ECLI:NL:TADRSHE:2025:105 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-159/DB/LI
ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2025:105 |
---|---|
Datum uitspraak: | 07-07-2025 |
Datum publicatie: | 07-07-2025 |
Zaaknummer(s): | 25-159/DB/LI |
Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder is tekort geschoten in de behartiging van klagers belangen. Verweerder heeft niet schriftelijk vastgelegd wat hij tijdens het gesprek van 28 mei 2024 met klager had afgesproken, heeft niets in klagers zaak gedaan en zich, ondanks diverse contactpogingen van klager, onbereikbaar gehouden. Gelet op de aard van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten acht de raad een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken passend en geboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 7 juli 2025
in de zaak 25-159/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
per 31 december 2024 uitgeschreven van het tableau
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 augustus 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).
1.2 Op 13 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-098 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 mei 2025. Verschenen zijn klager en verweerder.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2. FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is vanaf maart 2023 in een civielrechtelijk geschil met R bijgestaan door mr. C. De opdracht is aan klager bevestigd bij brief van 20 maart 2023. Mr. C is tot 1 februari 2024 bij verweerders kantoor werkzaam geweest als advocaat. In verband met het vertrek van mr. C is de behandeling van klagers zaak op 31 januari 2024 overgedragen aan verweerder.
2.3 Klager en verweerder hebben een afspraak gemaakt voor een bespreking op verweerders kantoor op 15 mei 2024. Klager is op 15 mei 2024 bij verweerders kantoor verschenen, maar verweerder was niet aanwezig. Klager en verweerder hebben een nieuwe afspraak gemaakt. Op 28 mei 2024 heeft alsnog een gesprek plaatsgevonden tussen klager en verweerder. Tijdens het gesprek is de zaak inhoudelijk besproken en is afgesproken dat verweerder een conceptbrief aan de wederpartij zou opstellen.
2.4 Na het gesprek van 28 mei 2024 heeft klager meerdere malen vergeefs contact gezocht met verweerder. Bij e-mails van 18 en 23 juni en 2 juli 2024 heeft klager verweerder verzocht om een reactie te sturen aan de wederpartij.
2.5 Bij e-mail van 12 juli 2024 heeft klager verweerder als volgt bericht:
“Dit gaat niet goed. Ik probeer u al geruime tijd te bereiken. Onlangs 8 juli jl. heb ik het tevens geprobeerd via uw secretaresse. Wij spraken elkaar 28 mei jl. en dat was een constructief gesprek met uw toezegging de heer [R] te willen berichten. Echter de heer [R] blijft druk zetten en verneemt niets van u. Dit veroorzaakt onnodig druk bij mij. U weet waar ik in zit en dit kan ik er niet bij hebben met betrekking tot de fase waarin mijn dossier zich bevindt.
Ik wil u hierbij vragen in actie te willen komen.
Mag ik van u vernemen?”
2.6 Op 26 juli 2024 heeft klager een aangetekende brief gestuurd aan verweerder met de volgende tekst:
“Op alle mogelijke manieren heb ik u na ons constructief en prettig gesprek op 28 mei jl. getracht te bereiken. Helaas zonder resultaat. Hierdoor kom ik in grote problemen voor wat betreft de voortgang in mijn dossier en der herhaaldelijke druk (per e-mail) van de wederpartij, i.c. de heer [R].
Wilt u zo spoedig mogelijk met mij contact opnemen? Dit is nu wel noodzakelijk.”
Klager heeft de enveloppe ongeopend retour ontvangen.
2.7 In augustus 2024 heeft klager zich tot een andere advocaat gewend.
2.8 Op 21 augustus 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.9 Verweerder is per 31 december 2024 uitgeschreven van het tableau
3. KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft niet voortvarend opgetreden en heeft onzorgvuldig gehandeld;
2. Verweerder heeft klagers contactverzoeken niet beantwoord en klagers aangetekende brief kwam ongeopend retour.
4. VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5. BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 De raad overweegt als volgt. De klachtonderdelen 1 en 2 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Vast staat dat, nadat verweerder de behandeling van klagers dossier op 31 januari 2024 van mr. C had overgenomen, eerst op 28 mei 2024 een eerste bespreking tussen klager en verweerder heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder bij het inplannen van het eerste gesprek onvoldoende voortvarendheid betracht.
5.3 Klager heeft gesteld dat de zaak tijdens de bespreking van 28 mei 2024 inhoudelijk is besproken en dat is afgesproken dat verweerder een conceptbrief aan de wederpartij zou opstellen. Verweerder heeft dit weersproken. De raad overweegt dat het aan de advocaat is om de inhoud van besprekingen en gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. Indien de advocaat dit verzuimt komt het bewijsrisico daaromtrent op hem te rusten. De raad constateert dat verweerder heeft verzuimd om de inhoud van hetgeen op 28 mei 2024 is besproken en afgesproken schriftelijk vast te leggen. Dat heeft tot gevolg dat de raad uitgaat van de juistheid van klagers stellingen over de inhoud van het gesprek, namelijk dat de zaak inhoudelijk is besproken en dat is afgesproken dat verweerder een conceptbrief aan de wederpartij zou opstellen.
5.4 Vast staat dat verweerder geen conceptbrief aan de wederpartij heeft opgesteld. De raad stelt voorts vast dat klager na de bespreking van 28 mei 2024 meerdere malen bij verweerder heeft aangedrongen op actie en informatie over de stand van zaken. Dat verweerder op klagers herhaalde verzoeken heeft gereageerd is niet gebleken. De raad overweegt in dit verband dat een advocaat gehouden is de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Van een behoorlijk handelend advocaat mag voorts worden verwacht dat deze de cliënt naar behoren op de hoogte houdt van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren, hetgeen verweerder heeft verzaakt. Van feiten en omstandigheden die voldoende rechtvaardiging vormden voor het uitblijven van een reactie op klagers verzoeken is naar het oordeel van de raad niet gebleken. De door verweerder gestelde onduidelijkheid over de stand van zaken in het dossier en over hetgeen hem te doen stond kunnen in elk geval niet worden gekwalificeerd als dergelijke feiten en omstandigheden. Indien en voor zover er bij verweerder onduidelijkheid bestond had hij bij klager en/of mr. C om opheldering kunnen vragen. Verweerder heeft dit nagelaten en heeft klagers herhaalde contactverzoeken en verzoeken om actie (per e-mail en per aangetekende brief) onbeantwoord gelaten. Dit betaamt een behoorlijk handelend advocaat niet.
5.5 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat verweerder over deze voor klager belangrijke kwestie onvoldoende met hem heeft gecommuniceerd en dat hij niet heeft gehandeld met de voortvarendheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De raad zal de klacht op grond van het voorgaande in beide onderdelen gegrond verklaren.
6. MAATREGEL
6.1 Verweerder is tekort geschoten in de behartiging van klagers belangen. Verweerder heeft niet schriftelijk vastgelegd wat hij tijdens het gesprek van 28 mei 2024 met klager had afgesproken, heeft ondanks dat geruime tijd was verstreken niets in klagers zaak gedaan en zich, ondanks diverse contactpogingen van klager, onbereikbaar gehouden en hem in het ongewisse gelaten. Dat raakt de verplichting om te werk te gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht in de kern. Gelet op de aard van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten acht de raad een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken passend en geboden.
7. GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart,moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 4 weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. H.C.M. Schaeken, M. Callemeijn, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 7 juli 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 juli 2025