief vraagt u om toezending van de aan uw advocate [verweerster] gerichte berichten, waarin uw advocaten is gevraagd om toezending van gronden. U doelt daarbij op de zaken met kenmerknummers: 23/32338/GA, 23/32339/GA, 23/32842/GA en 23/32843/GA. In de bijlagen treft u deze berichten aan.”

2.29 Op 29 januari 2024 heeft de RSJ aan klager geschreven:

(…) U reageert op mijn brief van 9 november 2023 met kenmerk 23/37087/OO en vraagt om toezending van eventuele andere vergelijkbare berichten van uw advocate [verweerster]. Ik zond u mijn brief naar aanleiding van uw brief van 26 oktober 2023, waarmee u reageerde op vier uitspraken waarin u niet-ontvankelijk werd verklaard. Het was mij duidelijk dat u wel moest doelen op de uitspraken met de kenmerken 23/32338/GA, 23/32339/GA, 23/32842/GA en 23/32843/GA.

U denkt dat er nog meer vergelijkbare zaken zijn. Ik heb nog één zaak kunnen vinden: 23/32828/GA. In deze zaak is anders dan in voorgaande zaken wel een reactie ontvangen, maar in dit geval buiten de gegeven termijn.

In uw overige beroepszaken zijn geen motiveringsverzoeken verzonden.

De verzoeken om gronden in te dienen zijn, zoals u overigens hebt kunnen zien aan de eerder in kopie aan u toegezonden stukken, gericht aan het volgende mailadres: [e-mailadres van verweerster bij haar voormalige kantoor]. De RSJ vraagt niet om ontvangstbevestigingen van deze berichten.”

2.30 Op 1 mei 2024 heeft de RSJ aan klager geschreven:

(…) U vraagt in reactie op mijn brief met kenmerk 23/37494/OO om het stelbericht van [verweerster]. U vraagt tevens om een overzicht van RSJ-beroepszaken met bijbehorende klachtnummers van de commissie van toezicht bij de PI Vught dan wel het onderwerp van de bijbehorende klachten.

In reactie op dit verzoek bericht ik u het volgende. Ik ga er daarbij van uit dat u per abuis heeft verwezen naar mijn brief van 15 december 2023 in zaak 23/37484/OO. Bijgevoegd ontvangt u de stelbrief van [verweerster] en de brief waarmee zij zich heeft ontsteld als advocaat in diverse beroepsprocedures. In de beroepszaken die [verweerster] namens u heeft ingediend is geen afzonderlijke stelbrief ontvangen (dat ‘stellen’ zit als het ware al in het beroep zelf ‘ingebakken’). Onderstaand zend ik u een overzicht van uw beroepszaken met bijbehorende klachtnummers van de commissie van toezicht bij PI Vught.”

2.31 Uit de urenregistratie van verweerster volgt dat zij op de volgende momenten contact heeft gehad met klager:

  • 24 januari 2023 telefonisch
  • 26 januari 2023 bezoek aan PI
  • 30 januari 2023 telefonisch
  • 6 februari 2023 telefonisch
  • 8 februari 2023 bezoek aan PI
  • 6 maart 2023 telefonisch
  • 14 maart 2023 telefonisch
  • 17 maart 2023 bezoek aan PI
  • 20 maart 2023 telefonisch
  • 21 maart 2023 telefonisch
  • 29 maart 2023 telefonisch
  • 11 april 2023 telefonisch
  • 17 april 2023 telefonisch
  • 21 april 2023 bezoek aan PI
  • 8 mei 2023 bezoek aan PI
  • 15 mei 2023 pro-forma zitting gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
  • 7 juni 2023 bezoek aan PI
  • 8 juni 2023 bijwonen van zitting
  • 19 juni 2023 telefonisch
  • 23 juni 2023 telefonisch
  • 10 juli 2023 telefonisch
  • 11 juli 2023 telefonisch
  • 20 juli 2023 bezoek aan PI
  • 24 juli 2023 telefonisch
  • 27 juli 2023 telefonisch
  • 7 augustus 2023 telefonisch

Ook volgt daaruit dat verweerster onder meer de volgende werkzaamheden heeft verricht:

  • 8 februari 2023 Bezoek cliënt PI ivm OZ-wensen opgeven uiterlijk 20 februari
  • 15 februari 2023 Opstellen onderzoekswensen
  • 17 februari 2023 Mail in/uit onderzoekswensen
  • 23 februari 2023 Opstellen mail/brief voor cliënt met stand van zaken etc.
  • 27 maart 2023 Mail in/uit - reactie op poortraadsheer dat client volledig oz wenst en niet slechts aanvullend
  • 27 maart 2023 Studie dossier ivm oz wens

3. KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a) Verweerster beantwoordt klagers schriftelijke en telefonische vragen niet. Als klager belt om opheldering te vragen, wordt de verbinding verbroken;

b) Verweerster reageert niet op een overnameverzoek van klagers opvolgende advocaat;

c) Verweerster heeft in tien beroepschriften aan de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming geen gronden aangeleverd, waardoor de beroepen niet-ontvankelijk zijn verklaard.

d) Verweerster heeft een brief verzonden aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zonder klager daarover te informeren;

e) Verweerster heeft gewacht tot een ongunstig moment om de bijstand aan klager beëindigen.

f) Verweerster heeft niet gereageerd op de onderzoekswensen en verzoeken die klager had;

g) Verweerster heeft geen rechtshulp aan klager geboden omdat zij op vakantie ging en heeft de kwestie niet voorgelegd aan een collega;

h) Verweerster heeft klager niet gevraagd om machtigingen aan haar te verlenen voor het doen van aangifte of bijstand daarbij en voor inzage in klagers zorgdossier;

i) Verweerster heeft niet gewezen op de mogelijkheid om klagers kwestie voor te leggen aan de Nationale Ombudsman of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

4. VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5. BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster aan klager. Daarbij is het uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling houdt de tuchtrechter rekening met de vrijheid die de advocaat heeft bij de wijze waarop zij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat haar werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Binnen de beroepsgroep is voor de vaktechnische kwaliteit geen sprake van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerster heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

5.2 Uit het dossier kan de raad niet opmaken dat verweerster heeft nagelaten daarop op adequate wijze te reageren of dat zij de telefonische verbinding zou hebben verbroken. Klager heeft zijn klacht slechts geconcretiseerd door erop te wijzen dat verweerster niet zou hebben gereageerd op zijn brief van 14 april. Dit is door verweerster gemotiveerd weersproken, onder verwijzing naar haar bezoeken aan klager op 21 april 2023 en 8 mei 2023. Ook uit de in overweging 2.31 weergegeven urenregistratie volgt verder dat verweerster veelvuldig contact heeft gehad met klager, zowel telefonisch als fysiek in de PI. Welk telefonisch contact zou zijn verbroken is door klager evenmin gespecificeerd. Klachtonderdeel a) is ongegrond.

Klachtonderdeel b)

5.3 Verweerster heeft betwist dat zij een overnameverzoek heeft ontvangen. Klager heeft zijn klacht op dit punt ook niet onderbouwd, bijvoorbeeld door de naam te noemen van zijn opvolgend advocaat. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c)

5.4 Op basis van het bericht van de RSJ van 29 januari 2024 stelt de raad vast dat er vijf beroepen bij de RSJ zijn geweest waarin het motiveringsgebrek niet is hersteld. Ook was er één beroep waarbij de motivering wel is ingediend, maar na afloop van de gestelde termijn.

5.5 Verweerster heeft al vanaf het begin met klager afgesproken dat zij enkel zijn strafzaak en een beperkte lijst aan beklagzaken zou behandelen voor hem. Zij heeft zich echter gesteld bij de RSJ voor alle zaken van klager. Daarmee is zij in beginsel ook verantwoordelijk voor de behandeling van alle zaken van klager bij de RSJ. Vervolgens heeft zij namens klager pro-formaberoep ingediend in een aantal zaken. Het lag vervolgens op de weg van verweerster om klager te informeren over die beroepen, bijvoorbeeld wanneer de RSJ hem in de gelegenheid stelde om het motiveringsgebrek te herstellen. Als verweerster met klager zou hebben afgesproken dat zij de motivering niet voor hem zou indienen, had zij dit schriftelijk moeten bevestigen aan hem. Dat klager wekelijks twee klachten indiende, ontslaat verweerster ook niet van die plicht. Juist in die situatie is het aan de advocaat om duidelijk te zijn richting de cliënt wat zij wel en vooral niet voor hem doet, en om dit vervolgens schriftelijk vast te leggen. Klachtonderdeel c) is gegrond.

Klachtonderdeel d)

5.6 De raad stelt voorop dat klager niet heeft geconcretiseerd om welke brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn klacht zou gaan. Uit het dossier kan de raad enkel vaststellen dat verweerster het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geïnformeerd dat zij zich aan de zaak onttrekt, nadat zij haar werkzaamheden op 8 augustus 2023 heeft neergelegd. Dat heeft verweerster mogen doen en daarover heeft zij klager ook bij brief van 8 augustus geïnformeerd. Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Klachtonderdeel e)

5.7 Verweerster heeft haar werkzaamheden op 8 augustus 2023 neergelegd, nadat zij zich op 7 augustus 2023 bedreigd heeft gevoeld toen klager zei dat hij of zijn vrienden verweerster ‘thuis zouden komen opzoeken’. Een advocaat hoeft zulke dreigementen niet te dulden. Dat verweerster geen aangifte van bedreiging heeft gedaan, is daarvoor niet vereist zoals klager kennelijk meent. Dat daarvoor wel sprake was van een vertrouwensband en dat verweerster toen ook informatie van persoonlijke aard zou hebben gedeeld doet er niet aan af dat die vertrouwensband verdwijnt op het moment dat een advocaat zich bedreigd voelt door uitlatingen van haar cliënt. Niet gebleken is dat verweerster zich juist op een voor klager ongunstig moment zou hebben onttrokken. Er was een direct oorzakelijk verband met de inhoud van het gevoerde gesprek.

5.8 Verweerster heeft in haar brief van 8 augustus 2023 verder helder uiteengezet wanneer de pro-formazitting zou plaatsvinden, welke stappen klager diende te nemen en waarom zij van mening was dat klagers belangen niet onredelijk worden geschaad door haar onttrekking. De raad kan zich geheel vinden in die overwegingen. De raad ziet in het moment van de onttrekking niet dat dit ontijdig was, laat staan dat verweerster bewust zou hebben gewacht tot een ontijdig moment. Klachtonderdeel e) is ongegrond.

Klachtonderdeel f)

5.9 Uit de urenregistratie van verweerster volgt dat zij klager op 8 februari 2023 heeft bezocht om de onderzoekswensen op te geven, op 15 februari 2023 de onderzoekswensen heeft opgesteld, op 17 februari 2023 de onderzoekswensen heeft verstuurd en klager nadien ook heeft geïnformeerd over de stand van zaken. Op 23 februari 2023 heeft verweerster de onderzoekswensen ook bevestigd aan klager, namelijk dat klager een aanvullend onderzoek door het NIFP wenste. Niet gebleken is dat klager daar destijds bezwaar tegen had. De raad maakt uit de brief van klager van 14 april 2023 op dat hij ook toen nog achter dat nieuwe onderzoek stond. Klachtonderdeel f) is ongegrond.

Klachtonderdelen g) en h)

5.10 Op basis van het dossier stelt de raad vast dat verweerster eind juni tot begin juli 2023 op vakantie is geweest. Daarna heeft zij nog regelmatig contact gehad met klager tot zij haar werkzaamheden op 8 augustus 2023 heeft neergelegd. Het is de raad niet gebleken wanneer klager het incident van 26 juni 2023 aan verweerster heeft voorgelegd en dat verweerster die opdracht vervolgens heeft aangenomen. Integendeel, in de brief van 8 augustus 2023 van verweerster aan klager noemt zij de zaken waarin zij als advocaat voor klager heeft opgetreden. Daarin wordt geen melding gemaakt van bijstand met betrekking tot het incident van juni 2023.

5.11 Datzelfde geldt voor zover klager stelt dat verweerster aangifte zou doen of zijn medisch dossier zou opvragen. De raad kan de onderliggende feiten daarover niet vaststellen nu deze niet uit het dossier volgen, zodat de raad ook niet kan vaststellen of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.12 Klachtonderdelen g) en h) zijn ongegrond.

Klachtonderdeel i)

5.13 Verweerster was niet verplicht om klager in zijn algemeenheid te wijzen op alle overige instanties waarbij klager zijn klachten kon neerleggen. Zij zou klager enkel bijstaan in zijn strafzaak en de beklagzaken. Dat heeft zij ook gedaan. Klachtonderdeel i) is ongegrond.

Aanvullende opmerkingen

5.14 In zijn aanvullende stukken en ter zitting heeft klager nog enkele nieuwe verwijten naar voren gebracht. Voor zover klager die nieuwe verwijten wil handhaven, moeten deze op grond van artikel 46c, eerste lid, van de Advocatenwet bij de deken worden ingediend. De raad zal op deze nieuwe verwijten daarom niet ingaan.

Conclusie

5.15 Op grond van het voorgaande, zal de raad klachtonderdeel c) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige ongegrond.

6. MAATREGEL

6.1 Verweerster heeft nagelaten om schriftelijk vast te leggen welke zaken zij wel en niet voor klager zou gaan doen. Dat lag wel op haar weg, omdat zij zich als zijn gemachtigde heeft gesteld en de verantwoordelijkheid daardoor bij haar kwam te liggen. De niet-ontvankelijke beroepen wegens het niet of te laat indienen van een motivering, komen daardoor voor verweersters rekening. Hoewel de raad hiervoor in beginsel een berisping zou opleggen, nu het verwijtbare handelen raakt aan de kernwaarde deskundigheid, ziet de raad in verweersters opstelling ter zitting voldoende aanleiding om te volstaan met een waarschuwing. Gebleken is dat de klacht een grote emotionele impact op verweerster heeft gehad en zij heeft inzichtelijk gemaakt dat zij hieruit lering heeft getrokken.

7. GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en J.A. Bloo, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 24 maart 2025