ECLI:NL:TADRSGR:2025:63 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-589/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2025:63
Datum uitspraak: 31-03-2025
Datum publicatie: 02-04-2025
Zaaknummer(s): 24-589/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat in een familierechtelijke procedure. Verweerder heeft erkend te hebben nagelaten om verweer te voeren tegen het alimentatieverzoek, waardoor klagers financiële situatie niet is meegenomen. Ook heeft verweerder de beschikking niet doorgezonden aan zijn cliënt, die daarmee plotseling is geconfronteerd toen de deurwaarder die kwam betekenen. Omdat verweerder voldoende blijk heeft gegeven dat hij de onjuistheid van zijn handelen inziet, volstaat de raad met een waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 31 maart 2025 in de zaak 24-589/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder


1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 mei 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 7 augustus 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/81 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 februari 2025. Klager heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting. Verweerder is in persoon verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 15. Ook heeft de raad kennisgenomen van klagers aanvullende stukken van 20 januari 2025.

2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft klager bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. Klagers ex-partner was op dat moment woonachtig in Marokko. Klager en zijn ex-partner hebben samen een kind.
2.3 Op 9 juli 2023 heeft verweerder het eenzijdige verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.
2.4 Op 9 juli 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Zoals afgelopen week telefonisch besproken bijgaand kopie van het verzoekschrift met bijlagen zoals dat verzonden is naar de rechtbank. Ik verwacht in de loop van komende week een bewijs van ontvangst van de rechtbank te ontvangen. (…) Over de duur kan ik niets garanderen. De andere partij mag tot eind oktober reageren op uw verzoek. Deze lange termijn geldt bij wederpartijen die buiten Nederland wonen of geen bekende woonadres hebben.
De kennisgeving aan de wederpartij van uw verzoek zal door de deurwaarder en via de Marokkaanse autoriteiten moeten plaatsvinden. Tegelijkertijd zullen de stukken vertaald moeten worden voordat ze aan de wederpartij verzonden kunnen worden. U dient er rekening mee te houden dat de procedure dit jaar en wellicht begin volgend jaar nog in beslag neemt.”
2.5 Op 22 augustus 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Wij spreken elkaar zojuist telefonisch.
Ik legde u uit dat wegens onjuiste informatie van de deurwaarder over de vertaling van het echtscheidingsverzoek van 5 juli 2023 het verzoek niet tijdig aan de wederpartij kon worden betekend. Dat wil zeggen dat de deurwaarder niet meer tijdig langs het Openbaar Ministerie in uw woonplaats kon gaan zodat die zorg dragen voor verzending naar het adres in Marokko.
Ik ontdekte de fout voor mijn vakantie en had u toen moeten inlichten. Er is tijd verloren gegaan, maar helaas kan ik u daarin niet compenseren. Daarom heb ik mij verleden week opnieuw gezet aan het inleiden van de echtscheiding.
U gaf aan geschokt te zijn door het tijdsverlies en u vroeg naar een eventueel recht op teruggaaf van betaalde kosten als u nu de echtscheiding stop zet. Mijn antwoord is nee, er zijn immers werkzaamheden verricht en de fout wordt hersteld. Uit de vraag proef ik dat u overweegt om de zaak te stoppen. Als u besluit om de zaak te stoppen, dan verzoek ik u om mij dat duidelijk per mail te melden.
Ik erken dat tijd is verloren, ik kan dat echter niet compenseren anders dan nu strikt de hand te houden aan uw zaak.”
2.6 Op 23 augustus 2023 heeft klager gereageerd:
“Ik was inderdaad geschokt door het tijdverlies als gevolg van de genoemde fout, maar ik heb geen andere keuze dan de zaak voort te zetten met de belofte van u om de zaak serieuzer te nemen en te proberen zo snel mogelijk een echtscheiding te verkrijgen”
2.7 Op 25 augustus 2023 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat het verzoekschrift is ingediend bij de rechtbank en dat de deurwaarder een exploot heeft ontvangen. Beide documenten lagen op dat moment bij de vertaler.
2.8 De ex-partner van klager heeft een zelfstandig tegenverzoek gedaan om een alimentatieverplichting aan klager op te leggen van € 500,- voor haarzelf en € 500,- voor hun kind.
2.9 Op 11 januari 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Ik bevestig dat de rechtbank nog geen zitting heeft bepaald. Pas na de zitting wordt de echtscheiding uitgesproken. Helaas heb ik de planning niet zelf in de hand. U heeft mij bewijs gestuurd van uw bijstandsuitkering. Dit is voldoende voor afwijzing van alle alimentatievorderingen. Voor uw kind kunt u tot maximaal Eur. 25,- per maand aan alimentatie veroordeeld worden. (…)”
2.10 Op 28 februari 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Wij spraken elkaar vandaag telefonisch en uitgebreid naar aanleiding van de echtscheidingsbeschikking. Ik moet toegeven dat de rechtbank niet is bericht dat u een bijstandsuitkering heeft. De rechtbank kon ook niet op basis van de stukken van [de ex-partner] oordelen dat u alimentatie kan betalen. (…) U gaf mij aan vertrouwen te hebben in het hoger beroep en mijn verdere bijstand hierbij ondanks uw teleurstelling. Ik gaf aan dat ik mij kan voorstellen dat het vertrouwen een deuk heeft gekregen. Ik ben bereid de procedure in hoger beroep uiterlijk maandag as. in te dienen. Op kortere termijn kan ik echt niet toezeggen. (…) Wel vraag ik dringend, doch vriendelijk, om mij zo spoedig als mogelijk per mail te bevestigen dat ik voor u verder kan optreden. Zodra ik van de deurwaarder verneem bericht ik u. Tenslotte is het inderdaad zo dat de echtscheiding helaas veel langer duurt dan vooraf ingeschat. Dat u hieronder lijdt is voorstelbaar zeker gezien de uitspraak die er nu ligt. Dit neemt niet weg dat het nu zaak is dat de veroordelingen zoveel als mogelijk door een hogere rechter worden gewijzigd. Mag ik vernemen?”
2.11 Op 1 maart 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“U vraagt mij of ik verder met u door wil gaan en dat u namens mij een hoger beroep gaat indienen. Voordat ik dat kan bepalen wil ik van u uitleg over de volgende punten. U hebt mij gevraagd om het telefoonnummer van mijn ex-vrouw en later in een telefoongesprek heeft u mij verteld dat er telefonisch contact is geweest met mijn ex. Ik wil graag weten hoe kan het contact met mijn ex van nut zijn voor mijn verzoek om scheiding.
In de beslissing van de rechter staat dat de advocaat van mijn ex had gevraagd om 500 euro per maand voor de vrouw en 500 euro per maand voor het kind. Ondanks dat ik u bewijs van mijn bijstand uitkering heb gestuurd, heeft u dat niet naar de rechtbank gestuurd en heeft u ook niet gereageerd op de voorstellen van de advocaat. De beslissing van de rechter is op 24 januari verstuurd. U heeft mij niet geïnformeerd dat de rechter een besluit heeft genomen. Een kopie van het besluit heb ik van de deurwaarder ontvangen. U begrijpt dat de beslissing van de rechter zal mijn leven veranderen. En om die reden wil ik vanaf nu geen rare dingen doen. Uw antwoorden op de vragen kunnen de twijfels bij mij wegnemen. Ik hoor graag van u dan zal ik voor maandag de knoop doorhakken.”
2.12 Op 5 maart 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Dank voor uw bericht. Ik beantwoord uw vragen.
Het nut van het contact was om haar te polsen of ze meewerkt aan de echtscheiding om zo de procedure te versnellen. Ook is met het contact voorkomen dat het echtscheidingsverzoek aan haar verblijfsadres moest worden betekend.
Het klopt dat ik in de procedure niet het bewijs van uw uitkering heb ingebracht. Ik wijs u er wel op dat u tijdig hoger beroep moet instellen tegen de echtscheiding en dat u dat hoger beroep moet laten registeren in het rechtsmiddelen register van de rechtbank. Zo voorkomt u dat u voor de uitspraak in hoger beroep gedwongen wordt alimentatie te betalen. (…)
Ik ken u als een principieel man en ik meen oprecht dat ik mij schuldig voel aan de ontstane situatie. Mijn advies om het bedrag van Eur. 648,87 (in delen) te betalen aan de deurwaarder waarbij ik bereid ben om Eur. 148,87 voor mijn rekening te nemen. Want doordat de deurwaarder aan de deur moest komen bent u die extra kosten verschuldigd geraakt.
Voor mij bestaat geen reden om mij niet volledig voor uw belangen in te zetten. Nog steeds ben ik bereid u bij te staan en als u dat wenst kunt u een andere advocaat naar deze kwestie laten kijken of laten overnemen. De kosten voor het hoger beroep kunt u als bijzondere bijstand vergoed krijgen.
Welke keuze u ook maakt, ik verneem graag van u.”

3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij tekort is geschoten in zijn dienstverlening, door klagers zaak niet met zorgvuldigheid en toewijding te behandelen. Daartoe heeft klager het volgende aangevoerd.
a) Verweerder heeft nagelaten het verzoekschrift tijdig in te dienen, waardoor de procedure onnodig is vertraagd. Ook heeft verweerder klager niet juist en tijdig geïnformeerd over de indieningstermijn en de door hem gemaakte fout.
b) Verweerder heeft nagelaten om de stukken over klagers financiële situatie in te dienen, waardoor klager € 1.000,- in plaats van € 25,- alimentatie per maand moest betalen. Ook heeft verweerder klager niet tijdig geïnformeerd over de door hem gemaakte fout.
c) Verweerder heeft nagelaten een zitting aan te vragen bij de rechtbank, waardoor zonder een zitting uitspraak is gedaan en klager zijn standpunt niet mondeling heeft kunnen toelichten.
d) Verweerder heeft nagelaten de beschikking naar klager te sturen. Klager is hiermee pas bekend geworden toen de deurwaarder de beschikking kwam betekenen, waardoor hij ook de betekeningskosten heeft moeten betalen.
3.2 Klager verzoekt daarnaast om een schadevergoeding van € 10.000,-, omdat klager door verweerders handelen psychische en lichamelijke gevolgen heeft ondervonden. Klager heeft diabetes en een verhoogde bloeddruk opgelopen. Ook heeft hij intensieve behandelingen moeten ondergaan voor zijn psychische klachten. Dit heeft ook kosten met zich gebracht.

4 VERWEER
4.1 Verweerder betwist dat hij het verzoekschrift niet tijdig heeft ingediend. Dit heeft hij gedaan binnen een week na het intakegesprek. Door fouten bij de vertaling van het verzoekschrift, kon dit echter niet meer op tijd worden betekend. Verweerder heeft op 5 augustus 2023 daarom het verzoekschrift ingetrokken en is achter de vertaling aangegaan. Op 22 augustus 2023 heeft verweerder klager daarover geïnformeerd, waarbij hij geen onjuiste informatie heeft verstrekt.
4.2 Verweerder erkent dat hij geen verweerschrift op het zelfstandig tegenverzoek van de ex-partner heeft ingediend. Verweerder had niet verwacht dat de rechtbank de zaak zou afdoen zonder zitting. Anders dan klager meent, heeft er geen zitting in de zin van een mondelinge behandeling in het bijzijn van partijen plaatsgevonden. Het ging om een rolzitting. Verweerder had echter tijdig verweer moeten voeren en hij begrijpt dat klager geschokt was door de beslissing over de alimentatie. Ook erkent verweerder dat klager pas voor het eerst kennisnam van de echtscheidingsbeschikking via de deurwaarder. Verweerder heeft erkend dat hij dit anders had moeten doen en heeft de deurwaarderskosten voor het betekenen van de beschikking al aan klager vergoed.
4.3 Verweerder verzet zich tegen het verzoek om schadevergoeding. Hoewel verweerder zijn fouten niet wil bagatelliseren, acht hij het niet aannemelijk dat klager als gevolg van de gemaakte fouten schade heeft geleden in de gevorderde omvang. Het bedrag van € 10.000,- is ook niet onderbouwd. Verweerder heeft klager ook meermaals verwezen naar de civiele rechter voor het geval klager meent een schadeclaim te hebben.

5 BEOORDELING
Klachtonderdeel a)
5.1 De klacht gaat over de dienstverlening door de (eigen) advocaat. Gezien het bepaalde bij artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening moet rekening worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (vergelijk Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32). De raad zal de genoemde klachtonderdelen hierna aan de hand van deze maatstaf beoordelen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
5.2 Bij de beoordeling van de klachtonderdelen betrekt de raad de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder ook de kernwaarden die in artikel 10a Advocatenwet zijn uitgewerkt. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
5.3 Verweerder heeft toegelicht dat hij het verzoekschrift tijdig heeft ingediend, maar dat dit niet op tijd meer betekend kon worden door de deurwaarder omdat de vertaler niet op tijd klaar was. Verweerder heeft het verzoekschrift daarom ingetrokken, de vertaler aangespoord om de vertaling af te krijgen waarna het verzoekschrift opnieuw is ingediend. Hoewel verweerder klager wel eerder had kunnen en moeten informeren over de ontwikkelingen rondom de vertaling, acht de raad dit onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt te komen. Dat er vertraging is ontstaan in de procedure kan verder niet aan verweerder worden toegerekend, omdat ook hij afhankelijk was van de vertaler. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdelen b) tot en met d)
5.4 Verweerder heeft erkend dat hij heeft nagelaten om verweer te voeren tegen het alimentatieverzoek van de ex-partner, waardoor klagers financiële situatie niet is meegenomen in de beoordeling van het verzoek van de ex-partner. Omdat er geen verweer is gevoerd, begrijpt de raad dat er ook geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Klagers standpunt is dus zowel schriftelijk als mondeling niet voor het voetlicht gebracht. Dat kan verweerder worden aangerekend. Als gevolg daarvan heeft verweerder een aanzienlijke alimentatieverplichting opgelegd gekregen, terwijl hij op dat moment in de bijstand zat. Ter zitting is gebleken dat dit in hoger beroep door een andere advocaat is hersteld, in de zin dat klager de € 1.000,- per maand (met terugwerkende kracht) niet hoeft te betalen, maar dat laat onverlet dat verweerder hiermee de belangen van klager in eerste aanleg niet naar behoren heeft behartigd. De beschikking waarin de alimentatieverplichting is opgelegd, is door verweerder bovendien ook niet doorgezonden aan klager. Daardoor is klager plotseling geconfronteerd met de beschikking toen de deurwaarder die kwam betekenen, waarvoor klager ook nog eens extra kosten voor de betekening diende te voldoen. Ook daarin is verweerder tekortgeschoten in zijn dienstverlening aan klager. Klachtonderdelen b) tot en met d) zijn gegrond.
Afsluitende overwegingen
5.5 Op de zitting heeft klager ook aangegeven dat verweerder met zijn ex-partner heeft gebeld en daarover niet eerlijk zou zijn geweest richting klager. Klager meent dat verweerder heeft samengespannen met zijn ex-partner. Verweerder heeft dit ter zitting betwist. Hij heeft toegelicht dat hij de ex-partner van klager heeft gebeld om haar adres op te vragen voor het betekenen van het echtscheidingsverzoek en om haar te adviseren een Nederlandse advocaat in te schakelen, zodat verweerder de procedure sneller kon laten verlopen met die Nederlandse advocaat. De raad ziet bevestiging van die gang van zaken in verweerders e-mail van 5 maart 2024. Voor zover dit als klachtonderdeel bedoeld is, zou dit dus niet leiden tot een gegrondverklaring.
5.6 Tot slot verzoekt klager om een schadevergoeding van € 10.000,-. De raad kan dat verzoek niet toewijzen. Uit artikel 48b lid 1 Advocatenwet volgt namelijk dat de raad maximaal € 5.000,- aan schadevergoeding kan toewijzen. Overigens is de mogelijkheid tot toekenning van schadevergoeding in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt. Ook als de schadevergoeding beperkt was tot € 5.000,- dan had de raad dit niet toegewezen. Daarvoor ontbreekt namelijk nog te veel informatie. Klager stelt namelijk dat hij kosten heeft moeten maken voor medicatie en psychische behandelingen, maar de kosten die hij heeft gemaakt zijn niet inzichtelijk gemaakt. Het is voor een tuchtprocedure als deze bovendien te complex om vast te kunnen stellen of klagers gestelde schade in causaal verband staat met verweerders handelen. Klager kan daarvoor naar de civiele rechter gaan.
5.7 De raad zal klachtonderdelen b) tot en met d) gegrond verklaren. De klacht is voor het overige ongegrond. Ook zal de raad het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft op de zitting van de raad ruiterlijk erkend dat hij jegens klager is tekortgeschoten. Verweerder heeft toegelicht dat de gemaakte fouten niet het gevolg zijn van onvoldoende deskundigheid of onervarenheid met echtscheidingsprocedures, maar dat hij gewoonweg per ongeluk is vergeten een verweerschrift in te dienen. Vervolgens heeft hij uit schaamte voor zijn handelen de beschikking niet doorgezonden aan klager. Verweerder betreurt deze gang van zaken en hij heeft de onnodige, door zijn nalaten veroorzaakte betekeningskosten aan klager vergoed. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder er voldoende blijk van gegeven dat hij de onjuistheid van zijn handelen inziet. Hoewel verweerder de kernwaarden deskundigheid en integriteit heeft geschonden, zal de raad daarom volstaan met het opleggen van een waarschuwing.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen b) tot en met d) gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en W. Knoester, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 31 maart 2025