ECLI:NL:TADRSGR:2025:64 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-956/DH/DH
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:64 |
---|---|
Datum uitspraak: | 31-03-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-956/DH/DH |
Onderwerp: | Tuchtprocesrecht |
Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
Inhoudsindicatie: | Tussenbeslissing na intrekking van de klacht. De raad beslist dat de behandeling van de klacht zal worden voortgezet om redenen van algemeen belang. |
Tussenbeslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 31 maart 2025
in de zaak 24-956/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. R. Kulk
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 november 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 20 december 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K230 2023
van de deken ontvangen.
1.3 Op 28 januari 2025 heeft de gemachtigde van klager medegedeeld de klacht
in te trekken, omdat een schikking is getroffen.
1.4 Op 5 februari 2025 heeft de deken bericht dat zij de behandeling van de klacht
over verweerder wenst voor te zetten om redenen aan het algemeen belang ontleend.
Zij heeft daarbij onder meer geschreven:
“[Verweerder] is tegenover zijn cliënt niet transparant geweest over door hem verrichte
werkzaamheden. [Verweerder heeft jarenlang niets ondernomen in het dossier van [klager].
Daarover heeft hij zijn cliënt niet geïnformeerd. Evenmin was [verweerder] transparant
over door hem ingeschakelde hulppersonen. Zelfs in de klachtprocedure weigerde [verweerder]
de naam van de door hem in Suriname ingeschakelde advocaat te verstrekken. Urenspecificaties
kan [verweerder] niet overleggen.
Het tuchtrecht is niet primair gericht op bescherming van de persoonlijke belangen
van de cliënt, maar op de handhaving van het openbaar belang bij een goede beroepsuitoefening.
Naar de mening van de deken heeft [verweerder] de kernwaarde (financiële) integriteit
geschonden. Een advocaat moet zich kunnen verantwoorden voor zijn keuzes. Het baart
de deken zorgen dat niet uitgesloten is dat [verweerder] ook in andere dossiers op
soortgelijke wijze te werk gaat.”
2 BEOORDELING
2.1 Artikel 47a lid 2 onder b Advocatenwet bepaalt dat in geval van intrekking
van een klacht, de raad kan beslissen dat de behandeling van de klacht moet worden
voortgezet om reden aan het algemeen belang ontleend. Bij de beoordeling daarvan hanteert
de raad, in lijn met vaste rechtspraak van het Hof van Discipline, de volgende, niet
limitatieve, uitgangspunten:
i) indien de feitelijke grondslag van de klacht door de verweerder wordt betwist
en schijnbaar verschillend kan worden gedacht over de waardering van het bewijs daarvan,
zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet in de rede liggen; met delicate
bewijsbeslissingen is geen algemeen belang gemoeid;
ii) indien de feitelijke grondslag van de klacht onbetwist is of schijnbaar geen
twijfel bestaat dat deze bewezen is, dan is voornamelijk de aard van de geschonden
norm bepalend voor de beslissing om de behandeling al dan niet voort te zetten;
iii) is de aard van de gestelde normschending deze dat de verweerder tekortgeschoten
is bij de inhoudelijke behandeling van de hem door zijn cliënt toevertrouwde zaak,
dan zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet geïndiceerd zijn; in zodanig
geval prevaleert het belang van de cliënt bij een minnelijke regeling (die doorgaans
ten grondslag ligt aan de intrekking van de klacht) boven het algemeen belang dat
door de tuchtrechter wordt vastgesteld dat de verweerder de kernwaarde van deskundigheid
heeft geschonden; de ernst van de gestelde tekortkoming zal daarbij van ondergeschikte
betekenis zijn; deze zal immers zijn verdisconteerd in de met de cliënt getroffen
regeling;
iv) in andere gevallen zal de beslissing om de behandeling al dan niet voort te
zetten afhankelijk zijn van de mate waarin de gestelde normschending raakt aan andere
kernwaarden dan deskundigheid bij de behartiging van de belangen van de cliënt, en
van de mate waarin het wenselijk voorkomt dat de tuchtrechter de desbetreffende norm
(opnieuw) onder de aandacht brengt van de beroepsgroep in het algemeen en/of van de
verweerder in het bijzonder;
v) voortzetting van de behandeling zal in elk geval geïndiceerd zijn indien de verweerder
de ongeoorloofdheid van zijn (vaststaande) handelwijze ten principale betwist en een
beslissing op dat verweer precedentwaarde heeft voor de praktijk.
2.2 Verweerder wordt diverse verwijten gemaakt die niet alleen raken aan de kwaliteit
van de dienstverlening, maar ook aan de (financiële) integriteit. Zo ziet de klacht
op het stilliggen van de zaak van klager van 2017 tot aan 2023, terwijl klager wel
€ 5.000,- aan voorschot betaalde, het zonder overleg inschakelen van een derde en
het niet kenbaar willen maken van de naam van deze derde, een in Suriname gevestigde
advocaat, alsmede het weigeren rekening en verantwoording af te leggen door middel
van urenspecificaties (ook van de ingeschakelde derde) en declaraties. In het licht
van deze omstandigheden acht de raad voortzetting van de behandeling geïndiceerd.
2.3 Op grond van artikel 47a lid 4 Advocatenwet bepaalt de raad dat de deken
van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag voor het vervolg van deze
zaak als klager wordt aangemerkt.
2.4 De zaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond voorafgaand
aan de intrekking van de klacht door klager.
2.5 De raad geeft verweerder in overweging om voorafgaand aan de zitting alsnog,
gemotiveerder dan hij tot op heden deed, rekening en verantwoording af te leggen aan
de deken over de besteding van het door klager betaalde voorschot. Ter zitting wordt
de raad graag nader geïnformeerd door verweerder over zijn visie op de overige klachtonderdelen
die verband houden met zijn integriteit, in welk verband gedragsregels 12, 13 en 16
ook relevant zijn.
BESLISSING
De raad van discipline:
- beslist dat de behandeling van de klacht zal worden voortgezet om redenen van
algemeen belang;
- bepaalt dat de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
voor het vervolg van de zaak als klager zal worden aangemerkt;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en W. Knoester, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 maart 2025