ECLI:NL:TADRSGR:2025:65 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-033/DH/RO 25-034/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2025:65
Datum uitspraak: 02-04-2025
Datum publicatie: 04-04-2025
Zaaknummer(s):
  • 25-033/DH/RO
  • 25-034/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over indienen handhavingsverzoek en daaropvolgende bestuursrechtelijke procedure. Verweerder 1 woont in de nabijheid, verweerder 2 (kantoorgenoot) treedt op als gemachtigde. Een deel van de klachten is te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk. Klachten voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk (vanwege ontbreken belang) en kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 2 april 2025
in de zaken 25-033/DH/RO en 25-034/DH/RO

naar aanleiding van de klachten van:

[…] B.V.
klaagster
gemachtigde: [K]

over:

1. mr. […] (25-033/DH/RO)
2. mr. […] (25-034/DH/RO)
verweerders

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mails van 15 januari 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kernmerken R 2025/008 (in zaak 25-033/DH/RO) en R 2025/009 (in zaak 25-034/DH/RO) en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mails met bijlagen namens verweerders van 21 februari 2025 en 24 februari 2025.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op de klachtdossiers, uit van de volgende feiten.
1.1 In 2013 heeft het college van B&W aan (de voorganger van) klaagster een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een aantal garageboxen. De bouw is in 2016 afgerond.
1.2 Verweerder 1 woont in de nabijheid van de garageboxen. Verweerder 2 is een kantoorgenoot van verweerder 1. Verweerder 2 heeft in deze kwestie opgetreden als advocaat van verweerder 1.
1.3 Op 1 juni 2018 heeft verweerder 2, namens verweerder 1, een verzoek om handhaving ingediend, omdat de garageboxen in afwijking van de verleende bouwvergunning zijn gerealiseerd.
1.4 Met het besluit van 16 oktober 2018 heeft het college van B&W het verzoek om handhavend optreden afgewezen. Verweerder 2 heeft hier, namens verweerder 1, bezwaar tegen gemaakt.
1.5 Dit bezwaar is bij besluit van 6 mei 2019 ongegrond verklaard. Verweerder 2 heeft, namens verweerder 1, beroep tegen dit besluit ingesteld.
1.6 Op 10 juli 2019 heeft P een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van de positionering van (twee van) de garageboxen. Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college van B&W de omgevingsvergunning verleend. Verweerder 2 heeft, namens verweerder 1, hiertegen bezwaar gemaakt.
1.7 Bij besluit van 18 december 2020 is het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder 2 heeft, namens verweerder 1, beroep hiertegen ingesteld.
1.8 Op 15 februari 2021 zijn de zaken gelijktijdig mondeling behandeld door de rechtbank. Daarbij waren onder meer verweerders en de gemachtigde van klaagster aanwezig.
1.9 Bij uitspraak van 10 mei 2021 heeft de rechtbank de beide beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 6 mei 2019 en 18 december 2020 vernietigd en het college van B&W opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. 1.10 Met het besluit van 24 februari 2022 heeft de gemeente (voor zover hier relevant) het primaire besluit herroepen en aan klaagster en P lasten onder dwangsom opgelegd voor het niet naleven van de voorschriften van de bouwvergunning van 21 februari 2013.
1.11 Klaagster en verweerders hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 24 februari 2022. Op 19 mei 2022 heeft verweerder 2 de gronden (inhoudelijk) aangevuld.
1.12 Op 23 juli 2024 heeft klaagster bij de deken klachten ingediend over verweerders.
1.13 Op 6 september 2024 hebben verweerders op de klacht gereageerd. Verweerder 2 heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder 1 heeft kort gereageerd en grotendeels verwezen naar het door verweerder 2 ingediende verweerschrift. In het verweerschrift staat onder meer:
“17. Uit die informatie bleek dat de gemeente op 16 juli 2013 de tekeningen die behoren bij de in februari 2013 verleende bouwvergunning heeft omgewisseld met nieuwe tekeningen. Die zijn door de gemeente vervolgens geantedateerd op 21 februari 2013.”
1.14 Op 4 februari 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en het beroep van klaagster ongegrond verklaard en het beroep van verweerder 1 gegrond verklaard.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerders het volgende.
a) Verweerders hebben rauwelijks een handhavingsverzoek ingediend en hebben niet geprobeerd de kwestie eerst in der minne op te lossen.
b) Verweerders zijn een bestuursrechtelijke procedure gestart met een ander doel dan handhaving door de gemeente. Klaagster stelt dat het handhavingsverzoek en de daaropvolgende procedure niet zijn gebruikt om daadwerkelijk aanpassingen van de garageboxen te bewerkstelligen, maar om druk uit te oefenen op de gemeente in verband met een persoonlijk geschil tussen verweerder 1 en de gemeente.
c) Verweerders hebben onvoldoende rekening gehouden met belangen van derden, waaronder klaagster.
d) Verweerders hebben klaagster en de gemeente in het verweerschrift van 6 september 2024 beticht van valsheid in geschrift (het antedateren van stukken).
2.2 Klaagster verwijt verweerder 2 het volgende.
e) Verweerder 2 is niet onafhankelijk van zijn cliënt, verweerder 1.
Klaagster stelt dat verweerders kantoorgenoten zijn, waarbij verweerder 1 partner is en verweerder 2 niet. Dit heeft tot gevolg dat er een machtsrelatie moet bestaan, waardoor verweerder 2 in feite optreedt voor zijn baas.
2.3 Klaagster stelt dat verweerders hebben gehandeld in strijd met de gedragsregels 1, 5 en 6. Zij heeft door de door verweerders gestarte procedures onnodige en bovendien zeer onverwachte kosten moeten maken. Klaagster stelt dat sprake is van misbruik van recht.

3 VERWEER
3.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING
Klachtonderdelen a), b) en c)
4.1 Op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en onder a Advocatenwet wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien deze wordt ingediend na het verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op deze regel bevat lid 2 van genoemd artikel een uitzondering voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar nadat de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
4.2 Klachtonderdeel a) ziet op het op 1 juni 2018 ingediende handhavingsverzoek. Aannemelijk is dat klaagster in de loop van 2018 bekend is geworden met het handhavingsverzoek, omdat het verzoek bij besluit van 16 oktober 2018 is afgewezen en klaagster daar bericht van zal hebben ontvangen. Klaagster was in ieder geval op 15 februari 2021 bekend met het ingediende handhavingsverzoek, want haar gemachtigde was die dag aanwezig bij de mondelinge behandeling over het handhavingsverzoek. De klacht is pas op 23 juli 2024 ingediend en daarmee buiten de termijn van drie jaar.
4.3 Datzelfde geldt voor klachtonderdelen b) en c), nu beide klachtonderdelen zien op het door verweerders starten van een bestuursrechtelijke procedure waarbij (volgens klaagster) onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van onder meer klaagster. De procedures zijn in 2019 en (begin) 2021 gestart en op 15 februari 2021 mondeling behandeld bij de rechtbank. Ook hier geldt dat de klacht pas op 23 juli 2024 is ingediend en daarmee buiten de termijn van drie jaar.
4.4 Dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet is door klaagster niet gesteld en is de voorzitter ook niet gebleken.
4.5 Voor zover klachtonderdelen b) en c) ook zien op de periode vanaf 23 juli 2021 geldt dat niet kan worden vastgesteld dat verweerders de bestuursrechtelijke procedure op oneigenlijke wijze hebben gebruikt, zoals klaagster stelt. Verweerders hebben dit gemotiveerd betwist en klaagster laat na haar stellingen (met stukken) te onderbouwen. Datzelfde geldt voor klaagsters verwijt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. Het is voorstelbaar dat de gevoerde procedures vervelend en belastend zijn (geweest) voor klaagster, maar dat maakt niet dat verweerders onvoldoende rekening hebben gehouden met klaagsters belangen. De klachtonderdelen b) en c) zijn daarom, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.6 Klaagster verwijt verweerders dat zij haar en de gemeente hebben beticht van valsheid in geschrift. Klaagster wijst daarbij op punt 17 van het verweerschrift van 6 december 2024. De voorzitter stelt vast dat in het verweerschrift alleen staat dat de gemeente tekeningen zou hebben geantedateerd.
4.7 Dat maakt dat klaagster bij dat verwijt geen rechtstreeks eigen belang heeft. Het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat komt namelijk niet aan eenieder toe, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar belang is of kan worden getroffen. Het is niet aan klaagster, maar zo nodig aan de gemeente om zich hierover te beklagen. Dit deel van het verwijt is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel e) - verweerder 2
4.8 Klaagster verwijt verweerder 2 dat hij niet onafhankelijk is van zijn cliënt. Verweerder 2 staat verweerder 1 bij sinds het op 1 juni 2018 ingediende handhavingsverzoek. Ook de klacht hierover is pas op 23 juli 2024 ingediend en is daarmee te laat. Dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet is door klaagster niet gesteld en is de voorzitter ook niet gebleken. De klacht is daarom niet-ontvankelijk.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
in zaak 25-033/DH/RO
- klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk,
- klachtonderdelen b) en c), voor zover deze zien op gedragingen voor 23 juli 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
- klachtonderdelen b) en c), voor zover deze zien op gedragingen vanaf 23 juli 2021, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- klachtonderdeel d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
in zaak 24-034/DH/RO
- klachtonderdelen a) en e), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk,
- klachtonderdelen b) en c), voor zover deze zien op gedragingen voor 23 juli 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
- klachtonderdelen b) en c), voor zover deze zien op gedragingen vanaf 23 juli 2021, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- klachtonderdeel d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 2 april 2025