ECLI:NL:TADRSGR:2025:56 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-604/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2025:56
Datum uitspraak: 24-03-2025
Datum publicatie: 02-04-2025
Zaaknummer(s): 24-604/DH/DH
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Verweerder heeft opgetreden als vereffenaar in de nalatenschap van de moeder van klager. Verweerder heeft zich in door klager ingestelde procedures laten bijstaan door een advocaat. Hij is voor de keuze om een advocaat in te schakelen geen verantwoording verschuldigd aan klager. Evenmin is verweerder gehouden om in relatie tot klager verantwoording af te leggen over de vereffeningskosten (waar de advocaatkosten onderdeel van zijn). De klacht is in alle onderdelen ongegrond. Zie ook 24-615, de samenhangende klacht tegen de advocaat van de vereffenaar.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 24 maart 2025 in de zaak 24-604/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:

klager
gemachtigde: K.B. Blijleven

over

verweerder
gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 oktober 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder en zijn (voormalig) kantoorgenoot mr. J.
1.2 Op 14 augustus 2024 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken K223a 2023 ia/jh (verweerder) en K223b 2023 ia/jh (mr. J) van de deken ontvangen.
1.3 De klacht tegen verweerder is behandeld op de zitting van de raad van 10 februari 2025. Daarbij waren klager en verweerder, beiden bijgestaan door hun gemachtigden aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van:
- de brief van 6 september 2024, met bijlagen, van klager;
- de e-mail van 24 januari 2024, met bijlage, van klager.

2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossiers en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Aan deze klacht ligt een geschil rondom een nalatenschap ten grondslag. Erflaters zijn de ouders van klager. Klagers vader is op 8 maart 2003 overleden. Klagers moeder is op 30 maart 2020 overleden. Erfgenamen zijn klager en vijf broers en zussen. Klagers moeder had klager en één van zijn zussen onterfd.
2.3 Verweerder is op 9 oktober 2020 door de rechtbank tot vereffenaar van de nalatenschap van moeder benoemd. Mr. J was op dat moment kantoorgenoot van verweerder en verrichtte ook werkzaamheden in het dossier.
2.4 Verweerder heeft overbedelingsvorderingen vastgesteld en deze als schulden van de nalatenschap van moeder in de door hem opgestelde boedelbeschrijving en crediteurenlijst opgenomen. Een en ander heeft vanaf 10 april 2021 bij de rechtbankgriffie ter inzage gelegen.
2.5 Op 30 september 2021 heeft verweerder de uitdelingslijst en de rekening en verantwoording ter inzage gelegd. Volgens een overzicht van die datum bedroeg het vereffenaarsloon op dat moment € 30.979,- en de griffierechten € 253,-.
2.6 Klager heeft verzet ingesteld tegen de uitdelingslijst en de rekening en verantwoording. Verweerder heeft mr. J gevraagd om op te treden als advocaat van de nalatenschap in de verzetprocedure. Mr. J was op dat moment al niet meer verbonden aan het kantoor van verweerder.
2.7 De kantonrechter heeft het verzet mondeling behandeld. Tijdens de zitting waren zowel verweerder als mr. J aanwezig.
2.8 In de beslissing van 15 maart 2022 heeft de kantonrechter het verzet (voorwaardelijk) ongegrond verklaard.
2.9 Klager heeft vervolgens een inhoudelijke procedure aanhangig gemaakt ter vaststelling van de in het verzet naar voren gebrachte geschilpunten (artikel 4:233 lid 2 BW). In die procedure heeft mr. J ook opgetreden als advocaat van de nalatenschap, op verzoek van verweerder.
2.10 Op 4 april 2023 is de inhoudelijke procedure mondeling behandeld door de rechtbank. Bij de zittingen waren mr. J en verweerder aanwezig. Klager was ook aanwezig, net als drie zussen en een broer. Klager, zijn broer en zijn zussen werden ieder bijgestaan door een eigen advocaat. Tijdens de zitting bij de rechtbank is een regeling getroffen. De regeling houdt in dat, zakelijk weergegeven, een aantal vorderingen waaronder het vereffenaarsloon, worden voldaan en dat het restant van de nalatenschap gelijkelijk wordt verdeeld onder klager en zijn vijf broers en zussen. Over het vereffenaarsloon is bepaald dat het gaat om alle kosten die de vereffenaar voor zijn werkzaamheden in de nalatenschap van moeder heeft gemaakt en zal moeten maken en dat deze volledig worden betaald.
2.11 De vereffenaarskosten die bij de nalatenschap in rekening zijn gebracht bedragen € 58.579,-. Dit bedrag bestaat uit € 37.730,22 aan vereffenaarsloon en € 19.332,57 aan advocaatkosten (€ 14.146,- exclusief btw en kosten advocaat loon en € 2.215,91 aan griffierechten en verschotten). Daarnaast gaat het om € 1.061,78 in verband met de aangifte erfbelasting en om € 455,- aan voorgeschoten begrafeniskosten.

3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft geweigerd om na het bereiken van de schikking op 4 april 2023 inzage te geven in de kosten voor verweerder zelf en mr. J. Klager heeft er via zijn advocaat drie maal, maar tevergeefs, om gevraagd.
b) Klager begrijpt niet dat wanneer verweerder is benoemd tot vereffenaar er kosten van een andere kantoor/andere advocaat in rekening worden gebracht.
3.2 De stellingen die klager aan de klachten ten grondslag heeft gelegd worden hierna, voor zover van belang, besproken.

4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft aangevoerd dat in het kader van de vereffening diverse erfrechtelijke aspecten aan de orde waren en dat hij daarom mr. J als erfrechtspecialist bij de afwikkeling van de nalatenschap heeft betrokken. Later, mr. J werkte toen al bij een ander kantoor, heeft verweerder haar als advocaat van de nalatenschap ingeschakeld in verband met de door klager opgestarte inhoudelijke procedure.
4.2 Na de financiële afwikkeling van de nalatenschap conform de op 4 april 2024 bereikte schikking is aan de advocaat van klager het op het proces-verbaal en de uitdelingslijst gebaseerde uitkeringsoverzicht toegezonden, alsmede een specificatie van de op het uitkeringsoverzicht opgenomen verschotten (waaronder advocaatkosten). Latere verzoeken tot nadere specificatie van de vereffeningskosten zijn bij gebreke van een grondslag niet gehonoreerd.
4.3 Op basis van het aan de advocaat van klager toegezonden uitkeringsoverzicht kan worden vastgesteld dat conform het proces-verbaal en de uitdelingslijst is uitbetaald. Rekening en verantwoording was reeds eerder afgelegd en op verweerder rust geen nadere (verantwoordings)verplichting meer.
4.4 Verweerder heeft gewezen op een uitspraak van de kantonrechter van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3444), waarin ook de (nadere) specificatie van reeds door de kantonrechter goedgekeurde vereffenaarskosten aan de orde was.

5 BEOORDELING
Omvang klacht
5.1 Klager heeft bij de deken geklaagd over dat wat hiervoor in paragraaf 3 is weergegeven. Op de zitting bij de raad heeft klager de klacht uitgebreid met de verwijten dat verweerder onvoldoende daadkrachtig heeft opgetreden en dat hij niet heeft gehandeld in lijn met gedragsregels 1 en 17. Deze verwijten zijn niet onderzocht door de deken, zoals voorgeschreven in artikel 46c Advocatenwet. De raad zal de aanvullende verwijten daarom buiten beschouwing laten.
Maatstaf
5.2 De klacht ziet op gedragingen van verweerder in zijn hoedanigheid van vereffenaar in een nalatenschap. De raad stelt voorop dat in vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline is bepaald dat het tuchtrecht zoals geregeld in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet ook van toepassing is als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid. Als de advocaat zich bij de vervulling van zijn taak als vereffenaar zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat de kantonrechter toezicht houdt op de werkzaamheden van de vereffenaar.
Klacht
5.3 De raad is van oordeel dat verweerder in zijn hoedanigheid van vereffenaar niet gehouden is om aan klager (en zijn broers en zussen) verantwoording af te leggen over zijn eigen kosten en die van mr. J. Dat verweerder dit niet heeft gedaan en dus ook geen gehoor heeft gegeven aan daartoe strekkende verzoeken van de gemachtigde van klager betekent niet dat hij het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
5.4 Verweerder is in zijn rol van vereffenaar ook niet gehouden om in relatie tot klager en zijn broers en zussen te verantwoorden dat hij een advocaat heeft ingeschakeld voor bijstand in de procedures die klager heeft ingesteld. Dit brengt mee dat verweerder ook niet hoeft te verantwoorden tegenover klager en zijn broers en zussen dat de kosten van de advocaat tot het vereffenaarsloon zijn gerekend. Verweerder heeft ook op dit punt het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad.
5.5 De raad neemt bij zijn oordeel in aanmerking dat de vereffenaarskosten op 4 april 2024 zonder voorbehoud onderdeel zijn geweest van de schikking. Klagers en zijn broers en zussen, ieder bijgestaan door een advocaat, hebben ingestemd met die schikking en aldus ook met het nog verrekenen van de vereffenaarskosten met de nalatenschap. Het vereffenaarsloon is bovendien goedgekeurd door de kantonrechter.
5.6 Klachtonderdelen a en b zijn gelet op dit alles ongegrond.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, A.N. Kampherbeek, D. de Knijff en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 24 maart 2025