ECLI:NL:TADRSHE:2025:155 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-630/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2025:155 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-11-2025 |
| Datum publicatie: | 12-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-630/DB/OB |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de incassoadvocaat van de wederpartij. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld ten tijde en na het versturen van een sommatiebrief. Ook was verweerder voldoende helder dat hij als advocaat optrad namens zijn cliënt. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 11 november 2025
in de zaak 25-630/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster 1
gemachtigde: mr. [K]
en
klaagster 2
gemachtigde: mr. [K]
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Oost-Brabant (hierna: de deken) van 17 september 2025 met kenmerk 48|24|157K en van
de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 08.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagsters vormen een incassobureau. Zij zijn in februari 2024 door [EB] B.V. (hierna genoemd EB) ingeschakeld voor het incasseren van een vordering in de Verenigde Staten. Daarvoor is € 28.912,07 aan voorschot betaald. De vordering bleek niet inbaar te zijn, omdat de debiteur op dat moment al was geliquideerd. Vervolgens hebben EB en klaagsters van augustus tot oktober gecorrespondeerd over terugbetaling van het voorschot.
1.2 Op 30 oktober 2024 heeft verweerder per brief en per e-mail aan klaagsters aangeschreven:
“Tot mij wendde zich [EB] voor het navolgende. (…) Mijn klant heeft mij bericht dat
zij een factuur heeft ontvangen van de vennootschap [klaagster 2] voor een bedrag
van € 28.912.07 en dat deze factuur is betaald is aan [klaagster 2] (…)
Veel belangrijker echter is dat is gebleken dat er helemaal geen sprake was van een
reële incassopoging en dat er helemaal geen dagvaarding is opgesteld noch kosten zijn
gemaakt voor griffierecht en / of betekeningskosten.
Mijn klant heeft dus de factuur aan [klaagster 2] met factuurnummer 300127603 ten
onrechte betaald. (…)
Dit te kort schieten rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomst.
(…) mijn klant vordert thans terugbetaling met onmiddellijke ingang van het betaalde
bedrag van € 28.912,07 en wel uiterlijk 6 november 2024. Betaling dient op de derdengeldrekening
van mijn kantoor te geschieden. (…)
Als betaling van het genoemde bedrag niet uiterlijk op de genoemde datum op mijn derdengeldrekening
is ontvangen, dan acht mijn klant zich vrij om ook vertragingsrente op voet van artikel
6:119 BW te vorderen (over de ontbindingsschade van € 28.912,08) alsmede incassokosten
te vorderen op grond van artikel 6:96 BW. (…)
Betaling kan uitsluitend bevrijdend plaatsvinden op rekening [rekeningnummer] op naam van [kantoornaam] Advocaten B.V., onder vermelding van [zaaknummer]."
1.3 Op 13 november 2024 heeft verweerder aan de gemachtigde van klaagsters (hierna:
klager) geschreven:
“Ondanks mijn eerdere sommatie is in deze zaak geen betaling ontvangen.
Kennelijk bent u niet bereid om de vordering in der minne te voldoen. Om die reden
heeft mijn klant mij opdracht gegeven om over te gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen.
Tenzij ik alsnog uiterlijk 15 november 2024 vóór 16:00 uur betaling van het verschuldigde
bedrag van € 30.682,61 heb ontvangen, zal dat in gang worden gezet.
Betaling kan uitsluitend bevrijdend plaatsvinden op rekening [rekeningnummer] op naam
van [kantoornaam] Advocaten B.V. onder vermelding van [zaaknummer].”
1.4 Mr. [K], gemachtigde van beide klaagsters heeft diezelfde dag gevraagd wat de rechtsgrond is, waar de vordering over gaat, of er correspondentie is gemist en waarop verweerder baseert dat klaagsters niet bereid zijn een vordering te voldoen. Daarbij heeft hij opgemerkt zich niet te kunnen voorstellen dat verweerder gelijk met rechtsmaatregelen dreigt, zonder eerst de vordering te onderbouwen.
1.5 Op 14 november 2024 heeft verweerder verwezen naar een brief van 30 oktober 2024 en de termijn van 15 november gehandhaafd. Mr. [K] heeft daarop aangegeven de brief niet te hebben ontvangen. Ook heeft hij diverse vragen gesteld over verweerders brieven, waaronder:
“(…) Als laatste stelt u dat betaling uitsluitend bevrijdend kan plaatsvinden aan uw kantoor. Kunt u mij toelichten hoe dit zit? Bent u eigenaar van de vordering? Waarom kunnen wij uitsluitend bevrijdend betalen aan uw kantoor? (…)”
1.6 Op 20 en 21 november 2024 heeft mr. [K] verweerder verzocht om een reactie. Op 22 november 2024 heeft het secretariaat van verweerders kantoor geantwoord dat verweerder vanwege persoonlijke omstandigheden deze week niet op kantoor is geweest en bij zijn terugkomst de week erop zal reageren.
1.7 Op 27 november 2024 heeft verweerder gereageerd. Daarbij heeft hij onder meer geschreven:
“Omwille van privéomstandigheden ben ik de afgelopen week niet op kantoor geweest
en kan ik eerst thans reageren. (…)
De brief van 30 oktober jl. heeft u inmiddels ontvangen. (…) Dat u de betreffende
mails niet heeft ontvangen kan ik niet beoordelen maar betwist ik bij gebrek, wetenschap
en onderbouwing. In ieder geval zijn er geen fouten gemaakt bij de invoer van het
e-mailadres en zijn er ook geen “bounce berichten” ontvangen. Ik moet het er dus voorhouden
dat de e-mails weldegelijk zijn aangekomen.
De toelichting en specificatie van de vordering en de grondslag daarvoor zit in de
brief van 30 oktober jl. De sommatie die daarna is gestuurd borduurt daarop voort.
Verder heb ik daar niets aan toe te voegen. (…)
Voor wat betreft de bevrijdende betaling heeft mijn klant mij opdracht gegeven om
de vordering te incasseren en is dat de reden dat een dergelijke bevrijdende betaling
is vermeld. (…) Wanneer ik niet uiterlijk vrijdag 6 december 2024 betaling heb ontvangen
van dit bedrag, acht mijn klant zich vrij om over te gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen.
Betaling kan uitsluitend bevrijdend plaatsvinden op rekening [rekeningnummer] op naam
van [kantoornaam] Advocaten B.V. onder vermelding van [zaaknummer].”
1.8 Op 28 november 2024 heeft mr. [K] een schikkingsvoorstel gedaan. Dit is op 2 december 2024 door verweerder afgewezen, waarbij verweerder 6 december 2024 als termijn heeft gesteld voor betaling.
1.9 Op 4 december 2024 hebben klaagsters € 16.422,29 aan de cliënte van verweerder betaald.
1.10 Op 5 december 2024 hebben klaagsters bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.11 Op 13 december 2024 heeft verweerder medegedeeld dat zijn cliënte de resterende vordering van € 14.516,78 handhaaft en dat als uiterlijk 18 december 2024 een betaling van € 14.000,- is ontvangen de zaak als afgedaan wordt beschouwd.
1.12 Op 17 december 2024 heeft mr. [K] verzocht om een reactie. Op 19 december 2024 heeft mr. [K] aangekondigd de klacht aan te zullen vullen.
1.13 Op 6 januari 2025 heeft verweerder gereageerd:
“Ik heb vanwege vakantie en vanwege privéomstandigheden voorafgaand aan mijn vakantie
niet eerder kunnen reageren op de brieven en overigens ook op ingediende klacht bij
de Orde van Advocaten. (…)
Het lijkt erop alsof niet begrepen wordt, dat de melding dat er uitsluitend bevrijdend
betaald kan worden aan mijn kantoor staat voor een sommatie tot betaling aan onze
klant op de stichting derdengelden en niet staat voor betaling van een vordering die
ons kantoor toekomt.
Uit de formulering blijkt dat wordt verzocht om bevrijdend onze klant te betalen op
de stichting derdengelden en geenszins wordt de suggestie gewekt dat er sprake is
van een overname van de vordering door ons kantoor als ware zij daar eigenaar van
geworden. Dat standpunt zal ik bij de Deken, mocht dat nodig zijn, ook nogmaals duidelijk
maken. (…)
De restantvordering van mijn klant bedraagt thans € 14.623,35 volgens onderstaande
specificatie. (…)
Ik mag namens mijn klant nog één keer een voorstel doen om deze zaak te schikken waarbij
mijn klant bereid is haar klacht tegen u bij uw beroepsorganisatie in te trekken,
als u de klacht tegen mij bij de Deken intrekt en overgaat tot betaling van thans
nog een bedrag van € 12.500,00. Het meerdere van de vordering zal mijn klant dan kwijtschelden
en kan worden aangewend ter voldoening van eventueel gemaakte kosten. (…)”
1.14 Op 13 januari 2025 heeft verweerder aan mr. [K] geschreven:
“Ik ontving uw e-mail van vandaag in goede orde. Ik heb zelf geen klacht ingediend,
maar ik begrijp dat mijn klant dat heeft gedaan (of voornemens is te doen).”
1.15 Op 14 januari 2025 heeft verweerder aan mr. [K] geschreven:
“Ik begreep van mijn klant, dat er een klacht reeds was ingediend. Mijn klant heeft
de inhoud van mijn bericht van 6 januari 2025 ook gezien en goedgekeurd. Daarmee had
ik ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Als u het voorstel niet
acceptabel vindt, dan hoor ik dat graag. Ik mag het voorstel gestand doen tot woensdag
15 januari 2025, 17.00 uur. Daarna vervalt het.”
1.16 Op 15 januari 2025 heeft mr. [K] de klacht aangevuld.
1.17 Op 16 januari 2025 heeft verweerder aan mr. [K] geschreven:
“(…) Mijn klant heeft mij zojuist laten weten, dat er inderdaad nog geen klacht is
ingediend en dat er sprake is van een misverstand. Dit in tegenstelling tot mijn eerdere
bericht van 6 januari jl.
Ten onrechte staat in de e-mail van 6 januari aan u dat er een klacht zou zijn ingediend.
Mijn klant heeft willen aangeven in zijn voorstel dat hij voornemens is een klacht
in te dienen en dat in voorbereiding heeft.
Dat is een misverstand geweest en daarvoor verontschuldiging namens mijn klant.
Het is evenwel geen klachtwaardig handelen door mij, nu ik u al eerder heb aangegeven,
dat de inhoud van het voorstel van 6 januari jl. in concept aan mijn klant is voorgelegd,
deze op de inhoud akkoord heeft gegeven en er voor mij geen reden was om te twijfelen
aan mijn klant.
Mijn klant verzocht mij nogmaals haar eerdere aanbod voor te leggen aan u: (…)
Voor de goede orde: ikzelf heb niet het voornemen of aanleiding om een klacht tegen
u of uw bedrijven in te dienen.
lk verneem graag of dit voorstel van mijn klant alsnog wordt geaccepteerd. lk mag het voorstel gestand doen tot vrijdag 17 januari. 16:00 uur. Daarna vervalt het. (…)”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten verweerder het volgende.
1) Verweerder heeft een sommatie gestuurd zonder melding te maken van enige rechtsgrond;
2) Verweerder heeft een sommatie gestuurd zonder specificatie van de vordering;
3) Verweerder heeft onredelijk korte termijnen voor betaling gesteld;
4) Verweerder is meermaals onbereikbaar geweest en heeft niet tijdig gereageerd;
5) Verweerder heeft niet tijdig inhoudelijk gereageerd;
6) Verweerder is de druk blijven opvoeren om vervolgens weg te duiken door niet nader te reageren;
7) Verweerder heeft geen zorgvuldigheid betracht bij het versturen van sommaties waarin aankondigingen van rechtsmaatregelen worden gedaan en waarbij extreem korte termijnen worden gehanteerd;
8) Verweerder heeft reeds in de eerste sommatie gedreigd met het nemen van rechtsmaatregelen;
9) Verweerder heeft meteen gedreigd met rechtsmaatregelen zonder eerst een reactie van de wederpartij af te wachten;
10) Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat uitsluitend bevrijdend kan worden betaald aan hem althans aan zijn kantoor en wekt daarmee tevens ten onrechte de suggestie dat hij c.q. zijn kantoor niet alleen eigenaar is van de hoofdvordering maar ook van alle nevenvorderingen;
11) Verweerder heeft de nevenvorderingen niet gespecificeerd en heeft geen deugdelijke uitleg gegeven waarom een betaling aan zijn cliënte niet meer bevrijdend zou zijn;
12) Verweerder heeft valse stellingen ingenomen waardoor hij het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad;
13) Verweerder heeft in de hand gewerkt dat er (een schijn van) belangenverstrengeling optreedt;
14) Verweerder is onduidelijk geweest namens welke onderneming hij naar buiten treedt;
15) Verweerder is volstrekt onduidelijk geweest in hoe uitsluitend bevrijdend moet worden betaald aan Bierens Advocaten B.V. terwijl hij ondertussen als advocaat werkzaam blijkt te zijn enkel en alleen bij Bierens Incasso Advocaten B.V. en hij juist namens die vennootschap in deze kwestie niet naar buiten is getreden;
16) Verweerder heeft een betaling gevorderd aan uitsluitend een rekening op naam van een vennootschap, te weten Bierens Advocaten B.V. en niet op een derdengeldenrekening, hetgeen tevens illustreert dat Bierens Advocaten B.V. eigenaar is van de vordering;
17) Verweerder is niet duidelijk geweest of en wanneer er een klacht is ingediend en heeft geen afschrift van de klacht gestuurd terwijl dat onderdeel is van zijn schikkingsaanbod waarbij over en weer ingediende klachten maar uitgeruild moeten worden;
18) Verweerder heeft op 6 januari 2025 laten weten dat er expliciet betaald moet worden op de stichting derdengelden, waarvan verweerder nog geen enkele keer melding heeft gemaakt hetgeen ook haaks staat op zijn overige onderdelen uit de sommatiebrief.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen 1) tot en met 9) en 11)
4.2 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten tijde van en na het versturen van de sommatiebrief. Anders dan klaagsters stellen, is verweerder niet direct overgegaan tot het dreigen met rechtsmaatregelen. Daaraan is immers de brief en e-mail van 30 oktober 2024 voorafgegaan. Dat klaagsters stellen deze brief en e-mail destijds niet te hebben ontvangen, verandert niet dat deze wel zijn verstuurd; bovendien blijkt dat klaagsters de brief later wel hebben ontvangen, getuige hun reactie daarop in november. Overigens was verweerder, tuchtrechtelijk gezien, niet gehouden om dit bericht per aangetekende post te versturen.
4.3 Klaagsters stellen verder dat verweerder gehouden was de vordering te specificeren. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder in zijn brief van 30 oktober voldoende duidelijk gemaakt waaruit de vordering bestaat, namelijk het bedrag dat zijn cliënte aan klaagsters heeft betaald en dat zijn cliënte nu terugvordert. Gedragsrechtelijk bestaat er geen verplichting om ongevraagd een verdere specificatie te geven.
4.4 Het is de voorzitter verder niet gebleken dat verweerder de belangen van klaagsters op onevenredige wijze heeft geschaad door termijnen van één week te stellen. Klaagsters hebben steeds tijdig kunnen reageren, waarna verweerder ook (onverplicht) nieuwe termijnen heeft gesteld. Op enkele momenten heeft verweerder weliswaar termijnen van enkele dagen gesteld, maar die waren al voorafgegaan door de langer geboden termijnen. Ook dit is tuchtrechtelijk niet ongeoorloofd.
4.5 Door verweerder is verder toegelicht dat hij in de betreffende periode minder aan het werk was door persoonlijke omstandigheden. Dat is door zijn kantoor ook kenbaar gemaakt aan klager. Het uitblijven van reactie van verweerder heeft klaagsters ook niet op dusdanige wijze benadeeld dat dit hem tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Verweerder in de tussentijd immers geen rechtsmaatregelen tegen hen genomen, maar juist aanvullende termijnen gegeven om alsnog tot betaling over te gaan.
4.6 Klachtonderdelen 1) tot en met 9) en 11) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen 10), 12) tot en met 16) en 18)
4.7 Verweerder heeft voldoende helder gemaakt dat hij als advocaat optrad namens EB, die hij diverse keren “mijn klant” noemt, om de vordering betaald te krijgen. Daarbij heeft hij in zijn eerste brief van 30 oktober 2024 al aangegeven dat het om een derdengeldenrekening ging waarop moest worden betaald. Dat verweerder in zijn correspondentie de suggestie heeft gewekt eigenaar te zijn geworden van de vordering, zoals door klaagsters gesteld, volgt de voorzitter niet. Volgens klaagsters duidt de mededeling dat uitsluitend bevrijdend betaald kan worden aan het advocatenkantoor daar wel op, maar uit de rest van de correspondentie blijkt evident dat verweerder namens zijn klant de vordering incasseerde en dat de bankrekening waarop betaald moest worden, de derdengeldrekening van zijn kantoor was. Van belangenverstrengeling is niet gebleken.
4.8 Klachtonderdelen 10), 12) tot en met 16) en 18) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 17)
4.9 Verweerder heeft aangegeven dat zijn cliënte een klacht had ingediend óf nog zou gaan indienen. Daarna heeft hij duidelijk gemaakt dat de klacht ook nog niet was ingediend. Die helderheid heeft verweerder dus wel degelijk geboden. Omdat er geen klacht was ingediend kon verweerder daarvan logischerwijs ook geen afschrift van sturen, voor zover hij daartoe al gehouden was aangezien hij daarin niet betrokken was door zijn cliënte. Klachtonderdeel 17) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.10 De klacht is in zijn geheel kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november
2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 november 2025